Verhaal

"DE VIERDE DIMENSIE"

Impresie bezoek van een kind overlevende aan het poolse vernietigingskamp waar zijn ouders zijn omgebracht

DE VIERDE DIMENSIE ©
door
Tswi J. Herschel

De bus dendert langs akkers, weilanden en boerderijen. Het landschap is als een prent. De grijze tinten worden versterkt door de donkere hemel waaruit een gestage regen valt. Het land is omgeploegd en klaar voor de winter. De huisjes en boerderijtjes zijn uit de tijd van “Tevje”, opgetrokken van grijze steen of van hout. Uit de schoorstenen kringelt de rook omhoog. De kleur van de rook en haar geur verraadt, dat er op bruinkool wordt gestookt. De tijd heeft hier stil gestaan. Met een beetje fantasie waant men zich terug in de periode waar de “Stetl“ het middelpunt is geweest van een omvangrijk joods Pools leven. Rijk aan joodse cultuur, met een warme diepgang. De grote catastrofe heeft in haar vernietigende tred dit alles weggevaagd, een leegte achterlatend.

Het is koud in de bus. De verwarming funktioneert nauwelijks. Verkleumt en met onze jassen aan kijken wij naar het landelijke panorama. De ramen zijn aan de binnenkant beslagen. Langs de buitenkant loopt het regenwater met dikke stralen naar beneden. Stil is het in de bus. Er wordt haast niet gesproken. Wij zijn nieuw voor elkaar. Het enige wat ons tot nu toe verbindt is dat wij het zelfde reisdoel hebben. Ons gezelschap is gevormd door de wens om die oorden te bezoeken welke in ons leven zo een belangrijke rol spelen. Nog elke dag worden wij geconfronteerd met het gemis aan de warmte van onze bloedverwanten en de identificatie met hen.

Bomen met hun prachtige herfsttooi schieten voorbij. De grijsheid van de hemel en het landschap staan in fel contrast met de schakering van het rood, donkerbruin en het geel van het dorrende blad.
Tegen het einde van de middag bereiken wij onze eerste bestemming, Birkenau. Bij het verlaten van de bus slaat de koude striemend toe. Het schemert en onder de dreigende regenwolken gaan wij die weg, waarop zovele ongelukkigen ruim vijftig jaar geleden hun laatste gang hebben gemaakt. Door de poort van het hoofdgebouw, langs het spoor naar de plaats tussen de twee opgeblazen crematoria, waar het monument zich bevindt. Het is alsof het kamp geen grenzen heeft. Zijn uitgestrektheid overtreft alle veronderstellingen. Honderdduizenden mannen, vrouwen en kinderen; joods, zigeuner, communist en vrijheidsstrijder, leefden hier een korte tijd hun vernietiging tegemoet.
Het lot wat hen trof kon niet meer worden afgewend. De strijd was ongelijk. Gedepersonaliseerd en van alle menselijke eer ontdaan werd het leven hun abrupt ontnomen.

Auschwitz is als een verschrikkelijke droom, onwerkelijk. Echter de waarheid is ondubbelzinnig hard en wreed. Tienduizenden brillen, potten en pannen, koffers met namen en geboortedata van gedeporteerden, prothesen in alle maten en soorten, zijn de stille getuigen in een immens drama eens op deze plaats voltrokken.
Een vitrine afgeladen met twee duizend kilo haar, vrouwenhaar. Tussen de plukken hier en daar een vlecht, sommige met een meegevlochten lint, meisjes haar.
Bergen schoenen: rode, bruine, zwarte, witte, linker-, zomer, rechter- en winterschoenen, alles door elkaar. Onzinnig en wreed.

De schoorsteen van het crematorium duidt de plaats aan waar de moordmachine zijn werk deed. Bij het betreden van de gaskamer bonst het hart in de keel. Onwerkelijk schijnt deze ruimte. Er is geen sfeer, de holheid heeft zijn weerklank in onze geest.
Stil staan wij in een kring en fluisteren. Schichtig kijken wij om ons heen en voelen ons leeg.
De verbrandingsovens zijn als gevaarlijke objecten. Er is een niet tegenhoudende drang om de stenen van de ovens aan te raken. Bouwsels met openstaande muilen om te verteren gapen je aan.
Dit alles te aanschouwen is onwezenlijk. Begrijpen is onmogelijk. De wreedheid en de massaliteit maken je misselijk en geven een machteloos gevoel. De onbeantwoorde vraag herhaalt zich steeds in onze gedachten: “ Waarom, Waarom “?
Als verdwaalden, ver van de werkelijkheid lopen wij rond met uitdrukkingsloze gezichten en met een leeg hart. De realiteit wordt bevestigd. De naakte feiten met eigen ogen te aanschouwen doen onze gedachten uiteen scheuren.
Het onbegrijpelijke is nog meer onbegrijpelijk geworden. De omvang en het fabrieksmatige van de moordmachine zijn onmeetbaar en niet te vatten. Zij zijn als een vierde dimensie.
Buiten gekomen verblindt de zon onze ogen. Haar warmte koestert ons lichaam. De affectie voor elkaar maakt ons sterk om deze reis te kunnen volbrengen. Onze gevoelens behoeven wij elkaar niet uit te leggen. Een lichte aanraking, een blik van herkenning en begrip zijn meer dan woorden kunnen betekenen.

De streek waardoor wij rijden wordt goudgeel door het schijnsel van de late herfstzon. Onze bus volgt de weg in de richting van de oostgrens van Polen naar het kamp Sobibor. Met onze medereizigers groeit een band. Verhalen gaan over en weer. Het landschap glijdt voorbij en op sommige akkers zijn boeren aan het werk. Alleen wij zijn niet met onze dagelijkse werkzaamheden bezig. Wij zijn doende met ons verleden, om te weten, te zien en in ons op te nemen, opdat wij na deze reis verder kunnen gaan en te kunnen existeren.
De weg leidt door dichte loofbossen met hier en daar open plekken. Langzaam verstommen de gesprekken. De spanning is te merken. Het besef, dat Sobibor niet meer ver weg is maakt ons stil van binnen. Aandachtig luisteren wij naar de voorlezing van het verslag van een kampoverlevende over zijn aankomst in het kamp Sobibor.

Op de parkeerplaats bij het kamp komt de bus tot stilstand. Traag staan wij van onze zitplaatsen op en zonder een woord te zeggen gaan wij naar buiten. Ieder voor zich met zijn of haar gedachten lopen wij in de richting van “ die Rampe “, het uitlaad perron.
Onze voetstappen zijn in de voetsporen van onze omgebrachte dierbaren; van onze vaders, moeders, broers, zusters, grootouders en andere familieleden. De treinrails loopt tot aan het stootblok. Het einde van de rails, het einde van de treinreis, het einde van het leven.
Sobibor wordt in ons geconcretiseerd door deze plek met eigen ogen te aanschouwen. De weg te gaan van het perron naar de plaats waar het noodlot onerbarmelijk heeft toegeslagen verdoofd ons gevoel van werkelijkheid
Inleving in de gedachtengang van de angst, de hoop op een betere toekomst, elkaar weer te zien, gaan onze voorstellingen ver te boven. De leegheid treft ons, de onmacht sluipt bij ons naar binnen en snijdt als een scherp mes door onze ziel.

Bij de asheuvel, “de graven” van onze verwanten, hebben wij, wanneer onze emoties dat toelieten, hun namen genoemd. Onze stemmen waren zacht en omfloerst van verdriet, maar voor ons gevoel klonken zij luid.
Gezamenlijk hebben het “Kadish” gebed gezegd met dichtgeschroefde kelen, met veel pijn in onze ziel en met een ontroering die deed tintelen in lichaam en geest.

Het kamp Sobibor is ver weg van de bewoonde wereld en zij is van de aardbodem verdwenen. Op deze plaats werden bomen geplant, omdat niets er aan mag herinneren, dat hier ooit een genocide heeft plaatsgevonden op honderdduizenden onschuldigen.
De wind blaast door de takken van dit nieuwe bos. Het ruisen van de bomen is het enige wat men hoort. Vogels zijn er niet, het is er stil, heel stil.
Zwijgend hebben wij dit oord van zielepijn verlaten.

De moord op onze verwanten en anderen heeft ons diep getroffen. Gelouterd keren wij terug. De bestaande wond is niet geheeld, noch is zij groter geworden. Het verdriet wordt enigszins verzacht doordat wij de plaats hebben bezocht waar onze dierbaren met zovele lotgenoten hun fiere hoofd moesten neerleggen en hun lichamen werden geveld door het vernietigende zwaard van moordende haat.

Alle rechten voorbehouden