Verhaal

In Memoriam

Samuel Hoogstraal wordt geboren in 1864, als zoon uit het huwelijk van borstelmaker Salomon Hoogstraal en Perlina Eckstein. Samuel heeft een broer met de naam Koppel, die in 1938 overlijdt.

Lucretia van der Hal wordt geboren in 1874, als de dochter van koopman Israël van der Hal en Hendrika van Dam. Later wordt als beroep van haar vader 'vleeschhouwer' vermeld. Zeker is dat het echtpaar behalve Lucretia nog tien andere kinderen krijgt. Drie van hen - Alida, Meijer en Grietje - sterven voor de Tweede Wereldoorlog. 

De ouders van Lucretia sterven respectievelijk in 1917 en 1929.

Op het moment dat de oorlog uitbreekt zijn nog zeven broers en zussen van Lucretia in leven, drie van hen sterven gedurende de oorlog in Nederland, drie anderen worden in de concentratiekampen omgebracht. Alleen haar zus Betje overleeft de oorlog. Zij sterft in 1957.

In de zomer van 1900 verhuist het gezin van Samuels broer Koppel van de provincie Groningen naar Amersfoort. Hier gaat Samuel bij het gezin inwonen. Hij wordt vermeld als borstelmaker.

Op 14 november 1900 treden Samuel en Lucretia met elkaar in het huwelijk, dat wordt gesloten in Usquert, waar Lucia is geboren. Beiden hebben twee van hun broers gevraagd als getuige bij hun huwelijk.

Op 25 februari 1902 bevalt Lucretia in Amersfoort van een dochter die de namen Perlina Hendrika krijgt. Zeven maanden later verhuizen Samuel en Lucretia naar Apeldoorn. Freerk Hoogstraal, een neef van Samuel en Koppel, woont dan al zeven jaar met zijn gezin in Apeldoorn. Hij is voorganger van de plaatselijke Nederlands Israëlitische Gemeente. Mogelijk heeft Freerk zijn neven gewezen op de mogelijkheden om in Apeldoorn werk te vinden op hun vakgebied.

Het echtpaar Hoogstraal-van der Hal gaat in de Roggestraat wonen. Ook Koppel en zijn gezin verhuizen naar Apeldoorn, waar zij een eigen woning betrekken. Samuel, Lucretia en Perlina Hendrika wonen maar kort in de Roggestraat, in 1903 worden zij in het adresboek vermeld met het adres Agathastraat, met de kavel-aanduiding CC 246.

Samuel en zijn broer Koppel krijgen in 1904 een vergunning voor het oprichten van een borstelfabriek. Hiermee wordt een begin gemaakt met een familiebedrijf: de machinale borstel-, bezem- en kwastenfabriek ‘De Ster’, gevestigd op het woonadres van Koppel. De fabriek wordt in de eerste vijf jaar enkele malen uitgebreid. Van de zonen van Koppel en Wilhelmina is bekend dat zij het vak van borstelmaker leren. In het bedrijf werken ook mensen die niet tot de familie behoren.

Op 5 augustus 1906 krijgen Lucretia en Samuel een zoon die ze Isidoor noemen. In augustus 1908 vertrekt Perlina Hendrika als zesjarig kind naar Usquert, het geboortedorp van haar moeder. Voor zover bekend gaat ze hier in haar eentje heen, in ieder geval zonder een van haar ouders. Ze blijft er negen maanden. De archivaris van de gemeente ‘Het Hogeland’ waar Usquert tegenwoordig onder valt, heeft van haar geen registratie kunnen vinden. Waar en waarom ze tijdelijk in Usquert woont, blijft dus onbekend. In mei 1909 komt ze naar Het Apeldoornsche Bosch; omdat ze zeven jaar is, kan het niet anders dan dat ze er als patiënte heen gaat en niet als medewerkster. Ze behoort tot de eerste lichting patiënten, de instelling is dan net geopend.

Tussen 1911 en 1913 verhuist het gezin Hoogstraal van de Agathastraat naar de Van Galenstraat, waar ze een huis betrekken op nummer 7.

In 1913 plaatst het echtpaar een familiebericht in het Nieuw Israëlitisch Weekblad, waarin ze de vader van Lucretia feliciteren met zijn zeventigste verjaardag en ook met het feit dat hij vijftig jaar dienst doet als sjochet (een gekwalificeerd ritueel slachter).

In de Eerste Wereldoorlog is de borstelfabriek aan de Oranjestraat aangewezen als één van de officiële distributiepunten voor brandstof. Door blokkades die de geallieerden opwerpen om de opmars van het Duitse leger te bemoeilijken, wordt de beperkt beschikbare brandstof in Nederland door de overheid gedistribueerd.

Samuel is vermoedelijk politiek geïnteresseerd, al is onbekend of hij actief is in een politieke partij. Hij wordt aangesteld als (plaatsvervangend) lid voor één van de stembureaus. Zeker is dat hij dat is in de jaren 1917, 1923, 1927 en 1931. De aanstelling is telkens voor een periode van vier jaar. 

In het eerste kwartaal van 1918 wordt Samuel benoemd tot bestuurslid van de Nederlands Israëlitische Gemeente, waarvan zijn neef Freerk Hoogstraal de voorganger is. Drie jaar later wordt Samuel verkozen tot voorzitter. Als vicevoorzitter wordt Justus Elzas (1889-1941) benoemd.

Lucretia is lid van de Nederlands Israëlitische damesvereniging ‘Ateres Nosjiem’. Andere bestuursleden zijn Henrietta Leefsma-Godschalk (1881-1943) en Betje Hoogstraal-de Bruin (1872-1943). In 1921 wordt Lucretia als bestuurslid herkozen, zeer waarschijnlijk is ze op dat moment al enkele jaren lid. Ze blijft lid tot in de oorlog. In 1923 doneert de vereniging een bedrag aan de Amsterdamse zorginstelling ‘De Joodse invalide’. Enkele keren wordt Lucretia in haar functie herkozen en bovendien vervult zij de rol van penningmeester (in ieder geval vanaf 1928). Bij de algemene jaarlijkse vergaderingen overlegt Lucretia telkens het financieel jaarverslag.

In 1925 keren drie volwassen neven van Samuel, Siemon (1897-1943), Izaäc (1895-1945) en Comprecht, terug naar Apeldoorn en zij nemen het familiebedrijf over van hun oom Samuel en hun vader Koppel. Mogelijk blijft Samuel nog wel bij het bedrijf betrokken; de borstelfabriek wordt in mei 1927 verplaatst naar het adres Julianastraat 3. Maar dit is van korte duur, daarna wordt het bedrijf weer gevestigd op het oude adres in de Oranjestraat (uiterlijk in de zomer van 1928).

Opvallend is dat wanneer in mei 1927 de borstelfabriek naar de Julianastraat wordt verplaatst, Samuel, samen met Jan Hilarius, naar de Kamer van Koophandel gaat waar beiden zich laten inschrijven als vennoten in een fabriek voor kunstvoorwerpen met de naam ‘De Uil’. Het vestigingsadres is Julianastraat 3, hetzelfde adres als dat van de borstelfabriek. Twee jaar later stapt Jan Hilarius uit het bedrijf en daarna gaat de zaak verder onder de eenvoudige naam ‘S. Hoogstraal’. In 1934 geeft Samuel het bedrijf opnieuw een andere naam: ‘Fabriek van etalage- en reclamefiguren'. In 1936 wordt zijn neef Izaäc, één van de drie neven die elf jaar eerder de borstelfabriek overnamen, de nieuwe eigenaar. Samuel doet in de hiërarchie een stapje terug, hij blijft wel procuratiehouder.

Perlina Hendrika verblijft in de tweede helft van de jaren twintig in Amsterdam (1926) en Den Haag, in beide gevallen is er geen registratie van haar gevonden. Een opname in een psychiatrische inrichting kan een verklaring zijn voor het feit dat ze in geen van beide steden in het bevolkingsregister is opgenomen, dan wel dat er geen registratie van haar teruggevonden is.

Eind jaren dertig woont Perlina Hendrika een periode in Groningen, dan keert ze weer terug naar haar ouders en daarna verhuist ze naar Rotterdam waar ze inwoont als huishoudster. Na zeven maanden komt ze opnieuw terug naar haar ouders in Apeldoorn. Op een onbekend gebleven datum vertrekt ze naar Enschede. Twee maanden voor de oorlog uitbreekt gaat ze opnieuw bij haar vader en moeder wonen.

Lucretia beheert in 1939 nog steeds of mogelijk opnieuw de kas van de damesvereniging ‘Ateres Nosjiem’. En ze is één van de sprekers die 1939 het woord voert tijdens het afscheid van Freerk Hoogstraal. Deze gaat, nadat hij vierenveertig jaar leiding heeft gegeven aan de plaatselijke Joodse gemeenschap, met emeritaat.

Op 28 november 1940 overlijdt Samuel na een langdurig ziekbed. Lucretia blijft op hetzelfde adres wonen, haar dochter Perlina Hendrika woont daar dan al zeven maanden. In februari 1942 gaat Perlina Hendrika in de huishouding werken bij het echtpaar Spanier in de Keizerstraat in Deventer. Met de echtelieden Spanier gaat ze later bij hun schoondochter inwonen, die in de Brinkgreverweg woont.

Zoon Isidoor is in 1940 al acht jaar getrouwd en woont in Apeldoorn met zijn gezin.

In de nacht van 17 op 18 november 1942 vinden er in Gelderland in verschillende plaatsen grote razzia’s plaats. In Apeldoorn wordt volgens de ene bron een onbekend aantal Joden uit hun huizen gehaald en lopend naar het plaatselijke treinstation geleid. Een andere bron vermeldt wel een aantal: zevenenzestig. Onder hen is Lucretia. Vanaf het station van Apeldoorn wordt ze per trein naar Kamp Westerbork gedeporteerd.

Lucretia zit een kleine week in het doorgangskamp opgesloten, tot ze op dinsdag 24 november 1942 op transport moet. Transport 38 vertrekt, met 709 gedeporteerden in tien wagons, naar vernietigingskamp Auschwitz en komt drie dagen later aan op het treinstation van Auschwitz. Van hieruit legt Lucretia de route af naar de gaskamers, waar ze om het leven wordt gebracht.

Haar dochter Perlina Hendrika wordt een maand later in het doorgangskamp geïnterneerd. Op dinsdag 16 februari 1943 vertrekt een trein uit het kamp met als eindbestemming Auschwitz. Perlina Hendrika behoort tot de 1108 gedeporteerden. Op vrijdag 19 februari 1943 komt de trein aan op het treinstation van Auschwitz. Perlina Hendrika wordt op dezelfde dag in een gaskamer om het leven gebracht.

Na de oorlog wordt door de regering het Nederlands Beheersinstituut (NBI) opgericht, met als doel het beheer van de vermogens van gedeporteerde Joden. Uit de gegevens die door het NBI zijn vastgelegd, blijkt dat de bedrijfspanden van het gezin Hoogstraal met de adressen Julianastraat 3, Havikstraat 4 en Oranjestraat 21 tot hun eigendom behoorden. Van de twee laatst genoemde panden is vastgelegd dat zij oorlogsschade hebben opgelopen.

Gemeente het Hoge Land, Archief Eemland (historische kranten) en Stichting struikelstenen Deventer. Afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork, CODA Archief Apeldoorn, Digitaal Joods Monument, Erica adresboek van Apeldoorn, het Gelders Archief, ITS Archiv Bad Arolsen (International Tracing Service), het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters, Yad Vashem, het Nationaal Archief en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten).

13 september 2023