Verhaal

De bakkersfamilie Weijl aan de Kloksteeg 3 in Leiden

Beknopt historisch overzicht

Gezicht in de Kloksteeg rond 1900, met op de voorgrond loopjongens. In witte bakkerskleding rechts (mogelijk) de dan ca. 15 jaar oude Joseph Michael Weijl. Collectie Erfgoed Leiden en Omstreken.


DE MENSEN ACHTER DE NAMEN

Ik zal proberen om Helena, Joseph Michael, Judith, Hanna en Alida Weijl, van wie het bestaan in de vernietigingskampen werd uitgewist, aan u voor te stellen. Dat is niet eenvoudig. De nazi’s zijn grondig te werk gegaan, want mijn zoektocht naar sporen van de Leidse bakkersfamilie Weijl heeft weinig opgeleverd. De gegevens, díe ik over de familie heb kunnen vinden, komen uit de archieven van Erfgoed Leiden en Omstreken. Het meeste kwam ik te weten over hun broer Louis Weijl, het enige gezinslid dat uit handen van de Duitsers wist te blijven, de oorlog overleefde en in vrijheid stierf. De levensbeschrijving van Louis' verdwenen broer en vier zussen zit echter vol gaten, die waarschijnlijk nooit zullen worden gedicht.
 
Het verhaal van de bakkersfamilie Weijl begint in 1879. In dat jaar verhuist de 25-jarige vrijgezel Michael Joseph Weijl van het Gelderse Lochem naar Leiden. Hij huurt er de bakkerij in de Kloksteeg nummer 3. Op 26 april 1880 plaatst de trotse bakker zijn eerste advertentie in het Leidsch Dagblad. Twee jaar later haalt Michael Joseph de 28-jarige Klaartje Kan uit Meppel naar Leiden. Hij trouwt met haar en koopt de bakkerij mét woonhuis voor fl 4.060,–. Vader en moeder Weijl worden lid van de kleine Nederlands-Israëlitische Gemeente Leiden. Op Sjabbat bidden ze in de synagoge op het Levendaal.

Michael en Klaartje krijgen zes kinderen. Vier meisjes: Helena, Judith, Hanna en Alida, en twee jongens: Louis en Joseph Michael. Ze voeden hun kinderen op volgens de joodse traditie. Zodra de vier oudste kinderen de lagere school hebben afgemaakt en hun leerplicht vervalt, worden ze van school gehaald om mee te helpen in de bakkerij. Van Louis en Joseph Michael wordt verwacht dat ze het bakkersvak in de praktijk leren, zodat ze later het familiebedrijf kunnen overnemen. De meisjes Helena en Judith helpen met bedienen in de bakkerswinkel. De jongste dochters Hanna en Alida – die kennelijk wel mogen doorleren – helpen buiten schooltijd met het klaarzetten van het bestelde brood en banket, zodat de bakkersleerlingen ze later per fiets kunnen bezorgen.

Naast broden verkoopt de bakkerij opvallend veel met gemberstroop gezoete bolussen, vooral aan Leidse studenten. De populariteit van dat gebak onder studenten komt doordat de Leidse schrijver Klikspaan ooit in de inleiding van zijn boek 'Studententypen' beweerde dat de bolus 'de enigst mogelijke versnapering in de pauzes tussen de colleges is'. De bolussen van Weijl winnen op de Nationale Bakkerijtentoonstelling een zilveren medaille. Als Hare Majesteit de Koningin Wilhelmina een trommeltje van het banket bestelt, mag Michael Joseph Weijl zich met recht ‘hofleverancier’ noemen.

Zoon Joseph Michael is een vlijtige leerling die aanleg én zin heeft om zijn vader op te volgen. Zijn één jaar oudere broer Louis is minder tevreden met dat toekomstperspectief. Zijn droom is het, om advocaat te worden. Hij weet dat hij daarvoor naar de universiteit moet. Iemand met alleen het getuigschrift van de lagere school, zoals hij, maakt geen kans om daar te worden toegelaten. Toch geeft de zwaar bebrilde Louis zich niet gewonnen. Hij besteedt al zijn vrije tijd – vaak ’s nachts – om zich voor te bereiden op het staatsexamen, waarvoor hij moet slagen om aan de universiteit te mogen studeren. Twaalf keer laat de staatsexamencommissie hem zakken op een onvoldoende voor meetkunde. De dertiende keer neemt Louis de brief van een bekende oogarts mee, die verklaart dat Louis’ buitengewoon slechte ogen hem hinderen bij het oplossen van meetkundige opgaven, maar dat er aan z’n verstand niets mankeert. Op zijn 37ste jaar mag hij dan eindelijk met zijn rechtenstudie beginnen.

De oudste twee dochters Weijl zitten ook niet stil: Helena en Judith leren zichzelf buiten werktijd het kleermakersvak aan. Als ze vinden dat ze goed genoeg zijn, richten ze boven de bakkerij een atelier in en plaatsen een advertentie in de krant waarbij ze hun kleermaakkunsten aanbieden als tailleuses.

Het één na jongste zusje Hanna is ook een slimme meid. Na de lagere school leert ze door voor makelaar. Als ze haar opleiding heeft afgemaakt verhuist ze naar Den Haag, waar ze wordt beëdigd als Nederlands eerste vrouwelijke directrice van een makelaarsbureau. Dat nieuws is zo bijzonder, dat het de voorpagina van een landelijk dagblad haalt. Hanna is het eerste kind, dat het ouderlijk huis verlaat.

Alida, de laatstgeborene, volgt na haar lagere school een opleiding tot accountant, haalt haar diploma Stenografie en vindt een baan als rijksambtenaar bij het Leidse Belastingkantoor. Vier jaar later wordt ze bevorderd tot Rijksklerk der 3e Klasse bij de Belastinginspectie in Haarlem. Een jaar later keert ze terug als Schrijver der 1e Klasse op de 2e Afdeling Inspectie van het Leidse Belastingkantoor. Ze blijft al die tijd in de Kloksteeg wonen.

Als vader Michael Joseph en moeder Klaartje zijn overleden, laat Joseph Michael de goedlopende bakkerij verbouwen en uitbreiden. De nog thuiswonende zussen Helena, Judith en Alida en broer Louis zijn dan al zo druk met hun eigen zaken dat ze steeds minder vaak beschikbaar zijn om een handje te helpen in de bakkerij. Om het bedrijf en het huishouden draaiend te houden neemt Joseph bakkersleerlingen en dagmeisjes aan.

Louis slaagt op zijn vijfenveertigste jaar voor zijn doctoraal examen Rechten. Als beëdigd advocaat en procureur opent hij een kantoor op de Breestraat. Hij verhuist zijn Leidse kantoor twee maal. Hij treedt regelmatig op als advocaat in strafzaken en faillisementen. Als Louis drie jaar later met de Litouwse Anne Gertrud Wittkus trouwt, verhuist het paar naar Den Haag. Louis is, na Hanna, het tweede kind dat het ouderlijk huis verlaat.

Op 30 november 1939 viert bakkerij Weijl haar 60-jarig bestaan. De feestvreugde wordt gedempt door de Duitse inval in Polen en de dreiging van een nieuwe wereldoorlog. Het bange vermoeden wordt werkelijkheid als Duitsland op vrijdag 10 mei 1940 om vijf voor vier ’s morgens Nederland aanvalt. Om de opmars van de vijand te vertragen, wordt die avond de straatverlichting in heel Nederland uitgeschakeld. Het Nederlandse leger bijt fel van zich af. Als straf voor die tegenstand bombardeert de Duitse Luftwaffe vier dagen later Rotterdam. Nederland legt daarop de wapens neer. Voor de Weijls en de andere Leidse joden breekt een onzekere tijd aan.

In augustus van dat jaar probeert een NSB-er brand te stichten in de Leidse synagoge. Dat mislukt, omdat de politie van tevoren weet wat er zal gebeuren. Verdekt opgestelde agenten wachten de aanslagpleger op en houden hem aan.

In oktober komen de eerste beperkende maatregelen tegen joden. Alle in overheidsdienst werkzame personen moeten een Ariërverklaring tekenen, waarbij ze de vraag moeten beantwoorden of ze al dan niet van joodse afkomst zijn. Of rijksambtenaar Alida de verklaring tekent, is onzeker. Zeker is, dat ze enkele weken later wordt ontslagen bij de Belastingdienst. De Duitsers zetten hun ‘zuiveringsplannen’ voort, door – ondanks het felle protest van de Leidse hoogleraren – alle joodse medewerkers van de Leidse Universiteit te ontslaan.

Op 30 december 1940 plaatst Joseph Michael, als (over?)moedige blijk van vertrouwen in de toekomst, een advertentie in het Leidsch Dagblad, waarin hij 'Weijl's Beroemde Gember- en Amandelbolussen voor Oudejaarsavond' aanprijst. Joseph Michael’s optimisme blijkt onterecht. Om de joden in het nieuwe jaar nog verder in het nauw te brengen worden ‘personen van geheel of gedeeltelijk joodse bloede’ verplicht zich bij het bevolkingsregister te melden. Weigering wordt opgevat en bestraft als een misdrijf. Op last van de Duitse Generalkommissaris worden twee vette letters ‘J’ als brandmerk in de persoonsbewijzen van de familie Weijl gestempeld.

De oorlog is nog net geen twee jaar oud, als op last van de Procureur Generaal begonnen wordt met het plaatsen van borden met het opschrift ‘VERBODEN VOOR JODEN’ bij winkels, café’s, theaters, zwembaden en plantsoenen. Overtreders riskeren een boete van fl. 1.000,– of een half jaar gevangenisstraf. De volgende stap in het isoleren van de ‘Jood’ is, alle joden boven de zes jaar te verplichten om op de openbare weg een duidelijk zichtbare gele Jodenster te dragen. De vijf gezinsleden Weijl worden gedwongen twintig Jodensterren te kopen: vier per persoon. Nog geen twee maanden later mogen ze geen gebruik meer maken van het openbaar vervoer, ze mogen niet op bezoek bij niet-joodse vrienden, geen gebruik maken van telefooncellen en moeten van acht uur ’s avonds tot zes uur ’s morgens verplicht thuis blijven. Doel van die ‘avondklok’ is om het oppakken van joden tijdens die avonduren te vergemakkelijken.

Op 21 november 1942 wordt makelaarszus Hanna als eerste gezinslid in Den Haag opgepakt en naar het doorgangskamp Westerbork weggevoerd. Ze wordt op transport gezet naar het vernietigingskamp Auschwitz. Na haar aankomst op 3 december 1942 wordt ze direct vergast. Het is onbekend hoe lang het duurde, voordat de Leidse familie van haar lot hoorde.

Begin 1943 komt alles in een stroomversnelling. In januari doet de verzetsman Frans van der Reyden een poging om Joseph Michael met zijn drie zussen onder te laten duiken, maar Joseph Michael weigert het aanbod, omdat hij denkt dat de oorlog snel voorbij zal zijn. In februari verslechtert de situatie dusdanig, dat de Weijl’s zich bedenken en hun sieraden, het bestek en andere kostbaarheden in bewaring geven aan bekenden en buren voor het geval ze toch mochten worden opgepakt.

In de nacht van 5 op 6 maart 1943 vindt de eerste razzia in Leiden plaats. Op last van het hoofd van de Sicherheitspolizei, SS-Sturmscharführer Fischer, worden 33 joden aangehouden. Bij de tweede razzia, op woensdagmiddag 17 maart 1943, omsingelen 25 Leidse politieagenten om kwart over vijf het Leidse joodse weeshuis aan de Roodenburgerstraat. Onder leiding van de Duitsers worden 51 weeskinderen en 9 begeleiders opgepakt. Diezelfde avond nog werken Leidse politieagenten - twee aan twee - een lijst met ‘joodse adressen’ af, om 41 niet-ondergedoken joden, waaronder Helena, Joseph Michael, Judith en Alida Weijl, op te halen. De arrestanten mogen hun laatste bezit in een koffer of een kussensloop proppen. Onder politiebewaking lopen ze met de andere opgepakte joden via de Breestraat naar het station. Daar staan oude wagons klaar met voor elke deur een agent van de Grüne Polizei om de ‘lading’ te bewaken. Pas na enkele uren worden de wagons aan een stokoude stoomlocomotief gekoppeld, die hen in de nacht van 17 op 18 maart naar het doorgangskamp Westerbork afvoert.

Op zondag 21 maart 1943 vieren de bewoners in de barakken van Westerbork Poerim, waarbij wordt herdacht dat op deze dag het lot van het joodse volk, dat ooit in ballingschap leefde in het Perzische Rijk, een wending nam en Esther het plan van de Perzische koning, ‘om te verdelgen, doden en uitroeien alle joden, van knaap tot grijsaard, zelfs kinderen en vrouwen, op één dag’, wist te verijdelen.

Op dinsdag 23 maart 1943 worden 1.250 joden – waaronder de familie Weijl en de kinderen en het personeel van het Leidse joodse weeshuis ­– in veewagens geladen. Vanuit Westerbork vertrekken ze naar het vernietigingskamp Sobibor in Polen, waar ze drie dagen later aankomen. Op vrijdag 26 maart 1943 worden Helena - 60 jaar, Joseph Michael - 57 jaar, Judith - 56 jaar en Alida - 50 jaar bij aankomst in de gaskamers van vernietigingskamp Sobibor vermoord. 271 andere Leidse joden ondergaan hetzelfde lot.

Op 14 april 1943 wordt de bakkerij van Weijl door de Duitse roof-firma Omnia Treuhand GmbH ‘geliquideerd’. De opbrengst wordt bijgeschreven op de rekening van het Derde Rijk.

Na de oorlog keren slechts 219 van de 490 Leidse joden uit de Duitse kampen of de onderduik naar Leiden terug.

In 1946 wordt Louis Weijl, advocaat en procureur, Riouwstraat 210, Den Haag, 62 jaar oud, benoemd tot bewindvoerder voor zijn vermoorde broer en zusters. Hij verzoekt om aangifte van verschuldigde geld en goederen. Op 22 november 1948 plaatst Louis een oproep in het Leidsch Dagblad, waarin hij drie met name genoemde personen (waaronder twee buurvrouwen uit de Kloksteeg 11a en twee collega's van Alida op het Belastingkantoor) en alle bekende en onbekende bewaarnemers met klem verzoekt alle gelden en/of geldwaarden en/of goederen die zij van Joseph Michael en zijn zusters in bewaring hebben genomen en niet volledig aan de bewindvoerder hebben gemeld, alsnog af te dragen. In een schrijven van 1 december 1948 verklaren de genoemde personen zich volkomen gekweten te hebben van de verplichting tegenover de aangewezen bewindvoerder.

Op 22 maart 1955 tekent Louis een petitie van de Actie Anti-Gratieverlening Oorlogsmisdadigers uit Amsterdam, tegen de omzetting van de doodstraf in levenslang voor de leiders van de “Zentralstelle für Jüdische Auswanderung”: de nazi Aus der Fünten en ‘Judenfischer’ Fischer – de jodenjager die de dood van zijn broer en zussen op zijn geweten heeft.

Op 30 september 1958 overlijdt Louis, 74 jaar oud, in Den Haag. Hij laat zich in Driehuis-Westerveld bij IJmuiden cremeren.

Nagekomen berichten:

Ook nog vermeldenswaard is, dat Louis Weijl op 2 juli 1934 een verzoek bij de Leidse Gemeenteraad indient om een klokkenspel aan te brengen in de toren van het nieuw te bouwen stadhuis dat het in 1929 door brand verwoeste complex moet vervangen. Dat carillon komt er ruim 6 jaar later. In 1940 worden de klokken in de Stadhuistoren gehangen om er drie jaar later door de Duitse bezetter – in het kader van het "Beschikkingsgebod metalen” – te worden uitgeroofd. Het carillon wordt in 1951 weer in ere hersteld. Het klokkenspel is tot de dag van vandaag een lust voor het oor.