Verhaal

In Memoriam

Mozes van Son is de zoon uit het huwelijk van slager Salomon van Son en Saartje van der Hoek. Naast Mozes krijgt het echtpaar nog zeven kinderen. Twee van hen overlijden als baby. De ouders van Mozes overlijden respectievelijk in 1919 en 1936.

Mozes groeit op in Apeldoorn. Op negentienjarige leeftijd verlaat hij het dorp en vestigt zich in Den Haag (april 1909). Op onbekende datum keert hij terug naar het adres van zijn ouders (tussen augustus 1909 en februari 1911). Hij staat in het bevolkingsregister beschreven als slager. In Apeldoorn woont hij, samen met zijn broer Marcus, in de Mariastraat op nummer 30.

Later woont Mozes aan de Oranjedwarsstraat, het adresboek van Apeldoorn noemt hem op dat moment papierhandelaar.

Op het moment dat de oorlog uitbreekt zijn er nog twee broers en één zus van Mozes in leven. Zijn zus Belia wordt in 1943 in Sobibor omgebracht, de twee broers overleven de oorlog.

Susanna Trijbits is de dochter uit het huwelijk van huidenhandelaar Leo Trijbits en Carolina Mogendorff. Susanna’s vader overlijdt in 1931, haar moeder en haar twee broers komen met hun gezinnen gedurende de oorlog om. Een broer van Susanna is getrouwd met de zus van Mozes van Son. Dit gezin woont tijdens de oorlog in Apeldoorn, in de Paslaan op nummer 25.

Mozes en Susanna treden op 29 augustus 1917 met elkaar in het huwelijk. De plechtigheid vindt plaats in Groenlo. Mozes is achtentwintig, en Susanna één jaar ouder. Isaac (1886-1943), de broer van Susanna, treedt op als één van de getuigen bij het huwelijk.

Na hun huwelijk plaatst het echtpaar een dankbetuiging in de krant, waarin zij zich ‘Mau’ en ‘Suze’ noemen. Vijftien maanden na het huwelijk wordt Leo geboren. In 1925 krijgt hij een broertje, Salomon. Bekend is dat Salomon later als kapper bij het Apeldoornsche Bosch werkt.

Mozes verdient zijn geld als handelaar in papier en touw. In het dossier van de Kamer van Koophandel noemt hij zichzelf Maurits. Het gezin woont in de Stationsstraat, op nummer 29, het bedrijfspand is gevestigd aan de Arnhemseweg.

Het gezin verhuist midden jaren twintig naar de Burglaan.

Susanna zet zich in dezelfde periode in voor de damesvereniging ‘Bigdei Jesjang’. De vereniging zamelt geld in dat wordt besteed aan feestelijkheden tijdens de ‘Joodsche vreugdedagen’ ten behoeve van de patiënten van het Apeldoornsche Bosch. In deze hoedanigheid is zij aanwezig bij de opening van een nieuw vrouwenpaviljoen in december 1930. Ook tweede geneesheer Jacques Lobstein (1883-1945) en administrateur Bension Levie Hes (1891-1943) zijn hierbij aanwezig.

In 1935 verhuist het gezin van de Van der Heijdenlaan (ook het zakelijk adres) naar de Paul Krugerstraat en betrekt het de woning op nummer 3.

Op een krantenfoto uit 1936 staat oudste zoon Leo, hij is dan zeventien jaar, op een groepsfoto van een voetbalclub met een wandelstok in zijn hand; hij wordt hier ‘de trouwe supporter’ genoemd. Hij zet zich ook in voor de lokale dansvereniging ‘Dansinstituut Bienefelt’. In oktober 1940 is hij één van de leden van de feestcommissie die het twintigjarig jubileum van deze dansvereniging organiseert. Ook fungeert hij als wedstrijdsecretaris van een sportdag, waar onder andere teams uit Enschede, Arnhem en Deventer aan mee doen; één van de teams uit Apeldoorn wordt eerste. Eerder, in 1937, slaagt hij voor het examen ‘kantoor steno Hollandsche taal’, en in datzelfde jaar krijgt hij ook het einddiploma ‘handelsafdeling school A’.

Eenmaal volwassen werkt oudste zoon Leo als zakenman (boekhouder) en gedurende de oorlog als sjammes, oftewel koster, van de synagoge in Apeldoorn. Claartje van Aals beschrijft in een van haar brieven hoe zij een keer met Leo uitging. Leo belt op een dag naar het Apeldoornsche Bosch, vraagt naar Claartje en vraagt haar via de telefoon mee uit. Uit Claartje's brief blijkt dat zij Leo niet kent. Toch ontmoeten zij elkaar dezelfde middag. Claartje schrijft zij ook dat Leo ,,in een karretje rijdt”. Hij blijkt volgens overlevering kinderverlamming te hebben gehad.

Op de registratiekaart van de Joodse Raad staat vermeld dat de linkerknie van Leo verstijfd is vanwege beendertuberculose, zijn andere knie is verlamd door diphteritis. Hij kan zich alleen nog voortbewegen met een invalidewagen. Ook staat er dat Leo geen ‘Sperre’ toegekend heeft gekregen, maar door zijn opleiding tot boekhouder in combinatie met de gewilligheid die hij toont, geschikt zou kunnen zijn voor administratief werk. Op een ongedateerd Duitstalig bericht wordt Leo namens de Joodse Raad gezocht.

Op de registratiekaart van de Joodse Raad wordt jongste zoon Salomon omschreven als een aardige, astmatische jongen, maar nog niet volleerd in zijn vak als herenkapper. Hij krijgt geen ‘Sperre’.

De zaak van Mozes wordt onteigend. In het dossier van de Kamer van Koophandel wordt genoteerd: ‘Betreffende de verwijdering van Joden uit het bedrijfsleven is met ingang van 4 augustus 1942 benoemd tot bewindvoerdster van bovengenoemde onderneming [...] met de opdracht de zaak te liquideren. Over gelijksoortige gevallen binnen het Joodse bedrijfsleven wordt in de krant openlijk gepubliceerd: ‘Het betreft de verwijdering van Joden uit het bedrijfsleven’. Op 1 maart 1943 wordt de zaak van Mozes formeel opgeheven.

Het echtpaar Van Son, hun jongste kind Salomon en andere Apeldoornse Joden worden op 20 januari 1943 op het terrein van het Apeldoornsche Bosch geïnterneerd. Jules Kan, familie van het echtpaar, noemt hen in een naoorlogse getuigenis ‘Mau’ en ‘Suz’ en beschrijft dat het echtpaar in eerste instantie dacht op het terrein enigszins veilig te zijn. Enkele familieleden van het echtpaar Van Son, waaronder Sal van Son (1921-2020) weten van het omsingelde terrein te ontsnappen. Mozes, Susanna en Salomon vluchten niet. Het is niet bekend wat de gezinsleden hebben bemerkt van de gruwelijkheden die tijdens de ontruiming van het terrein plaatsvinden. Dorpelingen horen het geschreeuw en gekrijs van de vele patiënten die in vrachtwagens op weg zijn naar het treinstation van Apeldoorn. Deze trein vertrekt in de vroege ochtend van 22 januari 1943.

In de loop van dezelfde ochtend worden Mau en Suz en hun zoon Salomon vanaf het treinstation van Apeldoorn naar doorgangskamp Westerbork gedeporteerd, het betreft een reguliere personentrein.

Op dinsdag 9 februari 1943 vertrekt vanuit het kamp transport 49 met als eindbestemming Auschwitz. Het transport telt vijfentwintig personenwagons met in totaal 1184 gedeporteerden, onder wie Mau, Suz en Salomon. Allen worden op vrijdag 12 februari 1943 in Auschwitz omgebracht.

Leo wordt twee maanden na de deportatie van zijn ouders en broer naar het doorgangskamp, gedwongen om naar Amsterdam te verhuizen. Hij gaat onder meer wonen aan de Tugelaweg, op nummer 78 I. Dit is de fase waarin ‘de laatste Joden’ vanuit de provincies naar Amsterdam worden verplaatst, om van daaruit naar Kamp Westerbork te worden gedeporteerd. Dit maakt het de bezetter nog eenvoudiger om de Joden op te jagen. Het kamp kan op dat moment het grote aantal gedeporteerden niet aan. Leo is voor de bezetter vermoedelijk op dat moment nog van waarde.

Leo wordt op 11 mei 1943 in Kamp Westerbork geregistreerd. Hij schrijft hier enkele briefjes naar familieleden. In één van de briefjes noemt hij het Apeldoornse gezin Neuhaus [ofwel: Louis (1880-1944) en Martha Neuhaus (1890-1944)]. Hij bericht zijn familie dat hij dankbaar is dat het echtpaar hem verzorgde ,,als of ik hun eigen kind was.” Leo lijkt hiermee de periode in Amsterdam te bedoelen, maar mogelijk ook de tijd dat hij nog in Apeldoorn verbleef. Hij schrijft verder: ,,En verder ben ik zeer, zeer veel van deze mensen gaan houden.” Hij vraagt de ontvangers van deze brief om de mensen in de Paul Krugerstraat te vertellen wat hem is overkomen. Leo vervolgt door te schrijven dat hij probeert positief te blijven ‘daar ik anders geestelijk helemaal kapot ga’ en ‘God heeft het zo laten beschikken, wij zijn in Zijn hand’ hij sluit af door te schrijven dat hij met die gedachten alles zal aanvaarden. Leo heeft het idee dat hij binnenkort zal vertrekken naar de plaats (...) waar zijn ouders en Sally (hier zal hij hoogstwaarschijnlijk zijn broer mee bedoelen) ook zijn (...). Hij laat weten dat hij meestal in het ziekenhuis (barak 83a) van het doorgangskamp ligt: ,,Last van mijn kwaal, u begrijpt mij wel.” En tenslotte is hij dankbaar voor alle steun die hij uit zijn geboortedorp heeft mogen ontvangen.
Op dinsdag 29 juni 1943 vertrekt een trein uit het kamp met als eindbestemming vernietigingskamp Sobibor. Transport 69 telt zevenenveertig wagons met in totaal 2397 gedeporteerden. Leo is één van hen. Meteen bij aankomst op vrijdag 2 juli 1943 wordt hij omgebracht.

Bronnen: Verwanten van familie van Son, ‘Als ik wil kan ik duiken’ samengesteld door Suzette Weyers (Thomas Rap, 1995), International Tracing System te Bad-Arolsen, stichting Sobibor en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten). Digitaal Joods Monument, CODA Archief Apeldoorn, Erica adresboek van Apeldoorn, Yad Vashem, het Gelders Archief, afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork en het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters.

30 januari 2021