Aanvulling

Biografie gezin Cozijn-Cohen

Karel Cozijn is de zoon van huis-, plafond- en letterschilder Mozes Cozijn en Esther Samas. Karel groeit op in Amsterdam met vier zussen en drie broers. Zijn moeder en zijn zus Roza overleven als enigen van het gezin de oorlog. De overige gezinsleden komen gedurende de oorlog om in de vernietigingskampen.

Ruth Klara Cohen is de dochter van kleermaker Wilhelm Cohen en Elisabeth Friesem. Zij groeit op in Duitsland. Zowel Ruths ouders als haar drie zussen en haar broer komen om in de vernietigingskampen.

Karel gaat in de winter van 1931 in militaire dienst, hij wordt ingedeeld in de 1e Compagnie van het 18e Regiment Infanterie. Hij ontvangt per dag een kleine vergoeding. Na zijn dienstplicht wordt hij een paar keer opgeroepen om aan oefeningen deel te nemen. Uit de administratie blijkt dat hij 1 meter 66 lang is, verder zijn er over hem er geen opvallende lichamelijke kenmerken genoteerd. In dezelfde administratie is vastgelegd dat Karel behanger is. In het archief van Amsterdam is te vinden dat hij ook over een marktvergunning beschikt. Het is mogelijk dat Karel zijn werk als behanger heeft gecombineerd met dat van marktkoopman, om in periodes met weinig klussen zijn loon aan te vullen. In de jaren dertig laat hij enkele malen een advertentie in het Nieuw Israëlietisch Weekblad zetten, waarbij hij zijn familie, vrienden en clientèle een voorspoedig Joods Nieuwjaar wenst (“Moge uw naam in het Boek des Levens staan”); in deze advertenties noemt hij zichzelf behanger en stoffeerder.

Een paar jaar later, op 28 januari 1937, trouwt Karel met Ruth Klara. De plechtigheid vindt plaats in Amsterdam. In mei van datzelfde jaar krijgt Karel een baan als behanger en stoffeerder bij het Apeldoornsche Bosch. Het lijkt erop dat hij zijn hoogzwangere vrouw nog even in Amsterdam laat wonen; dochter Juliana wordt daar geboren, Karel is dan acht dagen eerder met zijn nieuwe baan begonnen. Als Juliana ongeveer zes weken oud is, verhuist zij met haar moeder naar Apeldoorn. Het gezin betrekt op 20 juli 1937 een huis aan de Doggersbank op nummer 125; na de oorlog wordt dat Kruizemuntstraat 62.

In februari 1938 dient Karel voor het laatst in het Nederlandse leger. Maar tijdens de algehele mobilisatie, eind augustus 1939, wordt hij weer opgeroepen; het Nederlandse leger bereidt zich voor op mogelijke oorlogsdeelname. Karel wordt ingedeeld bij het 7e Regiment. In de meidagen van 1940 wordt hij ingezet bij de verdediging van de Grebbelinie. Het regiment is hoogstwaarschijnlijk niet daadwerkelijk in gevecht gekomen met de vijandelijke troepen; het totale Nederlandse leger kan geen weerstand bieden aan de Duitse overmacht. Op 14 mei 1940 geeft Nederland zich over. Drie weken later krijgt Karel officieel ‘groot verlof’.

De zus van Ruth Klara, Irmgard, woont van november 1937 tot mei 1938 in Apeldoorn, ze verhuist vervolgens naar Amsterdam. Haar twee jongste zusjes en haar broertje wonen in 1938 nog in Duitsland. Na de Kristallnacht in Duitsland worden deze drie kinderen door hun ouders naar Nederland gestuurd. Daar worden ze uiteindelijk in verschillende opvanghuizen ondergebracht. Zus Edith besluit in maart 1939 een brief naar het KIndercomité te schrijven, met het verzoek om alle kinderen op één adres onder te brengen. In augustus 1939 krijgt broertje Leo van het tehuis, waar hij verblijft, toestemming om een maand bij zijn zus Ruth Klara en zijn zwager Karel in Apeldoorn te logeren. Kort voor de oorlog, in maart 1940, gaan Leo en zijn twee zussen bij hun ouders wonen, die op dat moment in Kamp Westerbork verblijven. Het kamp is dan een vluchtelingenkamp voor Duitse Joden.

In maart 1940 krijgen Karel en Ruth Klara een zoon, Mischa, bijna twee maanden voor het uitbreken van de oorlog. Midden in de oorlog, in februari 1942, wordt hun zoon Willy geboren.

Op 22 januari 1943 worden Karel, Ruth Klara en hun drie kinderen in Kamp Westerbork geregistreerd. Hun jongste zoon Willy is dan nog geen elf maanden oud. Ruth Klara ontmoet hier haar ouders.

Het gezin Cozijn wordt op woensdag 17 maart 1943 met transport 54 naar Sobibor gedeporteerd. Het transport telt eenentwintig wagons en in totaal 964 gedeporteerden. Het gezin komt na enkele dagen in Sobibor aan. Een getuigenverslag van Elias (Alex) Cohen meldt in het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters het volgende over de aankomst in Sobibor: In de nacht van vrijdag op zaterdag kwamen wij tegen ongeveer twaalf uur aan. Het was natuurlijk donker. Het eerste wat wij hoorden was een geweldig geschreeuw van de moffen. Wij moesten langs een pad lopen en daarna voor een rieten afscheiding blijven staan. De vrouwen en kinderen moesten doorlopen en verdwenen door een poort. We hoorden wel de lorries waar de zieken op werden gegooid en ook steeds maar gegil en geschreeuw. De mannen stonden dus nog voor dat hek en toen de trein leeg was vroeg een mof of er enige doktoren en verpleegsters onder ons waren. Die moesten “austreten”. Daarna vroeg hij om arbeiders tot 35 jaar. Omdat het er te weinig waren verhoogde hij de leeftijd tot 40 jaar. Ik heb mij ook aangemeld en toen we daar op een rijtje stonden vroeg hij ons, wat we waren. Ik zei dat ik metaalarbeider was en moest met nog een aantal anderen een eindje verderop gaan staan. De bagage moesten we laten staan en zoals we daar stonden moesten we weer in dezelfde trein als waarmee wij gekomen waren.

Deze getuigenis maakt duidelijk dat de vijf gezinsleden Cozijn bij de rieten afscheiding van elkaar worden gescheiden. Ook dat Karel, die jonger is dan 35 jaar, zich ofwel niet heeft gemeld als arbeider, ofwel door de Duitsers niet als ‘nuttige kracht’ wordt beschouwd en daarom niet wordt meegenomen met de trein. Karel wordt net als zijn vrouw en kinderen, op de dag van aankomst vermoord.

Digitaal Joods Monument, CODA Archief Apeldoorn, Erica adresboek van Apeldoorn, Yad Vashem, het Gelders Archief,afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork, het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters en Duitse OorlogsKinderen In Nederland en het Ministerie van Defensie. 

13 juni 2019