Verhaal

In Memoriam

Jacob Gosschalk wordt in 1885 geboren als zoon van Benjamin Gosschalk, veehandelaar en slager, en van Eva Koopman. Naast Jacob krijgt het echtpaar nog acht kinderen. Vier van deze kinderen sterven in hun kinderjaren. Op het moment dat de oorlog in Nederland uitbreekt, zijn er nog twee broers van Jacob in leven, beiden overleven de oorlog.

De ouders van Jacob overlijden tien maanden na elkaar, in 1921.

De vader van Jacob bestiert een slachterij in Wijhe, die hij na het overlijden van zijn eigen vader, de opa van Jacob, heeft overgenomen. Jacob werkt ook in het familiebedrijf. Het bedrijf groeit uit tot een van de grootste exportbedrijven in zijn soort. Vanwege problemen met de hygiëne in het centrum van het dorp waar de slachterij staat, kopen de ouders van Jacob een stuk grond aan de rand van het dorp. Op de symbolische eerste steen die daar in 1915 wordt geplaatst, staan beide ouders genoemd.

In augustus 1916 vertrekt Jacob naar Zwolle, zijn (laatste) adres hier is de Sassenstraat 19.

Jacob verhuist in september 1917 vanuit Zwolle naar Heerde, waar hij in het bevolkingsregister wordt genoemd als exportslager. Vier jaar later geeft het register van de Kamer van Koophandel een vollediger beeld van het werk van Jacob op dat moment: hier wordt hij genoemd als directeur van een exportslagerij voor vleeswaren. De fabriek is gevestigd vlak bij het station van Heerde en wordt naast Jacob bestuurd door zijn broer Mozes en een niet verwante vennoot. De naam is eenvoudig: ‘Vleeschwarenfabriek Heerde’.

Diena Fredrika Frank wordt geboren in 1898, als dochter van vleeschhouwer David Frank en Aaltje Muller. Het echtpaar krijgt geen andere kinderen.

Op 7 september 1920 treden Jacob en Diena Fredrika met elkaar in het huwelijk, de plechtigheid vindt plaats in Rhenen. Diena Fredrika verhuist vanuit haar woonplaats Rhenen naar het adres van haar man in Heerde. Op 22 april 1922 wordt hun zoon Benjamin David geboren. In de eerste jaren van het huwelijk is Jacob directeur van de eerdergenoemde vleeswarenfabriek. De onderneming is te bereiken op telefoonnummer 2031.

In 1925 plaatst Jacob enkele krantenadvertenties in de Apeldoornse kranten. Hij noemt zijn zaak de ‘Nieuwe Vleeschhal’, de zaak is te bereiken op telefoonnummer 608. Hoewel Jacob en zijn gezin nog niet in Apeldoorn wonen, verwijzen de advertenties wel naar hem. Allereerst gebruikt hij ‘J.’ of ‘Jac.’ Gosschalk in de advertenties, en ten tweede sluit de vermelding van het latere faillissement dat in de krant (‘vroeger te Heerde, thans te Apeldoorn’) en in het bevolkingsregister wordt opgenomen, naadloos aan op de beschikbare informatie. Of Jacob de zaak door een ander heeft laten leiden, of dat het hele gezin deze periode in bijvoorbeeld een pension heeft verbleven is onbekend gebleven.

De zaak kende twee adressen: Arnhemseweg 150 en Stationsstraat 45. Wie in mei 1925 voor 2 gulden 50 vleeswaren kocht (omgerekend naar nu: € 20,-), kreeg 250 gram leverworst cadeau. Een halfjaar later liet hij de krantenlezers weten dat hij eerder die dag een vet jong paard had geslacht.

Opnieuw een jaar later lijkt het adres aan de Stationsstraat niet meer door Jacob in gebruik te zijn. Wel heeft hij opnieuw een tweede adres waar zijn klanten terechtkunnen: de 1e Wormenseweg 60.

In juli 1926 verhuist het gezin (formeel) naar Apeldoorn, ze gaan wonen aan de Arnhemseweg, in het pand met nummer 139, dicht bij het zakelijke adres met nummer 150.

In november 1926 draagt Jacob de zaak over aan een ander. Hij bedankt zijn klanten voor het genoten vertrouwen, en beveelt zijn opvolger van harte bij hen aan. Hierna lijkt Jacob zich te richten op de handel in bevroren vlees. In 1930 wordt er een faillissement op zijn naam uitgesproken, waarin hij wordt genoemd als slager. Op welke manier hij zijn geld verdient in de jaren daarna, is niet helemaal duidelijk geworden. 

Ook Diena Fredrika heeft een bedrijf op haar naam gehad. Er zijn slechts krantenberichten van het faillissement teruggevonden, hierin wordt ze aangeduid als: ‘D. F. Frank, echtgenoote van J. Gosschalk - Arnhemseweg 139’. Het is niet duidelijk geworden wat voor een type bedrijf dit is geweest.

In oktober 1931 verhuist het gezin naar een woning in dezelfde straat, het betreft het pand met nummer 169. Dit is ook het adres tijdens de oorlog.

Gedurende de oorlog wordt Jacob in de adresboeken telkens ‘exportslager’ genoemd. Op een registratiekaart van de afdeling Apeldoorn van de Joodse Raad van Amsterdam staat dat het beroep van Jacob vertegenwoordiger is en dat zijn werkgever Noack in Amersfoort is, een producent van fijne vleeswaren en vleesconserven. Hetzelfde document maakt duidelijk dat Jacob een doktersattest heeft: ‘Lijdende aan een aanzienlijke bloeddrukverhoging, die reeds tot lichte hersenbloedingen aanleiding heeft gegeven. Levensgevaar met zekerheid aanwezig geacht’. Ook wordt genoemd dat Jacob intransportabel is.

In de zomer van 1932 komt de moeder van Diena Fredrika in Apeldoorn wonen, ze gaat tweehonderd meter verderop in dezelfde straat wonen als haar dochter en schoonzoon. In de zomer van 1940 wordt de fiets van Jacob gestolen.

Benjamin David begint in juli 1942 als huisknecht bij het Apeldoornsche Bosch. Vermoedelijk is hij de ‘B. Gosschalk’ die in de zomer van 1940 wordt genoemd vanwege het behalen van zijn handelsdiploma aan de Van Kinsbergenschool.

Benjamin David wordt in werkkamp Lievelde (ook wel omschreven als: Lichtenvoorde) vastgezet, waar hij in een werkverschaffingsproject arbeid moet verrichten. Vanaf wanneer is niet meer na te gaan, wel staat vast dat de eerste Joodse mannen op 19 augustus 1942 in het Achterhoekse plaatsje worden binnengebracht. Op een document met de datum 15 september 1942 wordt hij samen met negen andere mannen genoemd in relatie tot het eerdergenoemde Lievelde/Lichtenvoorde. Onder deze negen namen zijn Joël Pijpeman (1916-1943) en Joël Denneboom (1901-1943). Benjamin David zelf wordt op deze lijst genoemd als medewerker binnen het rusthuis van Comprecht Nieweg (1908-1945), adres: Koppellaan 6.

De mannen moesten werken aan een betere afwatering van de Huttendijk. Er komen klachten uit de buurt: de Joodse mannen vallen de omwonenden lastig en vragen om eten. Er is echter ook een andere kant opgetekend: dorpelingen voorzien de Joodse mannen van extra eten.

Benjamin David wordt op 2 oktober 1942 met een trein vanaf station Lievelde overgeplaatst naar Kamp Westerbork. Het valt op dat zijn ouders in de daaropvolgende nacht niet uit hun huis worden gehaald, zoals dat wel gebruikelijk was: de persoon uit het werkkamp werd vervolgens in het doorgangskamp met zijn gezinsleden herenigd. Mogelijk komt dit omdat hij geregistreerd stond op het adres van zijn werkgever: het Apeldoornsche Bosch.

Nog dezelfde dag wordt hij naar ‘het Oosten’ gedeporteerd met 1.013 anderen, onder wie Samuel Abraham Knegje (1902-1943) en Levie Joseph Kats (1918-1943). Het betreft transport 24, de eerste trein die vertrekt vanuit het doorgangskamp zelf. De trein heeft als eindbestemming Auschwitz. Tachtig kilometer voor het vernietigingskamp stopt de trein in Kosel, om een deel van de gedeporteerden gedwongen uit te laten stappen. Benjamin David valt binnen de doelgroep die de Duitsers laten uitstappen. In totaal worden ongeveer driehonderd mannen gedwongen de trein te verlaten.

Benjamin David komt, mogelijk via andere werkkampen, terecht in het werkkamp Schoppinitz (nabij Katowice, in bezet Polen). Vanuit dit werkkamp wordt gewerkt aan de spoorlijn Berlijn-Krakau. Een getuigenis, opgetekend in het boek van L. de Jong beschrijft: Handschoenen hadden we er niet… Er moest hier gewerkt worden, al kleefde het ijzer als het ware aan je handen van de kou. En: Het kwam voor dat de Joden die hier werkten, zich uit wanhoop voor een locomotief of trein wierpen. De bij wet vastgestelde overlijdensdatum van Benjamin David is 31 oktober 1943. Hieruit is op te maken dat de exacte sterfdatum onbekend is en ook dat hij tot aan zijn dood dwangarbeid heeft moeten verrichten.

Jacob en Diena Fredrika worden op 19 januari 1943, samen met andere Apeldoornse Joden, op het terrein van het Apeldoornsche Bosch geïnterneerd. Er is een getuige die schrijft dat enkele Joden die deze dag geïnterneerd werden ‘allerlei bezit, tot aan meubelen aan toe’ vanuit hun huis naar het Apeldoornsche Bosch lieten overbrengen; het is goed denkbaar dat vele Joden geen enkel idee hebben gehad van hetgeen hen te wachten stond.

Na de ontruiming van deze Joodse psychiatrische instelling worden ze in de ochtend van 22 januari 1943 naar Kamp Westerbork gedeporteerd. Het transport geschiedt met een reguliere personentrein.

Op dinsdag 9 februari 1943 wordt het echtpaar met transport 49 vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Het transport telt 25 wagons en in totaal 1.180 gedeporteerden. 

In het boek ‘In Memoriam’ staat de volgende getuigenis van J. Fresco opgetekend: Ik ben op dinsdag 9 februari 1943 met een transport, waartoe ongeveer 1000 à 1200 personen behoorden, van Westerbork oostwaarts weggevoerd. De trein bestond uit 25 personenwagens, waarvan de deuren op slot gedraaid waren, terwijl de ramen waren voorzien van houten schotten. ‘s Nachts reden wij weg uit Westerbork en ‘s avonds bevonden wij ons reeds diep in Duitsland, zodat ik van een poging tot ontvluchten heb afgezien. Wij kwamen diep in de nacht, twee dagen later, in Auschwitz aan. De trein bleef enige uren stilstaan op het perron van Auschwitz. Om plusminus 6 uur volgde het uitladen. Treinbewaking en SS openden de deuren; op een afstand stond een groep “Haeftlinge” in zebrapakken. Het commando “aussteigen” begon. We moesten de bagage in de trein laten liggen. De SS voegde ons toe, dat wij “alles frisch” zouden krijgen. De eerste ontvangst was tamelijk kalm. Gebrekkigen en ouderen van dagen werden door coupé-genoten uit de trein getild.

Op vrijdag 12 februari 1943 worden Jacob en Fredrika in en van de gaskamers van Auschwitz om het leven gebracht.

Bronnen: Streekarchief Epe, Historisch Centrum Overijssel, het Utrechts Archief, de site Joodse werkkampen, G.J. Veerman van de Historische Vereniging Wijhe. Afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork, CODA Archief Apeldoorn, Digitaal Joods Monument, Erica adresboek van Apeldoorn, het Gelders Archief, ITS Archiv Bad Arolsen (International Tracing Service), het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters, Yad Vashem, het Nationaal Archief en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten).

26 januari 2023