Verhaal

In Memoriam

Berthold Krebs wordt geboren in 1913, als zoon uit het huwelijk van kleermaker Wolf Krebs en costumière Anna Heilfron. Het gezin is van Duitse komaf. Voor zover bekend blijft Berthold enig kind. In 1937 overlijdt de vader van Berthold. Zijn moeder wordt in mei 1943 in Sobibor om het leven gebracht.

In de tweede helft van 1933 komen de drie gezinsleden vanuit Berlijn naar Nederland; de vader en de moeder van Berthold komen respectievelijk in juli en september naar Amsterdam en Berthold volgt hen in oktober van datzelfde jaar. Als zijn beroep is tandarts geregistreerd. In latere bronnen wordt hij tandtechnicus genoemd (een tandtechnicus werkt doorgaans niet direct met patiënten). Op een lokale lijst met de titel ‘Opgave van niet-Arische vreemdelingen in Nederland’ staat bij Berthold: ‘Aangezien zijn werkzaamheden als tandtechniker in Duitschland niet meer konden worden uitgeoefend’. En: ‘Voorziet in zijn onderhoud als tandtechniker’. En als laatste is op deze lijst vastgelegd dat hij in het bezit is van een brief van de Polizei-Präsident, waarin hem het Duitse staatsburgerschap wordt ontnomen.

De ouders van Berthold bestieren aan huis een kleermakerij, regelmatig wordt in de krant om nieuw personeel gevraagd.

In april 1934 vertrekt Berthold voor enkele weken naar Maastricht, daarna keert hij terug naar het huis van zijn ouders. In oktober 1934 verhuist hij naar Apeldoorn, Korte Nieuwstraat 31. Ondertussen verlooft hij zich in de zomer van 1934 met Josephina Hendrika Litwer. 

Josephina Hendrika Litwer wordt geboren in 1911, als dochter uit het huwelijk van diamantslijper Joseph Litwer en Vrouwtje Noord. De vader van Josephina Henrika is van Russische komaf, haar moeder is net als zij geboren in Amsterdam. Het echtpaar krijgt nog een dochter die de namen Carolina Paulina krijgt. Zowel de ouders van Josephina Hendrika als haar zus worden in 1943 in Sobibor vergast.

In augustus 1921 vertrekt het gezin naar Antwerpen. Josephina is dan 9 jaar. Ze keren terug naar Amsterdam en vertrekken in december 1922 voor de tweede keer naar de Belgische stad. Ook ditmaal is hun verblijf van korte duur.

Eenmaal terug in Amsterdam verhuist Josephina nog een groot aantal keren.

Op 12 augustus 1936 treden Berthold en Josephina met elkaar in het huwelijk, de plechtigheid vindt plaats in Apeldoorn. Ze betrekken een woning in de Middellaan, op nummer 13. Ze zijn een van de echtparen die vanwege een huwelijk, of huwelijksjubileum geld hebben gedoneerd aan de 'Joodsche Invalide’, een Nederlandse instelling voor verpleging van Joodse bejaarden en gehandicapten in Amsterdam. In het gelijknamige maandblad wordt hun donatie vermeld.

Berthold en Josephina krijgen op 14 mei 1938 hun eerste kind, dat ze de naam Carola geven. In december 1939 komt een zoon ter wereld, Rudolph Willy Joseph. Acht maanden nadat Nederland zich heeft overgegeven aan nazi-Duitsland, januari 1941, wordt hun derde kind geboren, hij krijgt de namen Paul Berthold.

Omdat Berthold geen 'typisch Joodse voornaam’ heeft, moet hij, op bevel van de nazi’s, vanaf januari 1939 een stigmatiserende persoonsnaam aan zijn eigen voornaam toevoegen. De officiële naam van deze verordening luidt: ‘Zweite verordnung zur Durchführung des Gesetzes über die veränderung von Familiennamen und Vornamen’. Deze wet schrijft voor dat vanaf 1 januari 1939 alle Joden die Duits onderdaan zijn, maar geen 'typisch Joodse voornaam' dragen een tweede persoonsnaam aan hun naam moeten toevoegen (deze wet gold dus ook voor Duitse Joden die uit Duitsland waren gevlucht). De mannen worden verplicht ‘Israël' aan hun persoonsnaam toe te voegen en de vrouwen ‘Sara’. Op een lijst kan Berthold zien dat zijn voornaam als ‘niet typisch Joods’ wordt aangemerkt.

Op 25 juni 1940 ‘worden door ambtenaren van de Sicherheitspolizei tien mannelijke Joodsche ingezetenen dezer gemeente in bewaring gesteld’. Berthold behoort tot deze groep. Een andere man is Tobias Elzas (1914-1943), hij wordt opgepakt in zijn woning, er is in dit een huis namelijk een Duitse vluchteling gevonden. Het rapport beschrijft dat hij ‘samenwoont met één der gearresteerde Duitsche Joden. Gebleken is dat dit verhoor een onderzoek betrof naar het paspoort, de politieke antecedenten en de bestaansmiddelen dezer ingezetenen’. Van de tien Joodse dorpelingen worden er in de loop van de dag acht vrijgelaten, Jozef Hirsch (1887-1944) en Berthold blijven nog in hechtenis. Berthold wordt na ruim drie weken op last van een Duitse officier, een Hauptscharführer, in vrijheid gesteld. In januari 1942 neemt Berthold contact op met de politie: B. Krebs, wonende Middellaan 13 alhier, doet aangifte dat hij van een onbekenden turfventer 450 turven heeft gekocht en betaald, waarvoor hij dezen den desbetreffenden bon heeft afgegeven. Thans heeft die man maar 100 turven gebracht en blijft in gebreke de rest te brengen. Hij vraagt onderzoek.

Berthold wordt tussen drie en vijf oktober 1942 in Kamp Westerbork geregistreerd. Hij lijkt echter niet tot de grote groep Apeldoornse Joden te behoren, die in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 uit huis worden gehaald. Hoewel er geen documenten zijn, die zijn verblijf in een werkkamp onomstotelijk kunnen bevestigen, is het wel aannemelijk dat hij in een werkverschaffingsproject is terechtgekomen. Aanwijzingen hiervoor zijn de registratiedatum in Kamp Westerbork en het feit dat hij niet op de lijst staat met de namen van de Apeldoornse Joden die in dezelfde periode uit hun huizen zijn gehaald. 

Berthold wordt hoogstwaarschijnlijk in werkkamp ‘t Schut, in Ede vastgezet. Kort voor die tijd is hij door een NSB-arts aan de hand van een schijnconsult goedgekeurd voor een plek in een werkkamp. Zijn naam komt voor op een lijst met de titel ‘goedkeuring en wegzending’ die in de tweede helft van augustus 1942 is samengesteld.

Bertholds vrouw Josephina en hun drie kinderen staan wel op de lijst van personen die in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 uit hun huis zijn gehaald. Zij worden via Arnhem naar Hooghalen gedeporteerd. Mogelijk is het gezin al in Arnhem herenigd, anders in Hooghalen. In het doorgangskamp wordt het gezin ondergebracht in barak 40, een latere bron noemt barak 41.

Op dinsdag 16 februari 1943 wordt het gezin met transport 50 vanuit het kamp naar Auschwitz gedeporteerd. De trein met in totaal 1.108 gedeporteerden, komt op 18 februari 1943 aan op het overslagperron van Auschwitz. Berthold wordt door een SS-arts fit en sterk genoeg bevonden om dwangarbeid te verrichten. Samen met 199 andere mannen en 61 vrouwen krijgt hij, zoals dat toentertijd werd genoemd, ‘toegang’ tot het kamp. Josephina Hendrika, Carola, Rudolph Willy Joseph en Paul Berthold worden van Berthold gescheiden, waarna de nazi’s het proces vervolgen om hen om te brengen.

Berthold wordt in het vernietigingskamp geregistreerd, de volgende details worden over hem genoteerd: 1 meter 80 lang, een slank postuur, een ovaal gezicht, bruine ogen en blond haar, zijn gebit is in goede staat en hij beheerst naast zijn moedertaal ook het Nederlands. Berthold krijgt in het kamp nummer 103605 in zijn arm getatoeëerd.

Op grond van zijn beroep krijgt Berthold voorlopig uitstel van de dood. Hij vormt met enkele andere geïnterneerden een team van tandartsen (Block 21) die in Auschwitz I hun werk moeten verrichten. Het wordt in de documentatie omschreven als het ‘Zahnstation’ (tandheelkundig centrum). In de tandheelkundige kliniek in Auschwitz I wordt echter geen preventieve tandheelkundige hulp verleend, maar gaat het, in eerste instantie, om het verwijderen van tanden. Later, toen het aantal gespecialiseerde tandartsen en assistent-tandtechnici toenam, worden alle soorten tandheelkundige behandelingen en zelfs kaakoperaties uitgevoerd. De kliniek werkt samen met ‘collega's’ van het SS-Zahnstation. SS-tandartsen profiteren van de professionele kennis en assistentie van de geïnterneerde specialisten, zoals Berthold.

Berthold overleeft de bijna twee jaar waarin hij in Auschwitz dwangarbeid moet verrichten. Op het moment dat het Russische leger eind 1944 steeds meer terrein wint, krijgt de kampleiding van Auschwitz de bevoegdheid om, zodra het Rode Leger in zicht is, naar eigen inzicht te handelen. Ondertussen proberen de nazi’s zoveel mogelijk bewijs van de holocaust te vernietigen; enkele crematoria worden tot ontploffing gebracht, lijken worden opgegraven, maar ook bouwmaterialen en gestolen sieraden worden uit het kamp verwijderd.

Berthold behoort vermoedelijk tot de groep Joden die in bovengenoemde laatste oorlogsdagen dagen tot zo’n dodenmars wordt gedwongen, de indicatie hiervoor is zijn uiteindelijke aankomstdatum in kamp Mauthausen in Oostenrijk. In verschillende groepen worden de gevangenen te voet zuidwaarts van Auschwitz naar de Poolse plaatsen Brzeszcze en Jawiszowice gedreven. Vervolgens westwaarts naar Miedźna, Ćwiklice en Pszczyna. Daar worden twee verschillende routes gebruikt naar het treinstation van Wodzisław Śląski: de ene bovenlangs via Żory en de andere route onderlangs via Pawlowice naar Wodzisław Śląski, een voettocht van zo’n 60 kilometer. Vanaf dit treinstation worden de gevangenen naar andere concentratiekampen gedeporteerd.

Berthold wordt op 25 januari 1945 geregistreerd in kamp Mauthausen, en krijgt het nummer 117969 toegewezen. Ook hier worden zijn uiterlijke kenmerken genoteerd. Opvallend is dat nu zijn haarkleur als donker wordt omschreven. 

Auschwitz zou uiteindelijk op 27 januari 1945 worden bevrijd. Maar alleen al tussen 17 en en 21 januari 1945 worden 56.000 geïnterneerden met verschillende dodenmarsen, vanuit Auschwitz en de nevenkampen, naar andere concentratiekampen gedreven.

Op een onbekend gebleven datum wordt Berthold naar het oostelijker gelegen Nevenkamp Melk overgeplaatst, bij het gelijknamige stadje aan Donau. Hier wordt met de inzet van dwangarbeiders een ondergronds tunnelstelsel gemaakt, met een oppervlak van 65.000 m², oftewel een ondergrondse fabriek. Ongeveer een derde deel van de dwangarbeiders is Joods. Door deze inzet van geïnterneerden kan de productie van oorlogstuig voor de nazi’s nu ondergronds beter worden beschermd tegen de geallieerde bommenwerpers, van wie het bereik steeds groter wordt, voor een deel omdat er steeds meer grondgebied is bevrijd. Bovendien ondervinden de geallieerde vliegers steeds minder weerstand van vijandelijk luchtafweer en van Duitse jachtvliegtuigen. Ondergronds wordt gewerkt aan de vervaardiging van kogellagers voor legervoertuigen, de bouw van vliegtuigmotoren en de bouw van oorlogstuig zelf.

In kamp Melk zijn de omstandigheden erbarmelijk. Er is onvoldoende voeding, de gevangenen moeten hun werk verrichten met ongeschikte apparatuur. Dit zorgt voor onnodige verwondingen en de uitbraak van ziektes en epidemieën. Het heeft een groot aantal doden tot gevolg. Om die reden wordt besloten tot de bouw van een crematorium bij het bovengrondse deel van het kamp. Verzwakte dwangarbeiders worden overgeplaatst naar het hoofdkamp, Mauthausen. Op welke wijze Berthold als slaaf is ingezet is niet geregistreerd.

Op een onbekend gebleven datum wordt Berthold teruggeplaatst naar Mauthausen, waar hij wordt ondergebracht in het Sanitätslager (ziekenhuis). In latere documenten wordt de diagnose cellulitis genoemd, een pijnlijk en irriterende bacteriële ontsteking van het onderliggende bindweefsel (niet te verwarren met cellulite ofwel ‘sinaasappelhuid’). Op grond van die diagnose is het aannemelijk dat Berthold als patiënt, en niet als behandelaar, wordt geregistreerd. Gevangenen die door ziekte arbeidsongeschikt waren geworden, worden door de SS aangemerkt als nutteloos; er is nauwelijks medische zorg voor hen. Ze worden ten behoeve van medische experimenten overgeleverd aan SS-dokters, vermoord door een gifinjectie of in de gaskamers, of aan hun lot overgelaten in afgelegen delen van het kamp.

Na de bevrijding van Mauthausen op 5 mei 1945 wordt Berthold aangemerkt als ernstig verzwakt en om die reden door de geallieerden naar het eiland Mainau in de Bodensee overgebracht.

Op een registratielijst van 3 juni 1945 staat dat Berthold na de bevrijding van Mauthausen nog twee weken in het kamp is gebleven om te herstellen. Op 18 mei 1945 wordt hij overgebracht naar het eerder genoemde eiland. Opnieuw wordt cellulitis, aan de linkerhand, als aandoening genoemd. Dit zal vermoedelijk slechts één van de kwalen zijn waaraan hij lijdt, want alleen patiënten die in zorgelijke toestand verkeren, worden naar Mainau overgeplaatst. In deze periode worden verschillende documenten opgemaakt, Berthold wordt hierin afwisselend Nederlander en Fransman genoemd.

De eilanden Mainau en Reichenau in de Bodensee worden aangewezen als hersteloorden voor kampoverlevenden. Mainau is een ‘bloemeneiland’ met een landhuis. Het landhuis werd tijdens de oorlog gepacht door Organisation Todt, verantwoordelijk voor veel bouwprojecten, waarbij Joodse dwangarbeiders te werk werden gesteld. Het landhuis werd gerenoveerd en moest als rustoord voor nazi-officieren gaan dienen. Voor het zorg- en ondersteunende personeel werden enkele barakken gebouwd. Door de oprukkende geallieerde legers is het project ‘rustoord’ nooit gerealiseerd.

De kampoverlevenden krijgen in het landhuis en in de barakken op Mainau intensieve zorg in de hoop hen te laten herstellen van de verschrikkingen die zij hebben moeten doorstaan. Een overlevende beschrijft: “Overal in het huis stond nog eten en persoonlijke eigendommen. We sliepen in echte bedden. Dat er geen schoon beddengoed op lag, daar hielden we ons niet mee bezig”. Een Franse journalist berichtte over de situatie op Mainau: “In het park zie je bijna overal mannen met geschoren hoofd en vreemde blik. Hun kleding wappert om hun verschrikkelijk vermagerde ledematen. Ze lijken op zoek, zonder twijfel op zoek naar zichzelf.” En over door angst geconditioneerde gedrag dat de voormalige gevangenen hadden ontwikkeld : “Als ze aangesproken worden, schieten ze in de houding en nemen hun pet af. Ze weigeren hardnekkig deze weer op te zetten. Dan lijk je wel gek. Alleen tijd zal ze leren dat de Gestapo niet meer bestaat.”

Berthold is een van de verpleegden die uiteindelijk bezwijkt aan de doorstane ontberingen. Hij overlijdt op 27 juni 1945. Naast Berthold is de Rotterdamse Eugenie Nicolette Bril (1926-1945) de enige andere Nederlander die op dit eiland overlijdt.

Berthold wordt in 1946, samen met alle overledenen met de Franse nationaliteit - hij werd ook beschouwd als Fransman - opgegraven en naar het ereveld Les Vallons in Mulhouse in Frankrijk overgebracht (hemelsbreed 25 kilometer van het Zwitserse Basel). De eigenaren van het eiland Mainau, de adellijke familie Bernadotte, willen niet dat het eiland wordt geassocieerd met wat zich daar in de oorlog en kort daarna heeft voltrokken. Zij hebben daar overigens zelf de hand in gehad; Graaf Lennart Bernadotte verpachtte in de zomer van 1943 het eiland aan het Duitse Organisation Todt. Het leverde hem 5000 Reichsmark per maand op. Pas na enkele decennia werd er meer en ook zichtbaar aandacht besteed aan de oorlogsgeschiedenis.

Bronnen: Historisch Centrum Limburg, Stadsarchief Amsterdam, Afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork, CODA Archief Apeldoorn, Digitaal Joods Monument, Erica adresboek van Apeldoorn, het Gelders Archief, ITS Archiv Bad Arolsen (International Tracing Service), het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters, Yad Vashem, het Nationaal Archief en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten).

23 april 2023