Aanvulling

Biografie Sigmund, Therese en Alwine

Sigmund Alpern is de zoon van Ytzkhak Alpern en Rakhel Alpern-Eisig. Sigmund wordt geboren in de Oekraïne. Therese (‘Resi’) Rothschild en haar zus Alwine (‘Wine’) Rothschild zijn de dochters van Julius Rothschild en Adelheid Rothschild-Rothmann. Beiden worden in Duitsland geboren.

Sigmund dient in de Eerste Wereldoorlog als frontsoldaat in het Oostenrijkse leger en loopt een litteken op door een bajonet. Sigmund en Therese trouwen op 15 september 1921 in het Duitse Charlottenburg, een stadsdeel van Berlijn. Het echtpaar verlaat Berlijn en emigreert naar Nederland. Op 9 november 1937 vestigen Sigmund en Therese zich in Haarlem, aan de Orionweg 40. De vrouw, die toen als jong meisje bij hen in de straat woont, weet zich in 2018 nog te herinneren dat Therese dan huisvrouw is en Sigmund in tapijten handelt. In Apeldoorn staat Sigmund ingeschreven als koopman.

Alwine, de zus van Therese, trouwt in 1906 in Engeland met Alex Mossner. Een kleine zes jaar later scheiden zij van elkaar. Alwine komt in 1938 uit Berlijn naar Haarlem. Op 23 november 1938 hertrouwt ze daar met de twintig jaar jongere Mozes Koekoek. Opvallend is dat haar man een half jaar later, in april 1939, naar Den Haag vertrekt. Na vijf maanden verlaat ook Alwine Haarlem, het is dan september 1939. Zij verhuist naar Amsterdam en werkt daar als dienstbode. In januari 1940 keert zij weer terug naar Haarlem en gaat opnieuw bij haar zus en zwager wonen, in de Orionweg op nummer 40.

Op 17 oktober 1940 vertrekken Sigmund, Therese en Alwine vanuit Haarlem naar Apeldoorn, waar ze in een huurhuis in de Van Kinsbergenstraat gaan wonen op nummer 3. Dit blijft ook hun enige adres in Apeldoorn. De bezetter heeft hen namelijk verplicht het kustgebied te verlaten, onder de noemer van een Joden-vrije zone in het kust-verdedigingsgebied, gericht tegen de statenloze Duitse vluchtelingen. 

Loe de Jong schrijft in zijn boek: ‘De strekking van deze maatregelen was, het verrichten en doorgeven van waarnemingen die van militair belang konden zijn, te bemoeilijken’. Of zoals een andere bron beschrijft: Juist deze vluchtelingen zouden tijdens de Slag om Engeland mogelijk lichtsignalen vanuit het kustgebied kunnen zenden naar de [lees: in Duitse ogen] vijandelijke schepen. Vanuit Haarlem zijn honderdtwintig vluchtelingen uit het ‘kustgebied’ gezet.

Mozes en Alwine scheiden van elkaar, wanneer is onbekend. Wel bekend is dat Mozes zich nooit als inwoner van Apeldoorn laat registeren.

Op 10 januari 1943 sturen Therese en Alwine vanuit huis een brief aan mevrouw de Vries uit Haarlem, hun vriendin en ook hun vroegere buurvrouw. Enkele passages: “Vanuit onze nieuwe kennissenkring zijn al veel mensen weg naar Westerbork of Polen.” En: “Ons gaat het anders tamelijk goed, als er niet deze onzekerheid was weggestuurd te worden. Wij leven alleen maar in de hoop dat deze vreselijke oorlog gauw te eind gaat, anders kan men niet meer staande te zien.” De brief lijkt op een soort afscheid, want er wordt elkaar het beste toegewenst en aan iedereen de groeten gedaan. Ook aan de manier van schrijven is te merken dat het een laatste bericht zou kunnen zijn.

Sigmund, Therese en Alwine worden rond 19 januari 1943, samen met andere Apeldoornse Joden, op het terrein van het Apeldoornsche Bosch geïnterneerd. Na de ontruiming van deze Joodse psychiatrische instelling worden ze op 22 januari 1943 naar Kamp Westerbork gedeporteerd. Alwine wordt op dinsdag 2 maart 1943 naar het toen nog onbekende Sobibor gedeporteerd. Het is het allereerste transport uit Nederland naar dit vernietigingskamp. Bij de eerste twee transporten naar Sobibor worden nog personentreinen ingezet in plaats van de latere veewagons. 

Alwine zit in één van de vierentwintig wagons die transport 52 telt. Ze komt op 5 maart 1943 met 1104 andere gedeporteerden in Sobibor aan. Meteen na aankomst wordt zij in de gaskamer van haar leven beroofd. Niemand uit dit transport overleeft de oorlog.

Sigmund en zijn vrouw Therese verblijven lange tijd in Kamp Westerbork, in totaal veertien maanden. Reden is dat Sigmund in de Eerste Wereldoorlog aan de kant van de Duitsers heeft gevochten; deze groep Joden wordt nog niet direct naar het Oosten gedeporteerd. Vanuit barak 73 schrijft Sigmund op 5 februari 1943 een verhuisbericht; het kamp is hun nieuwe correspondentieadres. 

Sigmund en Therese worden op woensdag 5 april 1944 vanuit het kamp naar het Oosten gedeporteerd. Therese sterft in concentratiekamp Ravensbrück. Sigmund wordt via Bergen-Belsen naar Buchenwald gedeporteerd. In de tijd dat Sigmund in Buchenwald geïnterneerd zit worden er diverse registratiedocumenten aangemaakt, hierop staat onder andere vermeld dat hij 1 meter 68 lang is, een ovaal gezicht heeft, bruine ogen, een brede mond en in zijn nek een litteken, opgelopen in de Eerste Wereldoorlog. Een soortgelijk document vermeld dat hij 1 meter 58 lang is en 61 kilo weegt. Ook is er een ‘portretfoto’ van hem gemaakt die als identificatiemiddel kan dienen.

Er is een mogelijkheid dat hij daarna in Theresienstadt heeft vastgezeten. De datum en plaats van overlijden van Sigmund zijn onbekend, deze zijn na de oorlog bij wet vastgesteld.

Voormalig buurmeisje van de familie Alpern, International Tracing System te Bad-Arolsen, ‘Jood en Europeaan: Barend Chapon’ door Wim de Wagt, stichting Sobibor, ‘Koninkrijk der Nederlanden’ door Loe de Jong, Stichting Herdenking Joodse Vervolgingsslachtoffers Alphen aan den Rijn, ‘Waar ze ook heen gaan, ze hebben in elk geval mooi weer' door Kees Visschedijk, Stadsarchief Amsterdam, gemeente-archief Haarlem en het Westerbork Portret. Digitaal Joods Monument, CODA Archief Apeldoorn, Erica adresboek van Apeldoorn, Yad Vashem, het Gelders Archief, afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork en het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters. 

10 augustus 2019