Verhaal

Anoniem gedeporteerd

De deportatie van Bloeme de Beer en Sara van Weezel uit een psychiatrische instelling in Warnsveld

Door: John Stienen

Tot de Tweede Wereldoorlog bestond het Oude en Nieuwe Gasthuis in Zutphen uit twee vestigingen: het Binnengesticht aan de Gasthuisstraat 18 in Zutphen en het Buitengesticht, of Groot Graffel, in Warnsveld. In beide vestigingen bevonden zich voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog Joodse patiënten, onder wie Bloeme de Beer en Sara van Weezel. 

Met de Joodse gemeenschap in Zutphen waren afspraken gemaakt, bijvoorbeeld over de kasjroet en de geestelijke verzorging van de Joodse patiënten in de overwegend protestantse instelling.

Bloeme de Beer werd op 21 december 1878 geboren in Martenshoek bij Hoogezand. Ze was de oudste dochter in een kinderrijk gezin. Op 23 september 1887, op 8-jarige leeftijd, werd ze in Groningen geplaatst in het ‘Instituut voor doofstommen’, dat gesticht was door Henri Daniel Guyot. Haar oudste broer Israël, die vier jaar ouder was, zat toen al zeven jaar in de instelling. Hij keerde in 1892 terug naar huis, Bloeme vijf jaar later op 29 juni 1897. Israël werd op 1 juli 1909 bij de opening geplaatst in het Apeldoornsche Bosch, alwaar hij op 5 april 1920 op 46-jarige leeftijd overleed. Bloeme bleef voorlopig thuis wonen. Ruim een jaar na het overlijden van haar moeder op 7 mei 1918 liet haar vader Abraham haar in augustus 1919 opnemen in het Groot Graffel in Warnsveld.

Sara van Weezel is geboren op 13 september 1883 in Amsterdam. Ze was de vierde dochter in een gezin dat uiteindelijk acht kinderen zou tellen. Bij haar geboorte woonde het gezin aan de Zeedijk, om de hoek bij de Nieuwmarkt. Haar vader Salomon was diamantslijper. Toen Sara vierenhalf was werd ze voor het eerst opgenomen in de Gestichten onder beheer van het Nederlands Israëlisch Armbestuur te Amsterdam aan de Nieuwe Kerkstraat. Ze bleef daar tot 1890. Nadat haar vader op 11 september 1896 overleed, volgde haar tweede opname op 31 oktober 1896 in dezelfde instelling. Op 5 februari 1898 keerde ze terug naar het gezin dat toen nog bestond uit haar moeder en haar zussen. Op 5 augustus 1912, kort voor haar negentwintigste verjaardag, werd ze op verzoek van haar zus Cato voor rekening van de gemeente Amsterdam geplaatst in het Provinciaal Ziekenhuis nabij Santpoort. Op 1 december 1919 werd ze overgeplaatst naar Duin en Bosch in Bakkum, gemeente Castricum.

Joodse patiënten in niet-Joodse instellingen tijdens de Tweede Wereldoorlog

Op 30 april 1942 verzocht Obermedizinalrat dr. Gero Reuter, hoofd van de Abteilung Volksgesundheit, aan Secretaris-Generaal Frederiks van Binnenlandse Zaken, waaronder het Staatstoezicht op Krankzinnigen en Krankzinnigengestichten viel, om opgave te doen van het aantal Joodse psychiatrische patiënten in Joodse en niet-Joodse instellingen.

Op 21 mei rapporteerde inspecteur Pameijer van het Staatstoezicht de aantallen in de gestichten in Noord- en Zuid-Holland. Op dat moment bevonden zich in Duin en Bosch vijf mannelijke en negen vrouwelijke Joodse patiënten. Op 4 juni rapporteerde inspecteur Audier over de Joodse patiënten in het noorden en oosten van het land. In het Oude en Nieuwe Gasthuis bevonden zich vier mannelijke en vijf vrouwelijke Joodse patiënten.

In verband met de plannen die de bezetter had met de bouw van de Atlantikwall werden tussen 1941 en 1943 acht van de negen in het kustgebied gelegen psychiatrische instellingen geëvacueerd. De patiënten en personeel werden verdeeld over vijftien instellingen elders in het land. Sara van Weezel was een van de patiënten van Duin en Bosch die op 17 juni 1942 naar Warnsveld werden overgebracht.

De toestand van Bloeme en Sara tijdens de oorlog

Op grond van de Krankzinnigenwet 1884 moest de machtiging voor psychiatrische patiënten die gedwongen waren geplaatst in een instelling jaarlijks worden verlengd. Voor de verlenging, die door de arrondissementsrechtbank werd verleend, moesten de instellingen een staat bijhouden van de ontwikkeling van hun patiënten. 

Op 9 september 1941 werden voor Bloeme de Beer de aantekeningen door derde geneesheer Alida Steenhuisen ingediend bij de rechtbank in Zutphen. Voor juni 1941 noteerde ze: ‘Kan zich niet uiten, daar zij doofstom is.’ In september 1941 was Bloeme ‘onbegrijpelijk, ook in haar brieven, een hulpbehoevende doofstomme imbeciele vrouw’. Het eindoordeel luidde dat Bloeme de Beer ‘bij voortduring in een krankzinnigen toestand verkeert, gepaard gaande met imbecilitas, buien van opwinding, waarin ze met alles gooit, wat in haar bereik is, prikkelbaarheid, agressief optreden’.

Op 20 augustus 1942 stelde geneesheer Marius ten Raa van Duin en Bosch de geneeskundige aantekeningen op voor Sara van Weezel. In oktober 1941 kon ze slechts gebrekkig spreken en lopen, in februari 1942 kon ze zich vrijwel alleen door gebaren of ongearticuleerde geluiden uitdrukken. Zijn conclusie luidde ‘Geheel op hulp en toezicht van anderen aangewezen, soms door onrustbuien storende lijderes aan gebrekkige ontwikkeling der verstandelijke vermogens, die verder aangewezen blijft op gestichtsverpleging.’

Deportaties van Joodse patiënten uit Zutphen en Warnsveld

Inspecteur Audier, die aanwezig was geweest bij de ontruiming van het Apeldoornsche Bosch op 21 januari, werd begin april 1943 op de hoogste gesteld van de deportatie van de Joodse patiënten in Zutphen, zoals blijkt uit een telefoonnotitie:

6-4-1943. 11:30 Per telefoon van den Rentmeester van het O. en N. Gasthuis. Vanmorgen kwam de plaatselijke politie de Joodsche patiënten uit het Binnengesticht halen. Dr. Van Bork weigerde medewerking en is door de politie medegenomen. De afdelingsgeneesheeren De Bois en De Haan zullen de patiënten medegeven. Het zijn 1 man en 4 vrouwen [sic].

 Twee dagen later werd Van Bork vrijgelaten en rapporteerde Audier over het vervolg, waaronder de deportatie uit Warnsveld: 

9-4-1943. Per telefoon van Dr. Van Bork. Is 8-4 der n.m. in veiligheid gesteld. Men heeft hem naar Arnhem overgebracht waar iemand van de Duitsche politie hem heeft verzocht medewerking te verleenen tot het opgeven der joodsche patn in het Buitengesticht op voorwaarde dat zij naar een ziekeninrichting voor joden welke was ingericht te Zutphen zouden gaan. Inmiddels zijn ook de joden uit deze ziekeninrichting weggevoerd w.sch. naar Westerbork.

Op 8 april werden in totaal veertien patiënten uit Warnsveld uitgeschreven als ‘niet hersteld’. Het ging daarbij om: Ludwig Alexander (48), Bloeme de Beer (64), Sara Cohen (54), Celina Dekker-Rueff (60), Grietje de Groot-Akker (84), Charlotte Grünebaum (54), Cato Konijn (49), Sara Lopes Diaz (31), Samuel Abraham Markus (76), Rosa Meyer-Cohen (81), Alberdina Speijer (74), Marianna Velmans-Cohen (62), Mietje Vomberg-de Horst (76) en Sara van Weezel (59). De zogenaamde ‘ziekeninrichting voor joden’ die door Audier wordt genoemd was een dekmantel voor een uitgestelde deportatie naar Westerbork, die inderdaad plaatsvond in de avond van de negende april.

In de patiëntenadministratie staat over de deportatie van Bloeme de Beer de volgende aantekening:

De 1e geneesheer v/h gesticht te Warnsveld verklaart, dat B. De Beer als niet hersteld is overgebracht naar het Isr. Noodziekenhuis te Zutphen. Z. 8 April 1943. De geneesh. voorn. [P. Van Bork].

Een vergelijkbare aantekening komt voor op de inschrijving van Sara van Weezel. Omdat Sara geëvacueerd was, staat er ook een aantekening in een speciaal schriftje dat werd bijgehouden voor de evacués: ‘n[iet] h[ersteld] ontslagen 8 April 1943’.

Geneesheer M.J. Ten Raa, die een dagboek bijhield, noteerde op 8 april 1943:

Mej. S. Van Weezel (reg. Nº 2511) en Mevr. M. Velmans-Cohen (reg. Nº 4466) zijn heden overgebracht naar een Joodsche ziekeninrichting in Zutphen en afgeschreven uit de registers van O. en N. Gasthuis.

Deportatie van Westerbork naar Sobibór: de cartotheek en transportlijsten

In de cartotheek van de Joodse Raad bevinden zich voor twaalf van de veertien patiënten uit Warnsveld kaartjes; van Bloeme de Beer en Sara van Weezel zijn er geen kaartjes in de cartotheek. Negen van de twaalf patiënten uit Warnsveld van wie een kaartje aanwezig is, zijn op 13 april op transport gegaan naar Sobibór.

De transportlijst van 13 april is ingedeeld per plaats van waaruit de personen zijn gedeporteerd. Vanuit ‘Zutphen’ gaat het om zestien patiënten. Eén Joodse patiënt is gedeporteerd uit het Sint-Walburgis Ziekenhuis, negen uit Warnsveld (via Zutphen) en vijf uit Zutphen zelf. De zestiende persoon uit ‘Zutphen’, onderaan de lijst die verder alleen bestaat uit patiënten uit Zutphense instellingen, is een ‘onbekende vrouw’. Van zes van de zestien gedeporteerden is een persoonsbewijs ingenomen, allen patiënten uit Zutphen. Van Warnsveldse patiënten is geen aantekening gemaakt over ingenomen persoonsbewijzen.

Op 14 april overleed Mietje Vomberg-De Horst in Westerbork. Zij is dus niet gedeporteerd.

Op de transportlijst van 20 april komen Grietje de Groot-Akker en Rosa Meyer-Cohen uit Warnsveld voor. De volgende opgave op diezelfde bladzijde bestaat uit:

Folgende Personen aus einem unbekannten Orte sind am 20.4.43 via Lager Westerbork abgereist:
Geisteskranke Frau - ?                  ?                      ?
   "                        - Mietje           ?                      ?

Bloeme de Beer en Sara van Weezel komen (onder hun eigen naam) op geen enkele transportlijst voor.

Anoniem gedeporteerd?

Volgens de administratie van het Oude en Nieuwe Gasthuis zijn op 8 april 1943 in totaal veertien patiënten van Warnsveld overgebracht naar het ‘Israëlisch Noodziekenhuis in Zutphen’. Volgens de telefoonnotitie van inspecteur Audier zijn de patiënten vervolgens ‘waarschijnlijk’ naar Westerbork weggevoerd. Op de kaartjes in de cartotheek van de Joodse raad van twaalf van de veertien Joodse patiënten uit Warnsveld staat ‘9 april’ of ‘9/10 april’ als aankomstdatum in Westerbork.

De Joodse patiënten uit Warnsveld zijn die avond zonder verpleegkundig personeel of begeleiders vervoerd van Zutphen naar Westerbork. Geen van hen beschikte over een persoonsbewijs.

Van twee Joodse patiënten die op 8 april van Warnsveld naar Zutphen zijn vervoerd is geen kaartje aangetroffen in de cartotheek. De ene, Bloeme de Beer, was een ‘hulpbehoevende doofstomme imbeciele vrouw’ en de andere, Sara van Weezel, kon zich vrijwel alleen door gebaren of ongearticuleerde geluiden uitdrukken. Bloeme de Beer en Sara van Weezel konden, zelfs als ze hun eigen naam gekend hebben, hun eigen naam niet noemen bij aankomst in Westerbork.

Op de transporten van 13 en 20 april 1943 naar Sobibór bevonden zich, naast onder andere de patiënten uit Zutphen en Warnsveld, drie vrouwen van wie de identiteit niet is vastgesteld:

  • 13 april: een onbekende vrouw uit Zutphen (tussen de (psychiatrische) patiënten);
  • 20 april: Mietje, een onbekende krankzinnige vrouw;
  • 20 april: een onbekende krankzinnige vrouw.

Tegenover deze drie anoniem gedeporteerde onbekende krankzinnige vrouwen, staan twee vrouwelijke Joodse psychiatrische patiënten met een spraakbeperking die met de overige patiënten uit Warnsveld op 8 april zijn weggehaald uit Warnsveld. De groep van veertien niet-zelfredzame patiënten is in de avond van 9 april, zonder begeleiders en zonder persoonsbewijzen, aangekomen in Westerbork.

De Commissie tot het doen van Aangifte van Overlijden van Vermisten

Na de oorlog, in juni 1949, werd de 'Wet, houdende voorzieningen betreffende het opmaken van akten van overlijden van vermisten' van kracht. Op grond van deze wet deed de Commissie tot het doen van Aangifte van Overlijden van Vermisten onderzoek naar de Joodse Nederlanders die waren gedeporteerd.

Pas op 16 november 1960 werd een onderzoek ingesteld naar Bloeme de Beer. De aanleiding was een verzoek van notaris Pik uit Groningen van 12 november, die zelf al concludeerde dat ‘men gevoeglijk [kan] aannemen, dat betrokkene is overleden’. Hij had daarvoor al geïnformeerd bij de gemeente Warnsveld, die hem had gemeld dat Bloeme op 23 december 1943 uit de bevolkingsadministratie was afgevoerd als ‘vertrokken onbekend waarheen’. Op 20 juni 1961 kreeg notaris Pik antwoord van de commissie: men zal niet overgaan tot het doen van aangifte van overlijden ‘aangezien niet is kunnen blijken dat betrokkene is gedeporteerd en/of overleden.’ In de daaropvolgende jaren wendden zich nog drie notarissen, die belast waren met de afwikkeling van nalatenschappen van familieleden van Bloeme, zich tot de commissie, maar allen ontvingen hetzelfde antwoord.

Van Sara van Weezel is geen dossier bekend bij de Commissie tot het doen van Aangifte van Overlijden van Vermisten. Zij werd op 14 december 1943 uit de bevolkingsadministratie van Warnsveld afgevoerd als ‘vertrokken onbekend waarheen’. Haar persoonskaart werd vervolgens naar Den Haag opgestuurd, waar deze zich nog steeds bevindt in het Vestigingsregister: ze is nooit teruggekeerd naar een Nederlandse gemeente.

Conclusie

Hoewel de omstandigheden de stelling ondersteunen dat Sara van Weezel en Bloeme de Beer net als hun lotgenoten in de late avond van 9 april 1943 naar Westerbork gedeporteerd zijn, zijn ze daar nooit in de cartotheek terechtgekomen. Zonder begeleiders en zonder persoonsbewijs zal het, gezien de beperkte geestelijke en fysieke vermogens van beide vrouwen, onmogelijk zijn geweest om Sara en Bloeme te identificeren.

Het is aannemelijk dat één van beide vrouwen op 13 april, als ‘onbekende vrouw’ (no. 16 op de lijst van Zutphen), en de andere op 20 april, als ‘Geisteskranke Frau’ die afkomstig was ‘aus einem unbekannten Orte’, naar Sobibór is gedeporteerd.

Zie ook: De onbekende vrouw in Sobibor.

Belangrijkste bronnen:

  • NL-ZuRAZ, 110 Inventaris van het archief van het Oude en Nieuwe Gasthuis te Zutphen (1842-1990), inv. nr. 1001 no. 4947.
  • NL-ZuRAZ, toegang 110, inv. nr. 1020 no. 2511.
  • NL-HaNA, BiZa / Armwezen, 1918-1947, 2.04.55, inv.nr. 630.
  • NL-AhGldA, 0517 Arrondissementsrechtbank en Parket van de Officier van Justitie te Zutphen, inv. nr. 2681, nummer 2690.
  • NL-HlmNHA, 485 Arrondissementsrechtbank Alkmaar, inv. nr. 956.
  • NL-HaNA, Isp. Staatstoezicht Krankzinnigen, 2.15.40, inv.nr. 1103.
  • NL-HaNA, Justitie / Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), 2.09.09, inv.nr. 108722 (PF Arnhem dossier E18950).
  • NL-ZuRAZ, toegang 110, inv. nr. 812.
  • NL-HlmNHA, 637 Directie van het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch te Castricum (Bakkum), inv. nr. 243, fol. 0025.
  • NL-HaNRK, 2050 Collectie Vervolging en de reconstructie van de lotgevallen na WOII (Nederlandse Rode Kruis), inv. nr. 613, fol. 63.
  • NL-AsdNIOD, 804 Onderzoek - Vernietigingskamp Sobibor, inv. nr. 56, fol. 160.
  • NL-HaNRK, toegang 2050, inv. nr. 614.
  • NL-HaNA, Justitie / Vermiste Personen, 2.09.34.02, inv.nr. 612, nummer 117399.