Verhaal

Oorlogsverhaal familie Haas

Martijn Haas huilt ‘s nachts zo zacht als hij kan op de donkere zolder van zijn onderduikadres. Het is 1942 en de Tweede Wereldoorlog is in volle gang. Martijn is vijf jaar en hij is alleen. Waar zijn familie is, weet hij niet. Martijn gaat tegenwoordig als Martin door het leven, 83 jaar en de enige van zijn familie die nog in leven is. We komen zijn familienaam tegen tijdens ons onderzoek naar onteigende woningen van Joden. We ontdekken negen panden van zijn familie in Breda, allemaal afgepakt door de Duitse bezetter.

Vlak voordat de oorlog begint, wonen er zo’n tweehonderd Joden in Breda. De meesten kennen de familie Haas wel. Jacob, de vader van Martijn, heeft een groot netwerk van Joodse, maar ook niet-Joodse vrienden en kennissen. Dat komt mede door het familiebedrijf ‘Haas Manufacturen’, waarmee hij textiel verkoopt en met de auto aan huis bezorgt bij boerengezinnen in de omgeving van Breda. Een gat in de markt, want veel mensen hebben dan nog geen wagen.

Het bedrijf loopt zo goed dat Jacob met zijn twee zussen Adele en Céline investeert in onroerend goed en die woningen verhuurt. Alle familiebezittingen worden in de bezettingsjaren afgenomen. Van geen enkele andere Joodse familie in Breda zijn meer huizen afgepakt. Dat ontdekken we in de Verkaufsbücher, de administratie van onteigeningen van Joods vastgoed, die door het Nationaal Archief in Den Haag wordt beheerd. Via naoorlogse documenten over de Joodse gemeenschap van Breda weten we Martijn te traceren in de VS. Hij woont inmiddels in San Diego en werkt als professor aan de Universiteit van Californië waar hij zich al jaren laat aanspreken als ‘Martin’.

Martijn zoekt pas in de jaren negentig uit wat er precies met zijn familie is gebeurd. Hij vertelt ons waarom en hoe hij tot die tijd leeft met al zijn vragen. Die stapelen zich op vanaf oktober 1942, wanneer hij als vijfjarige onderduikt.

Het huis is weg

“Vlak voordat mijn zusje Rosa en ik naar een onderduikadres worden gebracht, zet mijn moeder mij op de eettafel. Het is een donkere en regenachtige avond. Ze zegt me uitdrukkelijk mijn mond te houden. Ik mag nooit onthullen dat ik een Joodse jongen ben. Hoewel ik dat wel ben, moet ik dat een tijdje vergeten. En dat doe ik, min of meer.”

Martijn neemt afscheid van zijn moeder in het huis van de broer van zijn grootvader aan de Speelhuislaan 42 waar ze tijdelijk wonen. De bom die de Duitsers op zondag 12 mei 1940 op de Terheijdenstraat laten vallen, verwoest hun huis. Het eigenlijke mikpunt is het station om de hoek, een belangrijk strategisch punt, maar de bommenwerpers missen hun doel. Alles is weg, niemand raakt gewond. Breda is op dat moment geëvacueerd omdat de burgemeester vreest voor een gevecht tussen Franse en Duitse soldaten in zijn stad. De Duitsers rukken echter zo snel op dat Breda zonder al te veel tegenstand wordt ingenomen.

oor die bom is het gezin van Martijn al aan het begin van de oorlog al haar spullen kwijt. Martijn is dan drie jaar. Hij is het jongste kind van zijn vader en moeder, Jacob en Greet. Hij heeft twee zusjes, Elisabeth en Rosa, en een broer, Izaak. Zijn grootmoeder Elisabeth maakt ook deel uit van het gezin.

Donkere gang

“We trekken in bij de broer van mijn grootvader pal achter het station. Op het brede trottoir tegenover het huis heb ik leren fietsen met de jongens van de straat. En ik herinner me een vrijdagavond, het begin van de sjabbat. Mijn twee ongetrouwde tantes Adele en Céline zijn op bezoek, zoals zo vaak. We zitten na het eten nog even met z’n allen aan tafel en zij praten over de situatie. Het is inmiddels oorlog en die is heel slecht voor ons Joden. Wat ze zeggen, begrijp ik niet. Maar daarna durf ik de gang niet op om naar de wc te gaan. Het is donker, ik vind het te eng.”

“Terwijl we daar wonen, laat mijn vader een nieuw huis bouwen aan de Mauritssingel. Opnieuw een twee-onder-een-kapwoning in het centrum. Ons gezin op het ene huisnummer, waar vanuit mijn vader ook zijn bedrijf zal runnen, en mijn tantes op het andere nummer, waar ze een pension zullen beginnen. Hoe mijn vader dit deed in het midden van de oorlog is niet helemaal duidelijk. Want die ‘vieze vuile rot Joden’ mochten geen bankrekening hebben. Hij moet goud hebben gehad, of veel contant geld. Hoe dan ook, het huis kwam af. Een keer liepen we er met de hele familie heen. En ik weet nog goed dat er een wenteltrap zat achter het huis. Daarmee kon je zo van buitenaf naar de keuken toe. Zonder dat je het huis in hoefde. Voor de kruidenier, of wie dan ook. Dat vond ik zo mooi. En die trap, die staat er nog steeds.”

Beroofd door een buur

De familie Haas heeft nooit in dat huis gewoond. Martijn vindt tijdens zijn zoektocht naar wat er met zijn familie is gebeurd een handgeschreven brief van 13 juli 1942 van zijn vader. Hij schrijft daarin naar de gemeente Breda dat hij het huis niet als opgeleverd kan verklaren omdat het voor hem als Joodse man verboden is om er nog te komen. Het is een poging om het huis uit de handen van de bezetter te houden.

Op dat moment mogen Joden al bijna een jaar geen grond meer bezitten en ook geen onroerend goed. De Nederlandse Administratie van Onroerende Goederen registreert het Joodse bezit en besteedt de onteigening en verkoop van Joodse panden uit aan particulieren. In Breda doet de ANBO dat, afkorting voor Algemeen Nederlandse Beheer van Onroerende Goederen. NSB’ers leiden deze organisatie. In de Verkaufsbücher zien we dat negen panden van de familie Haas zijn onteigend, waarvan vijf panden op naam staan van de vader van Martijn en zijn twee tantes Adele en Céline.

De woningen aan de Bavelschelaan 112 en Rozenlaan 48 zijn de eersten die worden opgeschreven als ‘voorlopig verkocht’. Dat is in de zomer van 1942. Voor 6.708,20 gulden verklaart C.v. Meel beide panden te kopen. Dit blijkt praktisch een buur van de familie. We zien namelijk dat deze persoon op dat moment staat ingeschreven op het adres Pastoor Pottersplein 39, twee straten naast de Speelhuislaan waar Martijn en zijn familie op dat moment wonen.

Het is ook schuin tegenover een ander pand van de vader van Martijn: Pastoor Pottersplein 31. Ook dat huis wordt een paar maanden later door de NSB’ers verkocht. Met de panden aan de Prins Hendrikstraat 73 en Rozenlaan 40-42 gebeurt precies hetzelfde. De nieuwe eigenaren betalen niet meer dan een paar duizend gulden, een spotgoedkope investering. Voor de Duitse bezetter is dit een leuk financieel extraatje.

Geen uitstel meer

Rond dezelfde tijd als de onteigening van de huizen, wordt de vader van Martijn opgepakt. Als lid van de Joodse Raad van Breda wist hij een paar keer uitstel te krijgen, maar op 29 september 1942 lukt dat niet meer. Onder dwang wordt hij naar een Nederlands werkkamp in Doetinchem gebracht. Drie dagen later worden alle mannen van de Nederlandse werkkampen naar Westerbork vervoerd. Martijns vader zit daarbij.

Martijn, zijn moeder Greet Vleeschouwer-Haas, en zijn broer en zussen worden een paar dagen later ook opgeroepen. Ze moeten op 6 oktober op de trein naar Westerbork stappen en zullen daar met hun vader worden herenigd. Zijn moeder handelt echter anders en  verandert daarmee het lot van Martijn en zijn zus Rosa.

“De avond voordat we naar Westerbork zouden worden vervoerd, komt mevrouw Hees bij ons thuis. Het is in de vroege avond, zes uur, half zeven. Het regent en het is donker. Mevrouw Hees draagt een grote zwarte cape als ze binnenkomt. Mijn moeder vertelt dat de twee kleinste kinderen met deze mevrouw meegaan. Dat zijn ik en mijn zus Rosa, die ik Roosje noem. Er konden twee kinderen mee en moeder dacht: hoe kleiner ze zijn, hoe groter de kans dat de omgeving van het onderduikadres geen argwaan krijgt. En daar had ze gelijk in.”

“We verstoppen ons onder de zwarte cape van mevrouw Hees en lopen zo samen naar het station. Daar pakken we de trein naar Bergen op Zoom, zo’n 40 kilometer van Breda vandaan. Daar staat er een juffrouw op mijn zus te wachten. Roosje gaat met haar mee naar de familie Baars, waar zij zou verblijven. Ik ga verder met mevrouw Hees naar haar huis. Er werd toen nog gedacht dat we maar een paar maanden zouden blijven.”

Het zevende broertje

“Het eerste dat moet gebeuren bij de familie Hees is het kiezen van een naam. Ik word het zevende kind in het gezin en krijg een paar opties. Ik kies ‘Broer’, dan een hele gebruikelijke naam. Omdat ik blond ben, kan ik gemakkelijk doorgaan voor een van de Hees’ kinderen, maar ik ga niet naar dezelfde katholieke basisschool. Hoe riskant het ook is, mevrouw Hees regelt een plek voor mij op de openbare school bij ons in de straat, de Coehoornstraat.”

“Een heldendaad, leerde ik later. Want ik had geen papieren, dus mijn juf moest bij het complot worden betrokken. En helemaal omdat mevrouw Hees zo voorkomt dat Roosje en ik onszelf per ongeluk verraden als we elkaar tegenkomen op het schoolplein. Zij gaat namelijk wel naar de katholieke basisschool.”

Martijn leidt zo tijdens de oorlog een redelijk normaal leven. Hij leert lezen, schrijven en rekenen, vindt zijn juf leuk, en speelt voor het huis van de familie Hees met zijn vriendjes. Niemand weet dat hij een Joodse jongen is. Hij doet net als de rest. Maar ‘s nachts is het anders. Dan kan Martijn zichzelf niet afleiden met schoolwerk of zich richten op een goede jongen zijn. En wordt hij overvallen door eenzaamheid, angst en onzekerheid.

“Ik was nog jong, maar tot op zekere hoogte wist ik wel wat er gaande is. ‘s Nachts vraag ik me op de donkere zolder waar ik slaap af hoe het met mijn familie gaat. Ik maak me grote zorgen. Waar zijn ze, wat zou er met hen gebeuren? Ik huil zo stil als ik kan. Dat gevoel draag ik nog altijd bij mij. Dat gaat niet weg.”

Golf van verraad

Het zal nog jaren duren voordat Martijn antwoord krijgt op zijn vragen. Op de avond dat hij vlucht, duikt zijn moeder met Martijns zus Elisabeth en broer Izaak onder bij een bakkerij in Princenhage, een ander deel van Breda. Zijn tante, Rosa Vleeschouwer, gaat met hen mee. Ze zitten daar goed tot de golf van verraad in februari en maart 1943. De Sicherheitspolizei (SD) valt op 11 maart 1943 om 11 uur ‘s ochtends de bakkerij binnen. Het lukt zijn moeder en zijn tante nog net om met de kinderen weg te komen via de achterdeur, maar vlak voordat ze het Bredase bos bereiken, halen de SD-agenten hen in.

De agenten pakken hen op, verhoren ze en brengen ze naar het huis van bewaring. Ze worden vervolgens gedeporteerd, via Vught naar Sobibor. Tante Rosa wordt daar nog geen maand later vermoord. De moeder, zus en broer van Martijn overkomt een paar weken later hetzelfde. Elisabeth en Izaak zijn dan 10 en 9 jaar, Greet is 36. De vader van Martijn is dan al twee maanden overleden. Na Westerbork werd hij vervoerd naar het werkkamp in Auschwitz. Hij is 42 als hij sterft.

Voor het einde van 1943 heeft Martijn al bijna al zijn familieleden verloren. Tante Céline overlijdt in de zomer vanwege ziekte op haar onderduikadres in Breda. En zijn tante Adele sterft anderhalve maand later in Auschwitz. Zijn neven, nichten en hun families overleven de oorlog ook niet. De grootmoeder van Martijn heeft het ergste deel van de oorlog niet hoeven meemaken, zij overleed al in de zomer van 1940. Zij was er al niet meer toen de oorlog echt begon. Martijn zal hier allemaal pas veel later achter komen.

Brieven van verzet

Ondanks dat ze allebei in Bergen op Zoom ondergedoken zitten, zien Martijn en Roosje elkaar tijdens de oorlog niet. Wel sturen ze elkaar brieven, die de ondergrondse heen en weer brengt. “Van de ondergrondse zelf krijg ik af en toe ook een brief. Van een juffrouw die het contact heeft gelegd voor mijn onderduikadres. Zij heeft zowel mijn moeder als mevrouw Hees geholpen tijdens en na de zwangerschap en zet haar netwerk in om Joodse kinderen te helpen. Altijd als ik haar brief lees, moet ik huilen. En er staat eigenlijk niet eens iets belangrijks in, niet eens haar echte naam.”

Bergen op Zoom wordt op 27 oktober 1944 bevrijd. Het noorden van het land moet tot na de hongerwinter wachten. Op 5 mei 1945 is het hele land vrij. Martijn heeft dan bijna drie jaar bij de familie Hees ondergedoken gezeten. Het is wachten tot een familielid hem komt ophalen.

“Ik droomde, hallucineerde, dat mijn ouders me kwamen halen. Ook toen niemand van mijn familie terugkeerde, bleef dat zo. Want niemand vertelde me wat er werkelijk met mijn familie was gebeurd. Dat ik en Roosje recht hadden op het bezit dat ons was afgenomen, alle woningen die waren onteigend, daar hield ik me niet mee bezig. Ik was te jong en richtte me op het inhalen van mijn schoolwerk. Ondertussen bleef ik hopen dat er een fout was gemaakt. Dat mijn familie op een dag toch ineens de straat in kwam lopen. Dat het allemaal een groot misverstand was.”

Naar een christelijk gezin

Er blijkt een oom te zijn van zijn moeders kant die de oorlog met zijn vrouw en twee zonen ook heeft overleefd. Zijn naam is Dick Vleeschhouwer. Martijn gaat naar Amsterdam om het derde kind in het gezin te worden.

“Zij hadden ook ondergedoken gezeten, maar de oorlog was zo verschrikkelijk voor hen dat ze hadden besloten om geen Joden meer te zijn. Toen ik bij hen kwam, waren ze al christelijk. Ze stuurden mij naar een strenge christelijke privéschool, omdat zij dachten dat dat het beste was. Maar voor mij was dat een heel naar jaar. Het werkte niet. Ze konden het niet aan om mij, een diep getraumatiseerd kind, erbij te hebben.”

“Ik keerde terug naar de familie Hees, maar bij hen blijven was ook geen optie. Mevrouw Hees wilde dat ik zou opgroeien als Joodse jongen, bij mijn ‘eigen mensen’. Ik moest een goede opleiding krijgen, ook in mijn eigen religie. Dat schudde ik toen nog van me af, denkend aan wat mijn moeder me op het hart had gedrukt vlak voor mijn vertrek. Maar mevrouw Hees bleek de slimste van ons twee te zijn.”

Een achternicht van zijn moeder, Beppie Kogel, weet Martijn uiteindelijk te vinden. Zij en haar man Ben Oudkerk besluiten hem te adopteren. Zij hebben zelf nog geen kinderen en willen ook graag voor Roosje zorgen, zodat de broer en zus samen kunnen opgroeien. Het onderduikgezin Baars wil graag dat Roosje bij hen blijft. Ze hebben haar al tijdens de oorlog laten dopen en ze volgt net als hun kinderen katholiek onderwijs. Ze hoort er al helemaal bij. Roosje blijft uit eigen beweging bij de familie die haar leven heeft gered.

Het Joodse jongetje

Martijn gaat bij zijn pleegouders wonen in een kleine arbeiderswoning in Amsterdam. Elke dag fietst hij zo’n twintig minuten naar zijn openbare basisschool, de Nicolaas Maess School.

“Al die tijd zitten er maar twee Joodse jongetjes in de klas, waarvan ik er één ben. Het is na de oorlog, het eind van de jaren veertig, maar niets lijkt veranderd. Als de leraar er een keer niet is, slaan de jongens uit de klas me. Ze gooiden me neer en gaan op me zitten. Ik ben elf jaar en voel heel goed aan: de haat tegen ons Joden gaat gewoon door. Alsof er niets is gebeurd.”

Niet lang daarna neemt het leven van Martijn een andere wending. Zijn pleegouders vragen hem wat hij ervan vindt als ze naar Israël verhuizen. Op alia gaan, net als veel andere Joden. “Dat heeft mij gered. Er móest iets veranderen. En dit was een geweldig keerpunt voor mij. Mijn hele leven beloofde anders te worden. We vertrokken 6 maart 1950 na mijn Bar Mitswa, tevens ons afscheidsfeest. We zeiden gedag tegen vrienden en wat familie en gingen weg. Ik was dertien jaar en heel blij om te gaan.”

Gelukkige jaren

Ze vestigen zich in de kustplaats Nahariya. Martijn volgt de middelbare school en studeert daarna elektrotechniek aan de universiteit. Hij geniet van de lessen en het leven in een samenleving die aan het opstarten is. Deze periode vormt hem tot wie hij geworden is, zegt hij. Hij voert zijn dienstplicht uit en terwijl hij nog in het leger zit, trouwt hij met Yaira. Martijn ontmoet haar wanneer ze met een gemeenschappelijke vriendin een boek bij hem thuis komt terugbrengen. Hij valt meteen als een blok voor haar. Yaira heeft net als hem de oorlog overleefd.

Na zijn dienstplicht settelen Martijn en Yaira zich in Jeruzalem. Hij werkt als ingenieur bij de Hebreeuwse Universiteit en krijgt daar interesse in projecten in de geneeskunde en biologie. Zo zeer dat hij zijn master Biofysica wil halen. De Universiteit van California in Berkeley geeft hem die kans en zorgt ervoor dat het jonge stel in 1964 naar de Verenigde Staten verhuist. Martijn is dan nog geen dertig.

“Voor mijn zus Roosje werd Israël ook een belangrijke plek. Ze zocht me meerdere keren op in de jaren dat ik er woonde. Dan liepen we over de boulevard met mijn vrienden en zag ik haar opleven. We hadden discussies over het leven, over goed en kwaad. Vijftien jaar nadat mijn pleegouders en ik emigreerden, deed zij hetzelfde. Ze trouwde en kreeg drie kinderen. Eindelijk kon ook zij aan haar toekomst beginnen.”

Een droom

Tegelijkertijd is in die jaren in Nederland het rechtsherstel in volle gang. Vanaf augustus 1945 zet de Raad voor de Rechtsherstel zich in om het bezit dat door de Duitse bezetter ten onrechte is ingenomen terug te geven aan de rechtmatige eigenaars. Het is de wettelijke procedure dat voor minderjarige weeskinderen de rechtbank een bewindvoerder toewijst die dat afhandelt. Martijn kan zich niet herinneren hoe dit voor Roosje en hem is gegaan. Maar hij weet wel hoe het afliep. In zijn persoonlijke archief heeft hij een verklaring van notaris Drion uit Breda met de verdeling van hun erfenis.

“De huizen van mijn familie zijn na de oorlog aan mij en Roosje teruggegeven. Vrijwel alle huizen en appartementen gingen naar Roosje, maar de Mauritssingel 6-7 was voor mij. Dat huis was een droom. Daar zouden we met z’n allen gaan wonen. Ik wilde het houden en besloot het te verhuren. Dat dit ons eerder was afgenomen, is erg, maar toch lang niet zo ernstig als wat er met mijn hele familie was gebeurd. Dat alleen ik, Roosje, een oom en een tante van de familie over waren, vind ik nog altijd onbegrijpelijk. Waarom is dit ons overkomen? En waarom deden zoveel Nederlanders mee met Hitler? Met het ontvangen van de erfenis had ik feitelijk het bewijs dat mijn familie tijdens de oorlog was vermoord. Maar het geloven, dat deed ik nog steeds niet. En de geschiedenis accepteren, gebeurde nog veel later.”

Joods moraal

Martijn en Yaira krijgen in de VS drie kinderen: Daphne, Daniel en Ariel. Na Berkeley volgt San Diego, waar Martijn zijn postdoctoraal doet. “De academische wereld geeft me een doel, een duidelijke richtlijn, in mijn leven. En daarmee heel veel gelukkige jaren. Het maakte voor mij duidelijk wat ik doe, waar ik aan bijdraag in het leven. Het is ook een geweldige omgeving om in te verkeren, heel vooruitstrevend. Ik heb altijd met hele fijne mensen mogen werken.”

“Nu ben ik met pensioen, maar ik ga nog steeds elke dag naar mijn laboratorium voor mijn onderzoek naar een geneesmiddel voor prostaatkanker. Ik wil blijven ‘goed doen’, de moraal van het Jodendom. In mijn geval is dat proberen een heleboel mensen beter te maken. Dat heeft het geloof mij gebracht.”

Het belangrijkste proces

Het grootste deel van zijn leven wil Martijn niet over de oorlog praten. Hij kan het niet uitstaan als iemand erover begint en wil er niets mee te maken hebben. Want het brengt zijn familie toch niet terug. Ondertussen heeft hij gezondheidsklachten die huisartsen niet kunnen verklaren. Later blijkt dat ze worden veroorzaakt door een specifiek stresssyndroom waar met name Holocaustoverlevenden mee kampen.

Pas in de jaren negentig, hij is dan een zestiger, start hij zijn zoektocht. Aanleiding daarvoor is een oproep van het Rode Kruis waarin de organisatie nabestaanden aanbiedt de details van het overlijden van familieleden uit te zoeken. Hij meldt zich aan en wanneer Martijn de brief krijgt met het onderzoeksresultaat ziet hij het voor het eerst: de sterfdata en de vernietigingskampen waar ze werden vermoord. Het bewijs dat zijn familie slachtoffer is van de Holocaust. In de jaren die volgen, doet Martijn zelf vervolgonderzoek. Hij reist er ook een paar keer voor naar Nederland. Het wordt steeds duidelijker hoe het allemaal is gegaan. Maar de acceptatie is er nog niet. Het proces tegen John Demjanjuk in 2009, een kampbewaarder in vernietigingskamp Sobibor, verandert dat.

“Dat proces is heel goed voor mij geweest. Ik was gevraagd om een van de 22 aanklagers te zijn. Dit was een bewaker in het kamp waar mijn moeder, zus, broer en tante waren vermoord. Ik hoefde er niet over na te denken. Ik moest hun stem vertegenwoordigen, zo voelde dat.”

“Tijdens dat proces ontdekte ik eindelijk hoe de vork in de steel zat. De manier waarop de advocaten de feiten bespraken, zo serieus, dat maakte het dat ik het onder ogen kon zien. Het is echt gebeurd. Ik kon het eerder gewoon nooit bevatten. Tijdens het proces ontmoette ik ook mensen die precies hetzelfde hadden meegemaakt en waar ik veel van mezelf in herkende. Het trauma gaat nooit weg, maar je kunt leren om het af en toe te vergeten. Om het gevoel te omsingelen en niet bij de pakken neer te gaan zitten, maar proberen om iets te bereiken. Sommigen lijken wel broers, zoveel hebben we gemeen. We schrijven elkaar nog steeds ieder nieuwjaar.”

“Het is inmiddels geschiedenis voor mij, maar in sommige situaties komt het weer boven. Na het proces ben ik ook nog regelmatig naar Nederland geweest. In mijn eentje, om verder onderzoek te doen, maar ook met mijn kinderen en kleinkinderen. Ik heb ze alles laten zien: de Speelhuislaan met het brede trottoir, het ‘droomhuis’ aan de Mauritssingel met de wenteltrap waar ik uiteindelijk zelf nooit in heb gewoond. Ik moest het verkopen om een huis voor ons gezin te kunnen kopen in San Diego. We bezochten ook de grafstenen van mijn grootouders op de Joodse begraafplaats in Oosterhout. Breda heeft zelf nooit een Joodse begraafplaats gehad. Ik wilde het ze allemaal laten zien, want het is ook hun geschiedenis. We komen allemaal ergens vandaan.”

Jodenhaat

In het land waar hij geboren is, zal Martijn nooit meer gaan wonen. “Niet iedereen zal het met me eens zijn, maar voor Joden is er in Nederland geen plek. De Joodse gemeenschap heeft daar nooit echt de kans gekregen om te groeien. Er is nog steeds veel antisemitisme. Zelfs van de kleinzoon van de familie Hees, de familie die mij opnam met gevaar voor eigen leven, heb ik zulke opvattingen gehoord. Die hij in mijn aanwezigheid vertelde. Daar kan ik met mijn hoofd niet bij. Hij heeft nog nooit een Jood gezien, behalve mij. En het is zo’n aardige jongen. Na al die jaren begrijp ik nog steeds niet waar die haat tegen ons vandaan komt. Ik ben zelf toch echt wel een prettig persoon. Ik snap het niet, waarom?”

“Mijn zus Roosje heeft wat dat betreft veel, heel veel, meer geleden dan ik. Als jong Joods meisje, ondergedoken tussen katholieken, kreeg ze vaak te horen dat haar mensen slecht zijn en dat zij God zou hebben vermoord. Dit had grote impact op haar leven. De twijfel dat dit waar kon zijn, is nooit weggegaan.”

Bron: https://pointer.kro-ncrv.nl/artikelen/het-laatste-dat-mijn-moeder-zei-is-dat-ik-even-moet-vergeten-dat-ik-een-joodse-jongen-ben