Verhaal

Het raadsel Seibersdorf

Overzichtskaart van de "Zwangsarbeitslager" en "Konzentrationslager" in Silezië. Van het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis. Zoals gepubliceerd in een brochure van het Rode Kruis uitgave oktober 1952.

Plaatsbepaling

Bij mijn onderzoek naar een Joodse familie stuit ik op het feit dat de persoon in kwestie is omgebracht/overleden in Seibersdorf. Geen idee waar in Europa ik dit moet zoeken en wat het inhoud. Op Joodsmonument zelf staat een heel kort stukje uit het werk van Prof L. de Jong m.b.t. de zogenaamde Cosel-transporten. Goed, dus dan maar Het Koninkrijk der Nederlanden ... erbij gepakt en ook Ondergang van J. Presser er op nagelezen. Maar nog steeds is niet duidelijk waar het kamp Seibersdorf nu precies moet hebben gelegen. Het moet ergens in de omgeving van Auschwitz gelegen hebben. Volgens Joodsmonument zouden er toch een kleine 200 Joden vermoord moeten zijn. Dus ... verder gezocht op het internet. Na enig zoekwerk kom ik op een Duitse website terecht van een amateurhistoricus die op zijn website een enorme gedetailleerde lijst heeft gepubliceerd van alle kampen, kampjes, getto's en gevangenissen in alle door de nazi's bezette landen. Netjes op alfabet gerangschikt. Bij de Z staat Seibersdorf vermeld bij het Poolse dorp Zebrzydowice, gelegen in de provincie Silezië, tegen de grens met Tsjechië. En, het plaatsje ligt aan een spoorlijn welke leidt van de Tsjechische stad Ostrava naar ... de Poolse stad Oswiecim (Auschwitz). Verder vermeld De Jong dat de dwangarbeiders aan het spoor hebben gewerkt voor de Duitse Reichsbahn en dat het kamp dus vlak bij het spoor moet hebben gelegen. Dus ... op zoek naar sporen hiervan. En ja, aan de oostelijke toegang van de Dworcowa-straat, ten zuiden van het spoor, vlak bij het station, staat een monument ter nagedachtenis aan de dwangarbeiders die in dit kamp zijn omgekomen. Op een Poolse  website vind ik enige foto's van dit monument. Verder is op de plaatselijke begraafplaats dit jaar een  monument geplaatst ter nagedachtenis aan alle Joodse dwangarbeiders uit België, Frankrijk en Nederland die in dit kamp zijn omgekomen in de periode 1942-1944. De dwangarbeiders die in het kamp stierven werden begraven op de plaatselijke begraafplaats die ligt aan de noordzijde van het dorp. In naamloze graven en van deze graven is nu niks meer terug te vinden. Het dorp Zebrzydowice ligt ca. 50 km ten zuidwesten van Oswiecim en ca. 70 km ten zuiden van de Poolse stad Kedzierzyn-Kozle (Kosel of Cosel).

Na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland op 13-maart-1938 neemt het Poolse plaatsje Seibersdorf ook in de Nederlandse kranten een plek in beslag. Het is nl. zo dat veel Oostenrijkse Joden proberen Oostenrijk te ontvluchten in de richting van Polen en zij komen dan vanuit Wenen bij Seibersdorf over de grens met Polen.

Seibersdorf en Cosel

In de periode van 28-8-1942 tot en met 12-12-1942 werden op het station van Cosel sommige transporten die onderweg waren vanuit Nederland, maar ook vanuit België en Frankrijk, naar Auschwitz, in Cosel gesplitst waarbij een selectie plaats vond van mannen tussen 15 en 50 jaar. Na selectie en splitsing van de treinen ging het grootste deel door naar Auschwitz en de uitgeselecteerde mannen richting werkkampen in Opper- en Neder-Silezië.

Het kamp Seibersdorf was actief vanaf maart 1942 tot januari 1944. Het bestond uit 3 barakken waar gemiddeld zo'n 200 mannen en een kleine groep Poolse vrouwen, werkzaam waren. De barakken lagen iets ten zuid-oosten van het station van Zebrzydowice. Boven de toegang tot het kamp hing een bord met het opschrift: Reichsbahn Lager No. 66. Na liquidatie van het kamp gingen de overgebleven gevangenen naar Auschwitz of naar Kamp Blechhammer om daar in één van de fabrieken te werken. De werkgever in kamp Seibersdorf was de Firma Schreck. (Informatie van USC Shoah Foundation). De grootste groep Nederlandse mannen werd eind Maart 1943 vanuit het kamp gedeporteerd om in kamp Blechhammer dwangarbeid te verrichten.

Slachtoffers

Ik heb op basis van de op Joods Monument beschikbare gegevens een lijst gemaakt van alle slachtoffers die in Seibersdorf zijn vermoord. Van al deze personen heb ik de registratiekaarten zoals die op Arolsen Archives beschikbaar zijn bekeken en gecontroleerd op datum van aankomst in Kamp Westerbork, vertrek vanuit Kamp Westerbork richting Auschwitz, naam van eventuele getuigen en of de persoon uit één van Joodse werkkampen in Nederland kwam. Ik kom dan op een aantal van 187 slachtoffers waarvan er 12 personen op het moment van hun transport vanuit Kamp Westerbork ouder dan 50 waren. De oudste persoon was op het moment van transport 51 jaar, 6 maanden en 3 weken oud. De jongste persoon was 15 jaar en 19 dagen oud. De transporten waaruit de meeste mannen geselecteerd werden voor werk in Seibersdorf vonden plaats op 7-september-1942 (76 personen) en op 11-september-1942 (87 personen). Van 17 personen is aangegeven dat zij uit één van de Joodse werkkampen in Nederland waren. Van 20 personen is een getuige vermeld op de registratiekaart. Eén van de getuigenissen komt van Dr. Isaac Cohensius. Deze is te downloaden vanaf de website van de Getto Fighters House Archive in Israel. Isaac was getrouwd met Ester van der Hoeden, een verpleegster. Een andere getuigenis is die van Abraham Jonas Walg waarvan een schriftelijke weergave te vinden is in het NIOD-archief en een interview welke deel uitmaakt van het USC Shoah Foundation.

Van de 187 slachtoffers zijn er 137 in Amsterdam geboren, 13 in Rotterdam en 4 in Den Haag. De rest in andere steden in Nederland of buiten Nederland (13 personen). Ook als laatst bekende woonplaats staat Amsterdam bovenaan, 145 personen, 6 personen uit Rotterdam, 6 uit Scheveningen, 5 uit Den Haag, 4 uit Schiedam en 4 uit Zandvoort, de rest uit andere plaatsen in Nederland. Dat er zoveel uit Amsterdam afkomstig zijn is niet zo verwonderlijk. Amsterdam had veruit de grootste Joodse gemeenschap in Nederland en vanaf Januari 1942 moesten Joden van buiten Amsterdam verplicht naar Amsterdam verhuizen in het kader van een zogenaamde 'evacuatie' (zie hiervoor mijn artikel over het Gemeentelijk Bureau voor Joodsche Inkwartiering).

Transporten

Bij de data waarop de Seibersdorf-slachtoffers vanuit Kamp Westerbork vertrokken, springen er 2 data uit:

  • op 07-09-1942 gingen 76 slachtoffers op transport (totaal aantal slachtoffers: 930, geselecteerd in Cosel: 110). Dus ruim 69 % van degenen die uit dit transport werden geselecteerd werden vermoord in Seibersdorf. Van dit transport zijn 9 overlevenden bekend.

  • op 11-09-1942 gingen 87 slachtoffers op transport (totaal aantal slachtoffers: 874, geselecteerd in Cosel: 140). Dus ruim 62 % van degenen die uit dit transport werden geselecteerd werden vermoord in Seibersdorf. Van dit transport zijn 10 overlevenden bekend

    • Van beide bovenstaande transporten gingen de geselecteerden vanuit Cosel eerst naar het kamp Niederkirch (Dolna) om daarna naar Seibersdorf te worden afgevoerd. Vanuit Seibersdorf gingen de overlevenden eind Maart 1943 naar Blechhammer. Hier werden zij geadministreerd en later toen Blechhammer als subkamp van Auschwitz ging functioneren werd dit nogmaals gedaan.

Wat verder opvalt is dat alle slachtoffers zeer kort na aankomst in Westerbork al op transport gingen. Het overgrote deel van de slachtoffers zat slechts 1 of 2 dagen in Westerbork voordat ze op transport gingen. Een enkeling een week of langer, een paar gingen zelfs dezelfde dag op transport. 1 persoon valt op omdat hij buiten de algemeen aangenomen periode valt dat selecties werden gedaan op het station van Cosel voor de werkkampen, zoals Seibersdorf. Dit betreft Nathan Loonstijn die op 21-07-1942 in Westerbork aankwam en op 27-07-1942 op transport ging richting Auschwitz. In dit transport zaten in totaal 1010 personen. Het was het vijfde transport dat vanuit Kamp Westerbork naar Auschwitz ging. Zeer waarschijnlijk is Nathan pas in Auschwitz geselecteerd voor een werkkamp en via allerlei andere werkkampen uiteindelijk in Seibersdorf belandt waar hij werd vermoord. Van 6 personen heb ik geen gegevens kunnen achterhalen in het Arolsen archief.

Sterfdata

Van 146 personen(ruim 78%) is de sterfdatum vastgesteld op 31-03-1943, 2 personen hebben een sterfdatum die later ligt, de rest vroeger. 18 personen hebben een sterfdatum in November en December 1942, 8 personen op 31-01-1943, 9 personen in Februari 1943 en 3 personen op 26-03-1943. In slechts 8 gevallen ligt de sterfdatum niet op de laatste dag van de maand.

Het officieel overleden verklaren van alle slachtoffers van de concentratiekampen tijdens WOII werd geregeld bij wet van 2-juni-1949. Naar aanleiding van deze wet is bij Koninklijk Besluit van augustus 1949 een Commissie ingesteld die officieel van alle slachtoffers de sterfdata moest gaan vaststellen. Deze commissie werd administratief ondersteund door zo'n 50 medewerkers van het Nederlandse Rode Kruis. N.a.v de bevindingen werden dan in de Nederlandse Staatscourant lijsten gepubliceerd van overledenen met sterfdatum en plaats van overlijden en vervolgens konden mensen dan tot 3 maanden daarna bezwaar aantekenen op de gepubliceerde gegevens. Daarna werd er door de gemeente van de laatst bekende woonplaats een officiële overlijdensakte opgesteld. Hierin werd dan de overlijdensdatum overgenomen zoals deze in de Staatscourant op last van het Ministerie van Justitie, was gepubliceerd. In het Rijksarchief in Den Haag zijn de rapporten terug te vinden met de bevindingen van de Commissie die onderzoek moest doen naar de meest waarschijnlijke sterfdata. Daarin zijn aparte rapporten terug te vinden die specifiek betrekking hebben op de zogenaamde Cosel-transporten en de vele werkkampen in Silezië. Hieruit is ook te verklaren waarom de sterfdatum van de meesten is vastgesteld op 31-03-1943. Eind maart 1943 gingen nl. de meeste gevangenen op transport naar Blechhammer. Dus wie niet in dit transport zat of naar Blechhammer werd overgebracht moest wel zijn omgekomen in Seibersdorf. Omdat er van deze doden geen exacte sterfdatum meer was vast te stellen werd als sterfdatum 31-03-1943 vastgesteld. In de rapporten van het Rode Kruis wordt Seibersdorf overigens betiteld als een zeer slecht kamp.

De conclusies die het Rode Kruis trekt ten aanzien van de sterfdata zijn gebaseerd op de transportlijsten, de gedeeltelijk overgeleverde administratie van Blechhammer en Auschwitz en de getuigenissen van overlevenden.

Als we de getuigenis van Dr. Cohensius er op nalezen dan blijkt de grote sterfte in Seibersdorf voor een groot deel te wijten te zijn aan de arbeidsomstandigheden (zeer zwaar werk, lange werkdagen), onvoldoende voeding en een hardvochtige leiding. De dagelijkse leiding van het kamp lag in handen van de hoofdbewaker Pietsch uit Neisse die ondersteund werd door bewakers en Joodse gevangenen die aangesteld waren als Blockältesten. In het kamp waren ook een beperkt aantal vrouwen, een groep van 5-7 personen, die verantwoordelijk waren voor het keukenwerk en schoon houden van de ruimtes van de commandant, de bewakers en de barakken van de gevangenen.

Zie verder ook het verhaal op deze site over  Cosel en de Organisation Schmelt.

Bronnen: www.joodsmonument.nl; USC Shoah Foundation; www.zebrzydowice.net; Arolsen Archives; sztetl.org.pl; http://www.tenhumbergreinhard.de/1933-1945-lager/1933-1945-lager-z/index.html;

Nationaal Archief 2.09.34.01 Inventaris van het archief van de Commissie tot het doen van aangiften van overlijden van vermisten.

Het recent verschenen boek: “Tussenstation Cosel; Joodse mannen uit West-Europa naar dwangarbeiderskampen in Silezië, 1942-1945. Uitgave 2020, Uitgeverij Verloren. Door Herman van Rens en Annelies Wilms.