Verhaal

In Memoriam I

Jozeph Philips wordt geboren in 1875, als zoon uit het huwelijk van koopman Meijer Philips en Betjen Wertheim (1853-1935). Jozeph woont met zijn ouders in bij de ouders van zijn moeder. Later betrekt het gezin een eigen woning. De moeder van Jozeph overlijdt in februari 1935, zijn vader overlijdt in mei 1942, hij is dan 93 jaar oud.

Het gezin telt naast Jozeph nog twee zoons en twee dochters. Zijn zus, Estelle Modijefsky-Philips, overlijdt in 1918. Broer Philip sterft in Ermelo in maart 1943. Zijn zus Bertha en broer Amon Mozes worden omgebracht in Auschwitz.

Jozeph groeit op in zijn geboortedorp Vorden en maakt op latere leeftijd deel uit van de plaatselijke schutterij.

Rozette Saartje Zendijk wordt geboren in 1876, als dochter uit het huwelijk van slager Mozes Aron Zendijk en Saartje de Vries. Naast Rozette Saartje wordt ook een zoon geboren die de namen Aron Mozes krijgt, hij wordt in februari 1943 in Auschwitz omgebracht.

Rozette Saartje groeit op in haar geboortedorp Olst en is twee jaar oud als haar moeder overlijdt. In oktober 1879 hertrouwt haar vader met een vrouw die bijna dezelfde voornaam draagt als zijn dochter: Rosetta Wertheim. De moeder van Jozeph en de tweede moeder van Rozette Saartje zijn zussen van elkaar.

Op één dag na precies zeven jaar na het overlijden van de moeder van Rozette Saartje, overlijdt haar vader. Na het overlijden neemt haar tweede moeder de zorg voor Rozette Saartje en haar broertje op zich.

Op 16 december 1903 treden Jozeph en Rozette Saartje met elkaar in het huwelijk, de plechtigheid vindt plaats in Olst. Jozeph is 28 en zijn vrouw een jaar jonger. Het echtpaar gaat wonen in Harderwijk, de plaats waar Jozeph sinds april van dat jaar naartoe is verhuisd. Ze wonen (in ieder geval) op het adres Smeepoortstraat 4 (later: Vijhestraat), waar ook de slagerij gevestigd is. In november 1904 wordt dochter Betsie Saartje geboren. In april 1908 wordt in het gezin een zoon geboren die de namen Maurits Meijer krijgt, het gezin wordt in juli 1912 compleet met de komst van Meijer Jozeph. Alle kinderen worden geboren in Harderwijk. Betsie Saartje overleeft de oorlog en overlijdt in 1998.

In 1911 wint Jozeph een aanbesteding: hij mag de helft van het aantal vleesproducten waar de aanbesteding voor is uitgeschreven, aan het in Harderwijk gelegerde garnizoen leveren.

In het geboortejaar van hun oudste kind wordt Jozeph voorzitter van de lokale ijsclub ‘Volmoed’, het is goed denkbaar dat hij zich al eerder aan de vereniging verbonden heeft. Hij blijft tot 1920 in deze functie actief. 

In 1915 is Jozeph slachtoffer van een dief die op verschillende adressen diefstallen heeft gepleegd. Verschillende gedupeerden horen de beklaagde schuld bekennen. Bij Jozeph zijn er lijnkoeken gestolen, een overblijfsel van het persen van lijnzaad. Lijnkoeken worden als krachtvoer aan het vee gevoerd. Een jaar later wordt er namens de kinderen van Jozeph en Rozette Saartje een krantenadvertentie geplaatst waarin het koperen huwelijksjubileum van hun ouders onder de aandacht wordt gebracht. Eveneens in 1916 wordt Jozeph na een herstemming hernoemd als lid van de Kamer van Koophandel. 

Jozeph wordt in 1919 in zijn rol als voorzitter van de Nederlands Israëlitische Gemeente in Harderwijk gekozen als lid van de plaatselijke gemeenteraad.

Jozeph is betrokken bij een project waarbij Joodse militairen van het 7e Regiment Infanterie worden overgeplaatst naar Harderwijk, om op deze wijze binnen de Joodse cultuur te kunnen leven: koosjer eten, op de gewenste tijden de sjoel kunnen bezoeken en het buiten werktijd samenzijn met geloofsgenoten op een manier die binnen het religieuze leven past. Zo is er een piano, Joodse lectuur en zijn er Joodse studieboeken. Samen met de Joodsche Militaire Bond en het Amsterdamse Rabbinaat is er een locatie gevonden waar het garnizoen gelegerd kan worden. Ook Rozette Saartje is betrokken, zij wordt genoemd als een van de drijvende krachten in aanloop van de opening, die in de synagoge plaatsvindt. Jozeph neemt zitting in het bestuur, met als doel te zorgen voor continuïteit omdat de Joodse soldaten na een periode van legerplaats wisselen. Wel laat hij weten dat hij te weinig tijd heeft om op volle kracht mee te kunnen draaien in het bestuur. Vanwege het grote belang van het project stemt hij onder voorwaarden in - het bestuur verdeelt onderling de taken waarbij er rekening wordt gehouden met hetgeen Jozeph toegewezen krijgt.

In de zomer van 1922 verlaat het gezin Harderwijk en vestigt zich in Apeldoorn. Ze gaan wonen in de Kerklaan, in het pand met nummer 25 (later wordt dit omgenummerd naar nummer 37). Jozeph wordt genoemd als commissionair, waarin hij handelt is onbekend gebleven. Wel plaatst hij in 1923 enkele advertenties in de plaatselijke krant waarin hij op zoek is naar woonruimte. De omschrijvingen maken duidelijk dat hij geen woonruimte zoekt voor zijn eigen gezin: ‘Te koop of te huur gevraagd voor 2 menschen’ en in een andere oproep: ‘Voor klein gezin zonder kinderen’.

Jarenlang besteedt Rozette Saartje een deel van haar vrije tijd aan de Nederlands Israëlitische damesvereniging ‘Ateres Nosjiem’. In 1927 wenst het gezin in het Nieuw Israëlietisch Weekblad eenieder een voorspoedig Joods Nieuwjaar. Iets dat zij ook in Harderwijk deden (1913, 1920).

In mei 1929 trouwt Betsie Saartje, de dochter van Jozeph en Rozette Saartje, op 24-jarige leeftijd met Simon de Jong. Maurits Meijer, de broer van Rozette Saartje, is getuige bij het huwelijk. Jozeph, hun vader, wordt in de trouwakte van zijn dochter genoemd als koopman.

In maart 1931 is Jozeph betrokken bij een prijs die door een plaatselijke slager is uitgeschreven. De advertentie noemt Jozeph als verstrekker van een bokaal, of zal deze aan de winnaar overhandigen. Jozeph is ook lid van de Oranjevereniging, afdeling ‘het centrum’, in ieder geval een periode lang als penningmeester. In deze hoedanigheid plaatst hij frequent krantenadvertenties waarin hij aanbestedingen uitschrijft voor uitbaters die op georganiseerde feesten willen staan. Hij zoekt onder meer de volgende faciliteiten: een rijwielbewaarplaats, fruitkraam, paling- en zuurkraam, speelgoedkraam en een rookwarenkraam. Op een ander moment zoekt hij uitbaters van onder meer een draaimolen, hoeplatent, gebakkraam, een zweefmolen en een schiettent. Jozeph bezit landbouwgrond en vastgoed, af en toe verkoopt hij percelen met hooigras en haver.

In mei 1931 treedt zoon Maurits Meijer in het huwelijk met Alida de Jong. Waar Maurits Meijer drie jaar eerder getuige was van het huwelijk van zijn zus Betsie Saartje en zwager Simon de Jong (niet te verwarren met de naam van de vader van Alida de Jong, ook hij heet Simon de Jong), is het nu de beurt aan de zus van Maurits Meijer om deze erefunctie op zich te nemen.

Begin jaren dertig wordt in Apeldoorn wandelvereniging ‘De Trekvogels’ opgericht. Joseph is beschermheer van deze vereniging, die zich profileert als ‘de eerste Apeldoornse wandelclub’. De vereniging organiseert in Apeldoorn grootschalige wandelevenementen en doet mee aan marsen door Nederland. Jongeren lopen afstanden van 20 tot 30 kilometer, ook is er een route van 40 kilometer. Bij het vijfjarig jubileum wordt Jozeph bedankt voor zijn inzet en krijgt hij een souvenir aangeboden, mogelijk betreft dit een nieuwe clubvlag. De leverancier blijkt de vlag echter niet op tijd te hebben kunnen produceren - er wordt toegezegd dat deze bij de eerstvolgende mars getoond zal worden. Datzelfde jaar wordt er een groot evenement georganiseerd, waarbij wandelgroepen vanuit Maastricht, Den Haag en Leeuwarden, via andere plaatsen, elk een oorkonde richting Apeldoorn brengen, om deze aan de koningin te overhandigen. De vereniging wint verschillende keren prijzen voor het marcheren. 

In de jaren tachtig blikt een toenmalig bestuurslid in brieven terug op de afgelopen decennia. In het bijzonder schrijft hij enkele keren over Jozeph en niet bij naam genoemde Joodse leden: ‘... juist omdat voor de oorlog De Trekvogels steeds werd aangeduid, ondanks zijn Joodse beschermheer, als een NSB-club … Maar in de oorlog vielen er velen van ons.’ En: ‘... en een juniorclub onder mijn leiding, met veel Joodse kinderen, dat gaf mij in de oorlog nog moeilijkheden.’ Hieruit valt op te maken dat de vereniging de Joodse leden uiteindelijk heeft moeten uitschrijven en dat ook Jozeph niet meer betrokken mocht zijn. Jozeph wordt ook genoemd als vice-voorzitter van de VVV. 

In 1933 is Jozeph met onder meer Jacques Lobstein (1883-1945) en Hillegonda Polak-Drilsma (1902-1942) lid van het comité dat geld probeert in te zamelen voor het Centraal Israëlitische weeshuis ‘Machseh Lajesoumim’ in Leiden. Van het weeshuis is ruim honderdduizend gulden gestolen (omgerekend naar het heden ruim € 1 miljoen), wat betekent dat het de reguliere kosten niet meer kan betalen van de vrijgekomen rente, zoals tot dan toe. De malversatie is landelijk nieuws. Het plaatselijke comité roept de hele bevolking van Apeldoorn op om geld te doneren. In de jaren dertig wordt Jozeph eerst een van de kerkbestuurders, daarna wordt hij kerkvoogd van de geloofsgemeenschap. In de notulen (1937) van de plaatselijke Nederlands Israëlitische Gemeente staat deze functie (gedeeltelijk) als volgt omschreven: ‘Voor welke benoeming in aanmerking komen alle leden van de gemeente boven de leeftijd van dertig jaar, voorzover zij in bezit zijn van alle rechten. Een kerkvoogd heeft de leiding tijdens de dienst waarvoor hij is aangewezen en beslist in alle voorkomende gevallen, zo nodig in overleg met de aanwezige leden van het kerkbestuur.’ Jozeph is tevens technisch adviseur van de kerkenraad.

Erfgoedcentrum Achterhoek & Liemers, Historisch Centrum Overijssel en Harderwijk Streekarchivariaat. Afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork, CODA Archief Apeldoorn, Digitaal Joods Monument, Erica adresboek van Apeldoorn, het Gelders Archief, ITS Archiv Bad Arolsen (International Tracing Service), het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters, Yad Vashem, het Nationaal Archief en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten).

13 september 2023