Verhaal

Biografie familie Hermann

Moritz Hermann en Alfred Hermann zijn de zonen van groothandelaar Jakob Hermann en Klara Hermann-Sinz. Het echtpaar krijgt nog drie kinderen.

Moritz dient in de Eerste Wereldoorlog als frontsoldaat. Ook zijn broer Friedrich (Fritz) Karl is in deze periode soldaat. Hij komt in 1915 om in de strijd. In 1927 verhuist het gezin van Heldenbergen naar Hanau. Kort daarna sterven de ouders, anderhalf jaar na elkaar, respectievelijk in 1929 en 1930.

Moritz neemt na de Eerste Wereldoorlog een molen over in Hanau. Later nemen zijn zus Johanna Löbenstein-Hermann (*1893) en haar man de molen over. Johanna, haar man en hun oudste dochter komen eind januari 1943 om in Auschwitz. Hun jongste dochter weet een paar jaar eerder naar Engeland te ontkomen. Vermoedelijk is zij in 1940 tijdens een bombardement op Londen om het leven gekomen.

Moritz gaat na de verkoop van de molen als inkoper aan de slag bij warenhuis Leonhard Tietz. Als hij als Jood ontslag krijgt, heeft hij geen inkomen meer. Hij wordt lid van de illegale (verzets)groep: Gruppe Des Reichsbanners. Deze groep wordt geleid door Paul Apel. Moritz wordt gearresteerd en staat met twintig andere personen terecht. Het oordeel van de rechtbank in 1936 luidt als volgt: "Moritz is nooit politiek actief geweest, hij heeft gezondheidsklachten aan de lever, het valt niet aan te tonen dat hij zich, door de ondersteuning die hij aan de SPD (Sozialdemokratische Partei Deutschlands) heeft geboden, zich verbonden heeft gevoeld bij hun doelen en gedachtegoed. Daarom wordt hij schuldig geacht aan het bieden van hulp en voorbereiding tot hoogverraad. En gezien het feit dat hij zich de zwaarte van zijn hoogverraad wel degelijk bewust was, is hij ook schuldig aan het begaan van een misdrijf."

Moritz wordt gezien als staatsvijand en krijgt een celstraf van één jaar opgelegd. Tijdens zijn detentie wordt hij op grond van zijn gezondheid vervroegd vrijgelaten. Hij gaat naar een ziekenhuis om zijn leveraandoening te laten behandelen. Na het ontslag uit het ziekenhuis ontvlucht hij het land. Met deze laatste daad wordt hij (opnieuw) gezien als staatsvijand.

Lotte Elias is de dochter van Max Elias en Minna Elias-Weingarten. Zij wordt in het Duitse Erle geboren, het huidige Gelsenkirchen. Ze heeft één broer, Erich Elias (*1906).

Op 12 juni 1911, Lotte is dan een jaar en één week oud, overlijdt haar moeder. Met haar vader en haar broer verhuist Lotte naar Herne. Haar vader hertrouwt in 1912 met de Duitse Helene Löwenstein. Uit dit huwelijk wordt in 1913 Lotte’s halfzusje geboren, Gerda.

Lotte werkt in Herne als verkoopster in een textielhandel. Samen met haar broer bezoekt zij de familie van hun overleden moeder en zo komt Lotte via een neef in contact met Alfred Hermann, die later haar echtgenoot zal worden.

Tussen 1932 en 1934 is Lotte kindermeisje bij de familie Josephs in Hameln an der Weser. Op 5 februari 1934 gaat ze in Rotterdam bij haar vader en tweede moeder wonen. Door haar buitenlandse nationaliteit kan ze geen werk op haar vakgebied, de zorg voor kinderen, vinden. Daarom gaat ze bij haar vader in het bedrijf werken. Haar vader is met haar broer Erich een groothandel in toiletzeep begonnen. Een kleine erfenis die de familie heeft ontvangen, maakt dit mogelijk.

In deze periode komt Alfred uit Duitsland zonder een cent op zak naar Rotterdam. Ook zijn broer Moritz vlucht naar Nederland. Alfred krijgt een verblijfsvergunning, op voorwaarde dat hij met Lotte trouwt; zij geven elkaar op 6 maart 1935 in Rotterdam het ja-woord.

Als Nederland op 10 mei 1940 plotseling wordt aangevallen door nazi-Duitsland, slaat de paniek toe onder de Nederlandse bevolking. Lotte woont op dat moment nog in Rotterdam. Haar vader, Max Elias, komt enkele dagen later, op 14 mei 1940, om het leven tijdens het nazi-bombardement op Rotterdam.

Moritz, Alfred, Lotte en Helene Elias-Löwenstein vertrekken in oktober 1940 naar Apeldoorn. De bezetter heeft hen namelijk verplicht het kustgebied te verlaten, dit onder de noemer van een Joden-vrije zone in het kust-verdedigingsgebied, een maatregel gericht tegen de statenloze Duits-Joodse vluchtelingen.

Loe de Jong schrijft in zijn boek: ‘De strekking van deze maatregelen was, het verrichten en doorgeven van waarnemingen die van militair belang konden zijn, te bemoeilijken’. Of zoals een andere bron beschrijft: Juist deze vluchtelingen zouden tijdens de Slag om Engeland mogelijk lichtsignalen vanuit het kustgebied kunnen zenden naar de [lees: in Duitse ogen] vijandelijke schepen.
Op 28 oktober 1940 betrekken zij een huis aan de Badhuisweg op nummer 81, op 10 december verhuizen zij in dezelfde straat naar nummer 97 II. Alfred is volgens het Rotterdamse archief koopman in manufacturen. Het adresboek van Apeldoorn geeft alleen ‘koopman’ aan. Moritz is in Rotterdam werkzaam geweest als koopman in damesondergoed. In het adresboek van Apeldoorn staat bij Moritz geen beroep vermeld.

In de nacht van 17 op 18 november 1942 vinden er in Gelderland in verschillende plaatsen grote razzia’s plaats. In Apeldoorn wordt een onbekend aantal Joden uit hun huizen gehaald en lopend naar het plaatselijke treinstation geleid. Een andere bron spreekt over zevenenzestig opgepakte Joden. Onder hen zijn Lotte, Alfred en Moritz. Vanaf het station van Apeldoorn worden ze per trein naar Kamp Westerbork gedeporteerd.

Gerda, de halfzus van Lotte, weet zich na de oorlog nog te herinneren dat haar zus op een koffer zat, wachtend op het moment dat zij met Alfred en Moritz zouden worden opgehaald. Lotte was van mening dat ze naar Duitsland ging om te werken. Lotte zou gezegd hebben: “Werken kunnen we!”. Ze leek geen idee te hebben van haar dreigende dood. Deze herinnering toont ook aan dat Lotte, Alfred en Moritz wisten dat ze opgepakt zouden worden.

Na een internering van drie maanden in het doorgangskamp moet Moritz zich gaan voorbereiden op deportatie ‘naar het Oosten’. Op 16 februari 1943 wordt hij in één van de vijfentwintig wagons van transport 55 naar bezet Polen gedeporteerd, het transport telt in totaal 1710 gedeporteerden. Na een reis van drie dagen komt hij op 19 februari 1943 aan op het treinstation van Auschwitz. Meteen na aankomst wordt hij in één van de gaskamers om het leven gebracht.

Lotte en Alfred blijven tot 31 augustus 1943 geïnterneerd in het doorgangskamp. Het echtpaar wordt ingedeeld voor transport 74 dat met zevenentwintig wagons naar bezet Polen vertrekt. Een anonieme getuige legt over het transport van 31 augustus 1943 vast: Ik nam mijn kinderen bij aankomst [lees: op treinstation Auschwitz] bij de hand en liep vlug naar voren, teneinde er voor te zorgen dat mijn vrouw en kinderen een plekje op de auto kregen. Ze waren dan ook één van de eersten, die er op zaten. De kinderen wuifden mij goeden dag, en vonden het leuk dat ze gingen rijden. Wij zijn met tweehonderd-negen-en-vijftig mannen uitgezocht en naar het kamp gelopen. Onderweg liep ik in de buitenste rij en vroeg aan een SS-man naar mijn vrouw en kinderen. Hij zei, dat ik ze iedere zondag zou mogen zien.

Lotte wordt bij aankomst in het vernietigingskamp in één van de gaskamers omgebracht. De sterfdatum en -plaats van Alfred zijn bij wet vastgesteld op 31 maart 1944, Polen (andere bronnen spreken over Auschwitz). De bij wet vastgestelde datum en plaats van overlijden is een indicatie dat Moritz tot aan zijn dood dwangarbeid heeft verricht.

Erich Elias (de broer van Lotte), zijn vrouw Trude Elias-Weiler (*1910) en hun zoontje Hans (*1937) overleven de oorlog dankzij de onderduik. Trude Elias-Weiler is de dochter van Leopold en Clothilde Weiler-Haas.

Bronnen: Erica - adresboek van Apeldoorn, afdeling Naam & Gezicht - Herinneringscentrum Kamp Westerbork, het boek ‘In Memoriam’, familie van Leopold & Clothilde Weiler-Haas, het boek ‘Elias und Anverwandte’ geschreven door het echtpaar Hanneke en Peter Schmitz en onderzoek door Monica Kingreen (1994).

 14 december 2019