Verhaal

In Memoriam

Philipp Deutsch is de zoon van Julius Deutsch en Hermine Deutsch-Danziger. Hij wordt geboren in het Poolse Breslau (nu: Wroclaw).

Op een onbekende datum woont Philipp, al dan niet al gehuwd, in Duitsland.

Philipp trouwt op 16 mei 1911 met Marianne Rosenstern. De plechtigheid vindt plaats in Londen. Philipp heeft in ieder geval één broer, Walter, over hem en eventuele andere gezinsleden zijn geen nadere gegevens bekend.

Philipp en Marianne verlaten op een onbekende datum Groot-Brittannië en gaan naar Duitsland. De dreiging van de Eerste Wereldoorlog, of ‘de Grote Oorlog’, of de mobilisatie, in de aanloop van deze oorlog, kan hier een reden voor zijn geweest.

Tijdens de Grote Oorlog doet Philipp dienst in het Duitse leger. Voor zijn verdiensten als frontsoldaat wordt hem het ‘Ehrenkreuz des Weltkrieges’, ook wel ‘Ehrenkreuz für Frontkämpfer’, toegekend, onderscheidingen die twintig jaar na de start van ‘de Grote Oorlog’ beschikbaar kwamen.

Philipp is handelsagent. Het echtpaar heeft als laatste woonadres Wissmannstrasse 22 in Berlijn-Grunewald. Vanaf 17 november 1937 woont het echtpaar in Rotterdam. Al dan niet na een periode van quarantaine betrekken ze een huis in de Rotterdamse wijk Schiebroek, adres: Iepenlaan 25. Op de vluchtelingen-registratiekaart van Marianne wordt zij huisvrouw genoemd, en Philipp koopman.

Het echtpaar helpt in 1939 Hans Ludwig Rosenstern, die dan zestien jaar is, om naar zijn familie in New York te vluchten. Door zijn achternaam lijkt het zeer aannemelijk, dat hij familie is van Marianne. Deze Hans Ludwig noemt het echtpaar Deutsch in een latere brief ook ‘oom en tante’. In 2018 is er in de Verenigde Staten nog een echtpaar in leven dat dit verhaal bevestigt, maar helaas geen nadere informatie heeft.

Het echtpaar Deutsch woont vanaf 8 oktober 1940 in Apeldoorn, op het adres Hoofdstraat 204. Dit is het adres waar de eveneens uit Duitsland gevluchte Gretchen Wolfsberg-Friedheim (1877-1943) met haar twee volwassen zoons woont. Het vertrek van het echtpaar Deutsch uit Schiebroek is een gevolg van de verordening die alle in Nederland wonende Duits Joodse vluchtelingen verplicht het kustgebied te verlaten; de kuststreek wordt in de periode van de Slag om Engeland een verdedigingslinie waar zij niet in de buurt mogen wonen. Het ‘kustgebied’ is een ruim begrip en betrof bijna 400 gemeenten, waaronder: Alkmaar, Heemstede, Haarlem, Leiden, Den Haag, Rotterdam, Dordrecht, Breda, Roosendaal, Middelburg en Vlissingen. Het echtpaar krijgt slechts enkele dagen de tijd om van woonplaats te veranderen. Hun verblijfsvergunning voor Schiebroek wordt daarbij ingetrokken. Loe de Jong schrijft in zijn boek Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog: ‘De strekking van deze maatregelen was, het verrichten en doorgeven van waarnemingen die van militair belang konden zijn, te bemoeilijken’. Of zoals te lezen bij een andere bron: Juist deze vluchtelingen zouden tijdens de Slag om Engeland mogelijk lichtsignalen vanuit het kustgebied kunnen zenden naar de [lees: in Duitse ogen] vijandelijke schepen. Het is aannemelijk dat Philip en Marianne tussen hun vertrek uit Schiebroek en hun intrek op het adres Hoofdstraat 204 eerst tijdelijk (elders) in bijvoorbeeld een pension hebben verbleven.

Philipp en Marianne verhuizen op 2 april 1941 naar Bas Backerlaan 3. In dit huis woont in ieder geval nog een uit Duitsland afkomstige Joodse man, hij zal de oorlog overleven. Zeven maanden later overlijdt Marianne in het ziekenhuis aan apoplexie, ofwel een beroerte. De rouwadvertentie spreekt van ‘een overlijden na een kortstondig lijden’.

Uit de overlijdensverklaring wordt duidelijk dat Philipp en Marianne drie kinderen hebben, van wie tenminste één zoon of dochter gehuwd is. Het eerder aangehaalde echtpaar uit de Verenigde Staten is op de hoogte van brieven waarin de namen Wilhelm en Annemarie worden genoemd; het is echter niet met zekerheid te zeggen, dat dit de kinderen van het echtpaar zijn. De eveneens Joodse Kaatje van Gelder (1869-1942) woont ook enige tijd in het huis aan de Bas Backerlaan.

In Apeldoorn staat Philipp vermeld als koopman, het is niet bekend waarin hij handelt. Een andere bron noemt hem in Nederland handelsagent en taalleraar. Door de Duitse bezetters wordt het Philipp gedurende de oorlog onmogelijk gemaakt nog verder handel te drijven.

Vanaf 1 mei 1942 werkt Philipp bij het Apeldoornsche Bosch als verzorger van de niet-Nederlandse Joden. Dit is een functie die onder de Joodsche Raad valt. Twee dagen later moet Philipp, zoals alle Joden van zes jaar en ouder, in het openbaar een Jodenster op zijn kleding dragen.

In de nacht van 17 op 18 november 1942 vinden er in Gelderland in verschillende plaatsen grote razzia’s plaats. In Apeldoorn wordt een onbekend aantal Joden uit hun huizen gehaald en lopend naar het plaatselijke treinstation geleid. Van daaruit worden ze per trein naar Kamp Westerbork gedeporteerd. Onder hen is Philipp. Een andere bron vermeldt wel een aantal en spreekt over zevenenzestig opgepakte Joden.

Philipp wordt aansluitend in Kamp Westerbork geregistreerd. Op maandag 11 januari 1943 wordt hij met transport 43 naar Auschwitz gedeporteerd. Het transport telt vijftien wagons en in totaal 750 gedeporteerden. Aangekomen in Auschwitz wordt hij op donderdag 14 januari 1943 om het leven gebracht.

Bronnen: Betrokkenen bij het echtpaar Deutsch, Rijksarchief Wroclaw en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten). Digitaal Joods Monument, CODA Archief Apeldoorn, Erica adresboek van Apeldoorn, Yad Vashem, het Gelders Archief, afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork en het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters.

12 novemner 2021