Verhaal

In Memoriam

Sigmund Alpern is de zoon van Ytzkhak Alpern en Rakhel Alpern-Eisig. Sigmund wordt geboren in de Oekraïne.

Therese (‘Resi’) Rothschild en Alwine (‘Wine’) Rothschild zijn de dochters van Julius Rothschild en Adelheid Rothschild-Rothmann. Beiden worden in Duitsland geboren.

Sigmund dient in de Eerste Wereldoorlog als frontsoldaat in het Oostenrijkse leger en loopt een verwonding op door een bajonet, dit wordt later een litteken. In 1916 en 1917 krijgt hij respectievelijk buiktyphus en malaria, waarschijnlijk betreft dit de periode dat hij in het leger dient.

Sigmund en Therese trouwen op 15 september 1921 in het Duitse Charlottenburg, een stadsdeel van Berlijn. Het religieuze huwelijk vindt vermoedelijk plaats op 25 september 1921.
Het echtpaar verlaat Berlijn en emigreert naar Nederland. Op 9 november 1937 vestigen Sigmund en Therese zich in Haarlem, Orionweg 40. De vrouw, die toen als jong meisje bij hen in de straat woont, weet zich in 2018 nog te herinneren dat Therese dan huisvrouw is en Sigmund in tapijten handelt. In Apeldoorn staat Sigmund ingeschreven als koopman.

Alwine, de zus van Therese, trouwt in 1906 in Engeland met Alex Mossner. Een kleine zes jaar later scheiden zij van elkaar. Alwine komt in 1938 uit Berlijn naar Haarlem. Op 23 november 1938 hertrouwt ze daar met de twintig jaar jongere Mozes Koekoek. Opvallend is dat haar man een half jaar later, in april 1939, naar Den Haag vertrekt. Na vijf maanden verlaat ook Alwine Haarlem, het is dan september 1939. Zij verhuist naar Amsterdam en werkt daar als dienstbode. In januari 1940 keert zij weer terug naar Haarlem en gaat opnieuw bij haar zus en zwager wonen, in de Orionweg.

Op 17 oktober 1940 vertrekken Sigmund, Therese en Alwine vanuit Haarlem naar Apeldoorn, waar ze in een huurhuis in de Van Kinsbergenstraat gaan wonen op nummer 3. Dit blijft ook hun enige adres in Apeldoorn. De bezetter heeft hen namelijk verplicht het kustgebied te verlaten, onder de noemer van een Joden-vrije zone in het kust-verdedigingsgebied, gericht tegen de statenloze Duitse vluchtelingen.

Loe de Jong schrijft in zijn boek: ‘De strekking van deze maatregelen was, het verrichten en doorgeven van waarnemingen die van militair belang konden zijn, te bemoeilijken’. Of zoals een andere bron beschrijft: Juist deze vluchtelingen zouden tijdens de Slag om Engeland mogelijk lichtsignalen vanuit het kustgebied kunnen zenden naar de [lees: in Duitse ogen] vijandelijke schepen. Vanuit Haarlem zijn honderdtwintig vluchtelingen uit het kustgebied gezet.

Mozes en Alwine scheiden van elkaar, wanneer is onbekend. Wel is bekend dat Mozes zich nooit als inwoner van Apeldoorn laat registeren.

Op 10 januari 1943 sturen Therese en Alwine vanuit huis een brief aan mevrouw de Vries uit Haarlem, hun vriendin en ook hun vroegere buurvrouw. Enkele passages: “Vanuit onze nieuwe kennissenkring zijn al veel mensen weg naar Westerbork of Polen.” En: “Ons gaat het anders tamelijk goed, als er niet deze onzekerheid was weggestuurd te worden. Wij leven alleen maar in de hoop dat deze vreselijke oorlog gauw te eind gaat, anders kan men niet meer staande te zien.” De brief lijkt op een soort afscheid, want er wordt elkaar het beste toegewenst en aan iedereen de groeten gedaan. Ook aan de manier van schrijven is te merken dat het een laatste bericht zou kunnen zijn.

Van Siegmund is er een ongedateerd, zogenoemd ‘Gesuch’-document bewaard gebleven. Dit is een verzoek gericht aan de Joodsche Raad, afdeling ‘Expositur’. Hierin probeerden Joden die zich moesten melden voor overbrenging naar kamp Westerbork, om uitstel te verkrijgen voor werk in een werkkamp in het Oosten (het betreft hier geen werkkamp in Nederland, maar het voorspiegelen van een werkkamp in Duitsland of bezet Polen). In een enkel geval werd een ‘Gesuch’ ook ingediend in het doorgangskamp. Op het ingediende verzoek wordt genoemd dat Siegmund het ‘Tapferkeitsmedaille’ toegekend heeft gekregen: een onderscheiding van moed binnen het Oostenrijks-Hongaars leger tot aan het eind van de Grote Oorlog. Ook wordt genoemd dat hij het ‘Karl Truppen-Kreuz’ heeft mogen ontvangen: dit betekent dat Siegmund ten minste twaalf weken aan het front heeft gediend, en heeft deelgenomen aan ten minste één veldslag in de Balkan, Rusland of Italië. Ten slotte heeft hij het ‘Ehrenkreuz des Weltkrieges’ (ofwel: ‘Ehrenkreuz für Frontkämpfer’) toegekend gekregen: de onderscheidingen kwamen twintig jaar na de start van de Grote Oorlog beschikbaar.

Sigmund, Therese en Alwine worden op 19 januari 1943, samen met andere Apeldoornse Joden, op het terrein van het Apeldoornsche Bosch geïnterneerd. Er is een getuige die schrijft dat enkele Joden die deze dag geïnterneerd werden ‘allerlei bezit, tot aan meubelen aan toe’ vanuit hun huis naar het Apeldoornsche Bosch lieten overbrengen; het is goed denkbaar dat vele Joden geen enkel idee hebben gehad van hetgeen hen te wachten stond.

Na de ontruiming van deze Joodse psychiatrische instelling worden ze in de ochtend van 22 januari 1943 naar Kamp Westerbork gedeporteerd. Alwine wordt op dinsdag 2 maart 1943 naar het toen nog onbekende Sobibor gedeporteerd. Het is het allereerste transport uit Nederland naar dit vernietigingskamp. Bij de eerste twee transporten naar Sobibor worden nog personentreinen ingezet in plaats van de latere veewagons.

Alwine zit in één van de vierentwintig wagons die transport 52 telt. Ze komt op 5 maart 1943 met 1104 andere gedeporteerden in Sobibor aan. Meteen na aankomst wordt zij in de gaskamer van het leven beroofd. Niemand uit dit transport overleeft de oorlog.

Sigmund en zijn vrouw Therese verblijven lange tijd in Kamp Westerbork, in totaal veertien maanden. Reden is dat Sigmund in de Eerste Wereldoorlog aan de kant van de Duitsers heeft gevochten; deze groep Joden wordt nog niet direct naar het Oosten gedeporteerd. Vanuit barak 73 (woonbarak voor gedoopten) schrijft Sigmund op 5 februari 1943 een verhuisbericht; het kamp is hun nieuwe correspondentieadres.

Sigmund en Therese worden op woensdag 5 april 1944 vanuit het kamp naar het Oosten gedeporteerd. Therese sterft in concentratiekamp Ravensbrück. Sigmund wordt via Bergen-Belsen naar Buchenwald gedeporteerd. In de tijd dat Sigmund in Buchenwald is geïnterneerd, worden er diverse registratiedocumenten aangemaakt, hierop staat onder andere vermeld dat hij 1 meter 68 lang is, een ovaal gezicht heeft, bruine ogen, een brede mond en in zijn nek een litteken, opgelopen in de Eerste Wereldoorlog. Een soortgelijk document vermeldt dat hij 1 meter 58 lang is en 61 kilo weegt. Tenslotte is hij verziend en draagt hij om die reden een bril. Ook is er een ‘portretfoto’ van hem gemaakt, die in het concentratiekamp als identificatiemiddel gebruikt kan worden. Hij krijgt gevangene-nummer 29880 toegewezen.

Er is een mogelijkheid dat Sigmund daarna in Theresienstadt heeft vastgezeten. De datum en plaats van overlijden van Sigmund zijn onbekend, deze zijn na de oorlog bij wet vastgesteld.

Bronnen: Voormalig buurmeisje van de familie Alpern, ‘Jood en Europeaan: Barend Chapon’ door Wim de Wagt, stichting Sobibor, ‘Koninkrijk der Nederlanden’ door Loe de Jong, Stichting Herdenking Joodse Vervolgingsslachtoffers Alphen aan den Rijn, ‘Waar ze ook heen gaan, ze hebben in elk geval mooi weer' door Kees Visschedijk, Stadsarchief Amsterdam, gemeentearchief Haarlem en het Westerbork Portret. Digitaal Joods Monument, CODA Archief Apeldoorn, Erica adresboek van Apeldoorn, Yad Vashem, het Gelders Archief, afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork en het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters. Foto: Tweede van links, achterste rij is Alwine - eerste van rechts, achterste rij is Therese.

31 januari 2021