Biografie

Het lot Abraham Katwijk en zijn vrouw Betje Bierman.

Betje Bierman was het 2e kind van Levie Bierman en Sara Italiaander. Zij was op 8 September 1897 geboren in Amsterdam en trouwde daar op 10 April 1918 met de diamantslijper Abraham Katwijk, een zoon van Jacob Katwijk en Sara Gobes, die op 1 Mei 1894 eveneens in Amsterdam geboren was.

Nadat Betje en Abraham waren getrouwd, vonden zij woonruimte bij de weduwe Jas in de Lange Houtstraat 24a maar verhuisden op 26 Augustus 1919 naar de Nieuwe Kerkstraat 34 I en op 21 November 1921 naar de Bernard Kochstraat 10 II, een zijstraat van de Cornelis Krusemanstraat. In November 1925 betrok het gezin een woning in de Saffierstraat 36 II in Amsterdam-Zuid, wat tevens hun laatst bekende adres in Nederland zou blijken te worden.

Het echtpaar Katwijk kreeg twee kinderen, t.w. Sara en Jacob. Sara trouwde in December 1940 met de niet-Joodse Hendrik Frans Sonnenschein en heeft de oorlog overleefd. Daarentegen werd hun zoon Jacob, een leerling diamantbewerker, tijdens de razzia van 11 Juni 1941 opgepakt, waarbij hij via Kamp Schoorl uiteindelijk terecht kwam in Mauthausen. Daar is hij op 16 September 1941 om het leven gekomen.

Betje Bierman en haar man Abraham Katwijk bleven alleen achter in de Saffierstraat. Een datumstempel van 2 Augustus 1942 op hun registratiekaarten van de Joodse Raad geeft aan dat er een bezoek werd gebracht aan de Afdeling Voorlichting van de Joodse Raad (of een districtsbureau), vermoedelijk naar aanleiding van een oproeping waar toen bekeken is of er aanleiding was voor een tijdelijke vrijstelling. Er was geen reden om hen een "Sperre" te verlenen, wat werd aangetekend op hun registratiekaart met een rood kruisje. Zij bleven wonen in de Saffierstraat 36 II in Amsterdam. Onbekend is ook of zij geprobeerd hebben om onder te duiken.

Volgens een politierapport van Maandag 6 Maart 1944 werden zij echter ’s-avonds uit hun woonhuis opgehaald. Het politierapport luidde: “… brengt om 19.30 uur de ambtenaar v.d. Berg (SD) twee personen vanuit hun woning, genaamd Abraham Katwijk, geboren 1 Mei 1894 en Betje Bierman, geboren 8 September 1897 te Amsterdam, wonende Saffierstraat 36 II alhier. Blijven ter afhaling hoofdbureau". Om 20.30 uur wordt vermeld dat de personen, "als vermeld in de melding van 19.30 uur door den rechercheur Olafsen van afdeling 1-a-II per auto worden overgebracht naar het hoofdbureau", waar om 20.40 uur wordt bij controle op het hoofdbureau wordt vastgesteld "dat Abraham Katwijk in het bezit is van een geldbedrag van Fl. 144,33, 7 gasmunten en 1 electriciteitsmunt". Niet vermeld wordt of dit in beslag wordt genomen of niet.

Op 9 Maart worden Abraham Katwijk en zijn vrouw Betje Bierman overgebracht naar Westerbork waar zij worden ingesloten in de strafbarak 67. Zij worden vervolgens op 23 Maart 1944 op transport gesteld naar Auschwitz in een transport van in totaal 599 gevangenen. Aankomst van dit transport in Auschwitz is vermoedelijk op 25 of 26 Maart 1944.

In hetzelfde transport van 23 Maart 1944 werd ook de latere getuige van Abraham Katwijk, de Sjoa-overlevende Isaac de Leeuw (geboren op 27 Maart 1920) naar Auschwitz gedeporteerd. Deze verklaarde bij zijn terugkomst in Januari 1946 dat Abraham Katwijk bij aankomst in Auschwitz nog als dwangarbeider tewerkgesteld is. Onbekend is echter of hij in- of buiten het kamp terecht is gekomen. Ook zijn exacte datum van overlijden is niet bekend.

Daarom hebben de Nederlandse Autoriteiten na de oorlog vastgesteld – mede op grond van de getuigenis van Isaac de Leeuw uit de Christiaan de Wetstraat 10 hs te Amsterdam en andere overlevenden– dat Abraham Katwijk na 31 Augustus 1944 niet meer in leven zou kunnen zijn. Daarom heeft de gemeente Amsterdam toen opdracht gekregen om voor Abraham Katwijk een overlijdensakte op te maken waarin is vastgesteld dat hij op 31 Augustus 1944 in Auschwitz is overleden.

Abraham’s vrouw Betje Bierman werd met hetzelfde transport van 23 Maart 1944 naar Auschwitz gedeporteerd. Ook Betje Katwijk-Bierman werd niet onmiddellijk naar de gaskamers gestuurd en eveneens nog ergens in Auschwitz of Birkenau tewerkgesteld. Volgens een verklaring van na de oorlog van Mevrouw Esther de Valença uit de Blasiusstraat 64 te Amsterdam die in hetzelfde transport van 23 Maart 1944 zat, zou Betje Katwijk-Bierman na de bevrijding van Auschwitz, begin Februari 1945, daar alsnog om het leven zijn gekomen.  

Op grond van deze verklaring en van andere overlevenden hebben de Nederlandse Autoriteiten echter opdracht gegeven aan de gemeente Amsterdam om voor Betje Katwijk-Bierman een akte van overlijden op te maken, waarin is vastgesteld dat zij op 24 Januari 1945 in Auschwitz om het leven is gekomen.

Bronnen o.a. het Stadsarchief Amsterdam, gezinskaarten van Jacob Katwijk (1867) en Abraham Katwijk; archiefkaarten van Abraham Katwijk, Betje Bierman, Jacob Katwijk (1922), Sara Gobes en Isaac de Leeuw (getuige); Politierapporten van 6 Maart 1944 Amsterdam; het archief van de Joodse Raad, registratiekaarten van Abraham Katwijk en Betje Katwijk-Bierman en van de getuigen Esther Valença en Isaac de Leeuw; overlijdensaktes Amsterdam, nr. 11 van 26 Februari 1960 – uit A-register 116-folio 2verso voor Abraham Katwijk, nr. 358 van 27 Juni 1952 – uit A-register 96-folio 62 voor Betje Katwijk-Bierman en nr. 289 van 23 Mei 1950 – uit A-register 34-folio 50verso voor Jacob Katwijk en informatie over details door Raymund Schütz.

 

Alle rechten voorbehouden