Verhaal

De strijd tegen het pauperisme

Het fonds helpt niet de bedelaars, maar hen, die het nog niet zijn

Door: Frits Slicht

Dit verhaal is opgedragen aan al die hebben meegewerkt om de armoede, dreigende armoede, te bestrijden!

Statuten van Het Weldadigheidsfonds in de Nederlandsche Staatscourant van 17-01-1876 (via delpher).

Inleiding
In 1875 wordt op initiatief van de Opperrabbijn van de Nederlands Israëlitische Hoofdsynagoge Joseph Hersch (of: Hirsch) Dünner een vereniging opgericht om het pauperisme, zoals men zelf schrijft in het jaarverslag 1889-1890, in de stad Amsterdam te bestrijden.

Portretfoto uit van de Opperrabbijn Joseph Hirsch Dünner. Bron: De Joodsche Prins.


In de statuten wordt overigens gesproken over ‘behoeftigen’:
“….die het waardig zijn, op een kiese en praktische wijze stoffelijk te ondersteunen door:
1e het verstrekken van een tijdelijke onderstand; en
2e het verlenen van een renteloos voorschot”.

Een eerste stap
Onder leiding van Dünner zijn op 22 maart 1875 ‘enige diamantbewerkers’ bij elkaar gekomen om te praten over een mogelijkheid van een weldadigheidsfonds. Na afloop van deze bijeenkomst werd een ‘Voorlopige Commissie’ in het leven geroepen die het initiatief moest bestuderen en nader uitwerken.
Het Joodse tijdschrift ‘De Vrijdagavond’ (jrg 1, 1925, no 42, 09-01-1925) beschrijft deze eerste periode in een lang artikel, ter gelegenheid van het vijftigjarige jubileum, als volgt:
“In een algemene vergadering van deze besturen, onder het presidium van Dr. Dünner op 10 januari 1875 gehouden, werd tot de stichting van een weldadigheidsfonds besloten. Ten einde daartoe te geraken benoemde deze vergadering uit haar midden de heren A. D. Lissauer, H. J. de Vries, B. D. de Metz, L. L. van der Tonge en S. D. Buitenkant tot een voorlopige commissie met het mandaat, pogingen in het werk te stellen tot het winnen van leden voor het te stichten fonds.
Later werd deze commissie tot tien leden uitgebreid.
Op voorstel van de ter vergadering aanwezigen, werd Dr. Dünner het erevoorzitterschap der op te richten vereniging aangeboden, dat door hem aanvaard werd en welke functie hij metterdaad tot zijn dood heeft waargenomen.
De propaganda werd thans op krachtige wijze ter hand genomen; met het gunstige gevolg, dat 612 personen, allen met het diamantvak in betrekking staande, zich verbonden door jaarlijkse bijdragen van ƒ 2,50 minimum als leden tot het fonds toe te treden. Thans kon men overgaan tot het bijeenroepen der toegetredenen, ten einde in een algemene vergadering de statuten en een huishoudelijk reglement vast te stellen en daardoor de vereniging definitief te constitueren. Deze algemene vergadering vond plaats op 14 juni 1875. De ontwerpen van statuten en huishoudelijk reglement werden goedgekeurd en men bepaalde, dat het ‘Weldadigheidsfonds’ met 1 juli daaropvolgende in werking zou treden.”

Weldadigheidsfonds met bestuursleden. Bron: Het NIW van 25-06-1875 (via delpher).

Een voortvarende start?
In juni 1875 heeft de Voorlopige Commissie haar taak volbracht. “Het Weldadigheidsfonds, opgericht door Diamantbewerkers” is een feit. Tijdens de oprichtingsvergadering van 1 juni 1875 worden ook de statuten ‘gearresteerd’. De statuten zijn gepubliceerd in De Nederlandsche Staatscourant van 17 januari 1876.
Nog in dezelfde maand juni van het jaar 1875 begint men met het kiezen van een definitief bestuur. Eén en ander onder leiding van Jacob Sluijs of Sluys Dzn, Aron Lissauer en Joseph Brandon. Alle drie zijn werkzaam in de diamantsector.

‘Eenige Kopstukken’ van Het Weldadigheidsfonds in: De Vrijdagavond; joodsch weekblad jrg 1, 1925, no 42, 09-01-1925 (via delpher).

Hoewel je van een voortvarende start kunt spreken, is het vervolg lastiger dan misschien aanvankelijk werd gedacht. Dit schrijft ‘De Vrijdagavond’ (in eerder genoemd artikel):
“Nadat nu de vereniging in werking was getreden, bleek weldra de behoefte aan de noodzakelijkheid tot uitbreiding van het ledental en het verkrijgen van ondersteuning ook van andere kringen. Lag dit reeds in het oorspronkelijke plan der oprichting, zoo gaven echter vooral twee omstandigheden aanleiding daartoe met den meesten spoed over te gaan. De eerste dezer omstandigheden was, dat, toen men overging tot het innen der contributies een groot aantal der toegetredenen zich onwillig betoonde hun toegezegde bijdrage te voldoen. De tweede omstandigheid was, dat, tengevolge der bekendheid, die het “Weldadigheidsfonds" had verkregen, de omvang van den werkkring van dit fonds grotere proporties dreigde aan te nemen, dan men aanvankelijk vermoed had. Wilde het Fonds met kracht en vrucht zooveel mogelijk voldoen aan zijn doel: waardige behoeftigen op een kiese en praktische wijze te ondersteunen en daardoor het pauperisme voorkomen en bestrijden, dan moest het over ruimere geldmiddelen kunnen beschikken, zelfs al had die eerst vermelde omstandigheid zich niet voorgedaan.”

Bericht ‘ter opwekking van deelname aan het Weldadigheidsfonds’, bron: Het NIW van 03-09-1875 (via delpher).

Wat ook een moeilijkheid bleek te zijn, was dat de oorspronkelijke oprichters allen hetzelfde vak (in de diamantsector) uitoefenden. Een vak dat zich niet altijd in dezelfde bloei mocht ‘verblijden’. Daarom wordt er een propagandacomité (van 18 jonge mannen) in het leven geroepen uit andere vakgebieden. Doel is het werven van nieuwe leden.

De werkwijze van het Weldadigheidsfonds, de jaarverslagen.
De enige manier om een beeld te krijgen van het Weldadigheidsfonds is het volgen van haar activiteiten in de pers en haar jaarverslagen. Bij het IISG zijn enkele jaarverslagen bewaard gebleven. Het oudste jaarverslag is dat van 1889 – 1890. Bij het Stadsarchief liggen ook oudere jaarverslagen, zoals over het jaar 1881.
Van de eerste jaarvergadering is een ruim verslag terug te vinden in het NIW van 26 november 1875. Uit onderstaand fragment blijkt direct hoe moeilijk het soms is om het toegezegde geld ook echt te ontvangen:
“Terwijl het fonds is begonnen met een contributie van ƒ 2000 's jaar – later hebben zelfs van de tekenaars een niet gering gedeelte hun handtekening niet gehonoreerd – zijn thans reeds de ontvangsten geklommen tot ƒ2887,60 door 750 leden en ƒ557,50 donaties door 61 donateurs. Deze gunstige resultaten zijn vooral verkregen, doordien op initiatief van den eerw. opperrabbijn een commissie van jongelieden zich heeft belast, leden voor bedoeld fonds te winnen. Sedert Juli is een bedrag van ƒ830,04 uitgereikt aan subsidie en ƒ180 aan renteloze voorschotten.”

Jaarverslag over 1889 – 1990, het binnenblad, gepubliceerd in 1991. Bron: IISG.



Het eerste jaarverslag over 1889-1890 dat ik bij het IISG heb kunnen inzien, geeft aan dat Lissauer en Brandon nog in het bestuur zitting hebben. Jacob Sluijs is in mei 1886 om onbekende redenen tussentijds afgetreden uit het bestuur (samen met twee andere bestuursleden). Brandon is echt in het harnas gestorven, hij overleed tijdens een vergadering van het bestuur in de armen van zijn medebestuurders Eitje en Wagenaar.

Het is bijna ondoenlijk om goed te beschrijven hoe het fonds exact te werk ging. In feite moet ik afgaan op wat er wordt vermeld in de jaarverslagen, al dan niet in de pers verschenen. Om een voorbeeld van de aanvragen voor steun te noemen dit fragment uit het jaar 1883 (bron: het NIW van 20-04-1883):
“Niet minder dan 1100 aanvragen gingen door handen van het bestuur. Om goed op de hoogte te komen, stelden de bestuursleden meestal in persoon onderzoek in. De verslaggever somt hierop en aantal gevallen als voorbeelden op, om te staven, dat het fonds inderdaad weldadig werkt; dat het vele gebukten opricht; velen behoed tegen ondergang; dat het niet zelden ook morelen steun verleent, waardoor verdoolden op het pad der deugd teruggebracht en niet weinigen aan den kring hunner familie teruggegeven worden.”

Jaarverslag over 1889 – 1990, de zittende bestuursleden. Bron: IISG.

De financiering
Om haar activiteiten te financieren zijn er de contributies, giften en soms ook de loterijen. In speciale gevallen wordt er via de pers, meestal het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW), een oproep gedaan. Zo bijvoorbeeld in 1884 als het Fonds een oproep plaatst die in het teken staat van de Winterbedeling.

Oproep om te geven voor de winterbedeling, ook wel liefdegaven genoemd. Bron: Het NIW van 31-10-1884 (advertentie, via delpher).

De contributies zijn een terugkerend probleem, regelmatig beklaagt de penningmeester zich over het feit dat er minder is binnen gekomen. Je hoort hem bijna verzuchten dat het toch niet moeilijk is om de jaarlijkse contributie van ƒ 2,50 te voldoen. Het hoeft niet in een keer, men kan ook in termijnen betalen. Met dit kleine bedrag zijn duizenden, nee wel tienduizenden, geholpen zo herinnert penningmeester Aron Lissauer de aanwezigen op de jaarvergadering van 1898. In dit jaarverslag ook concrete voorbeelden van het goede werk dat het Fonds doet.

Afbeelding van een advertentie m.b.t. het organiseren van een loterij. Bron:het Algemeen Handelsblad van 15-07-1877 (via delpher).

Niet elk jaarverslag dat in het NIW verschijnt, is even uitgebreid als het 22ste jaarverslag. In elk jaarverslag vanzelfsprekend alle zaken die in een jaarverslag thuishoren zoals het financieel overzicht met een overzicht van de ontvangen contributies, de schenkingen die er elk jaar binnenkomen, maar ook de legaten. Opvallend is de post ‘bussen’. Hoewel nergens nader uitgelegd, gaat het hier om bussen die werden gebruikt om te collecteren bij feestelijke gelegenheden. Het voorstel is gedaan door een Ph. Diamant bij de eerste jaarvergadering in 1875. Later is er ook sprake van het winkelbusje van de heer Ph. Diamant.
Aan het eind van elk jaarverslag staat een ledenlijst en een overzicht van alle legaten (vanaf de oprichting). In het geval van de legaten gaat het soms om kleine bedragen en soms vrij hoge bedragen. Zo zijn er enkele legaten van 1000 gulden of meer. Om te vergelijke, een bedrag van 1000 gulden zou omgerekend een koopkrachtwaarde hebben van € 12.050,00. (bron: IISG Calculate ).

De uitgaven
Tegenover de inkomsten ook de uitgaven, zoals de uitgaven voor administratie en salarissen. Belangrijker zijn de uitgaven gedaan via het Leenfonds. Het betreft bedragen (subsidies) die aan individuele personen worden ‘geleend’, zonder rente zoals vastgelegd in de statuten. Zonder rente want een belangrijke doelstelling was ook het bestrijden van de woekerpraktijken.

Financieel overzicht Weldadigheidsfonds 1890, bron: het jaarverslag over het boekjaar 1890, IISG.


Wel wordt van elke persoon een vorm van borgstelling gevraagd, ook voor kleine bedragen. Later zal het Weldadigheidsfonds deels afstappen van dit beleid en gaat men soms over tot verstrekken van voorschotten tot een bedrag van 50 gulden zonder borgtocht. (Deels wel want er worden voorschotten tot 50 gulden zonder borg verleend, deels niet omdat er ook vele voorschotten lager dan 50 gulden wel met borg verleend.)
Over de eerste vijftig jaar van het Weldadigheidsfonds is door het Joodse weekblad De Vrijdagavond een lang artikel verschenen. Daarin ook een (door de schrijver van het artikel) uitgebreid overzicht van de verstrekte subsidies en voorschotten. Zie hiervoor de onderstaande afbeelding.

Subsidies en voorschotten over 5 decennia. Bron: De Vrijdagavond; joodsch weekblad jrg 1, 1925, no 42, 09-01-1925 (via delpher).

In het gedrukte jaarverslag worden soms voorbeelden van ‘verrichtte goede zaken’ opgenomen (zie bijgaande voorbeelden in de afbeelding). In de kranten beperkt men zich tot het geven van een overzicht, zoals bij het jaarverslag over 1889-1890:
“Wij ontvingen voor het Leenfonds een bedrag van ƒ 277,75. De vooruitgang moge hier niet zo groot zijn als bij de contributie, wij kunnen toch ook hier dankbaar op vooruitgang wijzen. Het kapitaal van het leenfonds is ook gestegen, en heeft nu het bedrag bereikt van ƒ 11079,33. Uit dit kapitaal, waarin de terugbetaalde voorschotten telkens terugvloeien, hebben wij in dit jaar aan 222 gezinnen onder borgtocht geleend een bedrag van ƒ13.560,-. Die cijfers waren in het voorafgaande jaar een aantal van 212 gezinnen, (dus nu tien gezinnen meer) een bedrag van ƒ13.120,- (of ƒ 440,- nu meer dan toen). Vooreerst schijnt dus onze hulp in deze gemeente nog niet overbodig.
Wij hadden gelukkig geen oninvorderbare posten en merendeels betaalden de ondersteunden zelve (in wekelijkse termijnen) het geleende terug. Slechts bij wijze van uitzondering moesten wij de borgen aanspreken.”
(bron: Algemeen Handelsblad van 22 mei 1890)

Een heel enkele keer haalt het Weldadigheidsfonds ook de pers met haar goede zaken. Het meest sprekende voorbeeld daarvan is wel de hulp die het fonds biedt aan de getroffenen van een brand in de Batavierstraat 117 in 1876.

Afbeelding m.b.t. de ramp in de Batavierstraat. Bron: Het Alg. Handelsblad van 1 februari 1876 (via delpher).

Een dag later maakt het bestuur van het Weldadigheidsfonds gebruik van de mogelijkheid om zichzelf in de schijnwerper te zetten. Bron: Het Alg. Handelsblad van 2 februari 1876 (via delpher).

Als gevolg van de brand stortte het huis in, maar viel ook een dode te betreuren, een tweejarig kindje. In dit geval springt het fonds direct in. De dankbaarheid spreekt uit de advertentie die de getroffen huisgezinnen plaatsen in het Algemeen Handelsblad van 1 februari 1876.

Max I. Prins naast bestuurslid van het Weldadigheidsfonds ook regent van het Ned. Isr. Meisjesweeshuis. Bron: het NIW van 16-04-1926 (via delpher).

Voortbestaan
Het Weldadigheidsfonds zal blijven bestaan en zal ook lange tijd een rol van betekenis spelen. Binnen het stelsel van maatschappelijke voorzieningen en instellingen blijven ze aanwezig.

Max I. Prins naast bestuurslid van het Weldadigheidsfonds ook regent van het Ned. Isr. Meisjesweeshuis. Bron: het NIW van 16-04-1926 (via delpher).

Zo constateert de secretaris, mr. dr. M.I. Prins in zijn jaarverslag over de jaren 1936–'37:
“dat zij, voor wie het fonds bestemd is, de straatventer en de kleine handelsman, die bij anderen, hetzij particulieren, hetzij instellingen, niet geholpen worden, nog steeds den weg naar het fonds weten te vinden en het veilige gevoel hebben, dat de gevraagde hulp wordt verstrekt, indien de basis, waarop de aanvraag wordt gedaan, aan redelijke eisen voldoet. Met voldoening mag er op worden gewezen, dat in meer dan één geval de verleende steun goede vruchten heeft gedragen. Meer dan eens mocht het bestuur dankbetuigingen ontvangen van personen, die konden mededelen, dat hun omstandigheden tengevolge van de door het fonds verleende hulp zich dermate ten goede gewijzigd hadden, dat zij die hulp voortaan zouden kunnen ontberen. Personen, die vroeger door het fonds geholpen werden, geven het thans gaarne hun jaarlijkse bijdrage. Het Fonds verleent hulp in gevallen, waarin de overheid zich niet beschikbaar stelt. Er zijn nog altijd talloos velen, die er een eer in stellen in eigen onderhoud te voorzien en daartoe, met een kleine, belangeloze hulp van derden in staat zijn. Het aantal verstrekte voorschotten is in de laatste jaren eer af- dan toegenomen. Terwijl in het boekjaar 1926 – '27 aan voorschotten met en zonder borg totaal ƒ 36.400 was uitgezet, beliep het in 1935 – '36 ƒ21.600,00 en in het daarop volgende jaar nog niet ten volle ƒ 20.000,00. De Commissie van huisbezoek heeft haar niet altijd aangename taak met grote toewijding vervuld, speurzin parende aan menslievendheid.”
Bron: Het NIW van 15 juli 1938.

Samengaan
Het Weldadigheidsfonds kent een lange geschiedenis van zorg en is, voor zover valt na te gaan, altijd zelfstandig gebleven. Wel is het Fonds toegetreden tot De Bond van Joodsche Instellingen van Weldadigheid en Sociale Voorzorg (BJWISV).

Het tijdschrift ‘Joodsch Hulpbetoon’, eerste jaargang,nr. 1 uit mei 1933. Bron: IISG.

Ik leid dit af uit het feit dat enkele bestuursleden van het Fonds ook bestuurslid zijn geweest van de BJWISV. Deze Bond heeft voor een beperkte periode ook een halfjaarlijks tijdschrift uitgegeven met daarin opgenomen een lijst van de instellingen van weldadigheid en sociale voorzorg, waaronder ook het Weldadigheidsfonds.
Later wordt dit tijdschrift voortgezet onder een andere naam (Neerland’s Jodendom, orgaan van de Bond van Joodsche Verenigingen in Nederland). Een eerste aanzet voor de BJWISV wordt gegeven in het jaar 1916, uiteindelijk geformaliseerd in juni 1918. Wanneer precies het Weldadigheidsfonds zich aansluit, is mij niet bekend.

Het einde van het Weldadigheidsfonds
Moeilijk heeft het Weldadigheidsfonds het in de jaren dertig, de crisisjaren. Er zijn leden die afhaken, er komen minder giften binnen. De ‘ongunst der tijden’ noemt het bestuur het zelf. Dit heeft gevolgen voor de hulp die men kan bieden (zie hiervoor). Desondanks blijft het fonds bestaan, tot september 1941 als De Bond van Joodsche Instellingen, met alle daarbij aangesloten Joodse instellingen, wordt opgeheven (bron: SAA inv.nr. 400 – 2078).

Opheffing van de Bond van Joodsche instellingen, bron: SAA inv.nr. 400-2078

Uitstaande leningen van het Weldadigheidsfonds worden ‘overgenomen’ door de afdeling Sociale Zorg van de Joodse Raad.

De afdeling Sociale Zorg van De Joodse Raad.
Als in september 1941 alle Joodse instellingen worden opgegeven of verboden, neemt de afdeling Sociale Zorg van De Joodse Raad een aantal taken over. Daaronder valt ook het innen van de uitstaande leningen van het Weldadigheidsfonds.

Gids van De Joodse Raad 1943, bron: Persoonlijk Archief van Philip Staal, Documenten Joodsche Raad voor Amsterdam.

Hier gaat het om de dossiers die nog lopende waren, lopende zaken van het Weldadigheidsfonds. Bij het IISG vond ik een aantal voorbeelden van dergelijke zaken. Vanwege privacy overweging kies ik ervoor om deze gevonden voorbeelden niet in detail te bespreken, geen namen te noemen. Uit de voorbeelden blijkt dat aangeschreven personen ‘in arrest’ zitten, in een Joods Werkkamp zijn, ontslagen zijn als ambtenaar en daarom nauwelijks nog inkomen hebben of problemen hebben vanwege een gemengd huwelijk (niet-Joodse kapper die zijn vaste Joodse klantenkring niet meer mag bedienen).
Het zijn toch schrijnende voorbeelden van een door de Duitse bezetting ontstane situatie waaraan niet te ontkomen viel.

Zaken die ook onder de afdeling Sociale Zorg vielen, waren onder andere de zorg voor achtergebleven jongens en meisjes ‘die onverzorgd achtergebleven waren doordat hun ouders waren weggehaald’, maar ook zorgt men voor de verstrekking van goederen aan vertrekkenden. In het laatste geval gaat het om hen die vanuit Westerbork naar Duitsland zijn ‘doorgezonden’, vooral in de naderende winter van 1942-1943 zou men grote behoefte hebben aan deze goederen. Een onjuiste voorspelling zoals Presser schrijft in deel 1 van De Ondergang. Een andere taak die Presser noemt, is de zorg voor rusthuizen waar de leiding ‘afwezig blijkt’. In feite gaat het om allerhande sociale calamiteiten in Amsterdam maar ook om andere delen van Nederland. Onder calamiteit merkt Presser op dat daar de ultieme calamiteit, de wegvoering, onder een andere organisatie viel.

Nieuwe Keizersgracht 60-58, hoofdkantoor van de Joodse Raad. Bron: Beeldbank SAA, Archief van de Dienst R.O. en rechtsvoorganger.

De afdeling Sociale Zorg heeft op meerdere adressen gezeten. Aanvankelijk zat deze afdeling aan de Houtmarkt 10, maar vanaf eind juli 1942 is deze verhuisd naar de Nieuwe Keizersgracht 58 (= hoofdkantoor van De Joodse Raad). Een ander tijdelijk adres dat wordt genoemd is het J.D. Meyerplein. In 1943 keert men weer terug op het oude adres: Houtmarkt 10.

Het einde
Na de oorlog is een voorzichtige poging gedaan om het Weldadigheidsfonds nieuw leven in te blazen. In 1948 wordt een oproep gedaan aan leden die lid waren ‘ten tijde van de opheffing door de bezetter’ om zich te melden.

Oproep aan leden om zich te melden, bron: het NIW van 12-03-1948 (via delpher).

Een jaar later (zie hieronder) volgt een gelijksoortige oproep aan alle nog aanwezige leden bijeen te komen op een algemene ledenvergadering. Of deze vergadering er gekomen is, is mij helaas onbekend.

Oproep aan nog aanwezige (in leven zijnde?) leden, bron: het Algemeen Handelsblad van 28-12-1949


In 1958 valt definitief het doek. In dit jaar is er een algemene ledenvergadering geweest waarin wordt besloten tot ‘liquidatie’ en samen te gaan met de vereniging “Meschibath Nefesch" (= Lafenis der Ziel). Deze vereniging is opgericht rond 1740 met als doelstelling: “jaarlijks, gedurende de maanden December, Januarij en Februarij, eene uitdeeling aan minvermogenden te verstrekken van turf, hout en brood”.
(bron: Huygens KNAW).


Bestuursleden van het Weldadigheidsfonds
De eerste bestuursleden van het Weldadigheidsfonds lijken te zijn uitgezocht door de Opperrabbijn Dünner zelf. Mogelijk kende hij enkelen persoonlijk. Zeker is het natuurlijk niet, maar enkele bestuursleden woonden net als hij in de Rapenburgerstraat. Duidelijk is ook dat hij gezocht heeft naar kapitaalkrachtige personen. Hij dacht die te vinden bij hen die werkzaam waren in Het Vak, de diamantsector.
Voor meer en ruime informatie over Rabbijn Dünner verwijs ik naar De Joodse Canon.
Ik heb een kleine selectie gemaakt van bestuursleden van het eerste uur. Opvallend is de lange zittingsduur van de bestuursleden. Een enkeling blaast zelfs zijn laatste adem uit tijdens een vergadering van het fonds.


Joseph P. Brandon en Aron David Lissauer
Eén van de eerste bestuursleden was Joseph P. Brandon (31 oktober 1832 – 25 augustus 1907). Van beroep is hij diamantklover (commissionair). Hij was getrouwd met Betje Cohen (alleen haar geboortejaar is bekend: 1835), samen krijgen ze negen kinderen, waaronder Philip die in 1907 namens de familie de overlijdensadvertentie van zijn vader plaatst.

Joseph P. Brandon, bron: De Vrijdagavond 1925 (via delpher)


Het gezin Brandon heeft in de periode tussen 1874 – 1893 in de Joden Kerkstraat (nu: Nieuwe Kerkstraat) gewoond. Of het grote gezin nog verhuisd is naar een ander adres, valt helaas niet te achterhalen. Joseph Brandon overlijdt op 25 augustus 1907.

Het tweede bestuurslid dat ik hier tegelijkertijd wil bespreken is Aron David Lissauer (7 november 1830 – 26 augustus 1907). Hij is tot aan zijn overlijden penningmeester geweest van het Weldadigheidsfonds. Hij werkte als diamantslijper en was getrouwd met Alida Alexander Brans, samen hadden ze elf kinderen. In de periode rond de oprichting van het Weldadigheidsfonds woonde hij met zijn omvangrijke gezin in de Rapenburgerstraat 110.

Aron D. Lissauer, bron: De Vrijdagavond 1925 (via delpher)


Tussen 1904 en zijn overlijden op 26 augustus 1907, een dag na Joseph Brandon, woont hij bij zijn zoon Salomon Mozes aan de Nieuwe Herengracht 207 huis. Deze Salomon Mozes zal ook actief worden in het Weldadigheidsfonds.

In het NIW van 30 augustus 1907 worden de heren Brandon en Lissauer herdacht. Bij deze het eerste deel van het artikel:
“Zondag 25 Augustus j.l. (1907) hield de Permanente Commissie van het Weldadigheidsfonds alhier hare gewone zitting. Te midden der werkzaamheden gleed onzen dierbaren vriend en collega, de heer Jos. P. Brandon van zijn stoel en gaf enige ogenblikken daarna den geest in de armen van de heren A. S. Z. Eitje en L.A. Wagenaar Jr. Ons gemoed was diep, zeer diep getroffen, Wij mompelden tegelijk als bij intuïtie ..gestorven op het veld van eer, in dienst van het fonds dat hem dierbaar was tot zijn jongste snik".

Nauwelijks bereikte deze treurmare allen die dezen hoogst bescheiden grijsaard gekend hebben, of gelijk een bliksemschicht die in ondeelbare ogenblikken in zigzaglijnen langs daken en bomen, met ontembare kracht in de aarde schiet, zoo bereikte ons de tweede treurmare “de oud penningmeester van het Weldadigheidsfonds en laatstelijk erebestuurder, de heer A. D. Lissauer is overleden”. 't Strakblauwe firmament van één dag was bezwadderd, 'n zwarte floers streek langs onze ogen, tranen welden op van diepvoelend leed. Twee grote vrienden gelijk David en Jonathan door één zwaai van de zeis van den doodsengel geveld.

Verbonden waren deze beiden, Brandon en Lissauer door 't ene grote gevoel dat hen magnetiseerde en aantrok als twee polen „de bloei van liet Weldadigheidsfonds'''. Zij vulden elkaar aan, zoals in 't huwelijk de man en de vrouw kinderen opvoeden. De vader streng vaak tot in 't uiterste, de moeder zacht en toegevend tot in 't onbegrensde, doch beider tactiek van opvoeding dacht te leiden tot één doel: „'t geluk hunner kinderen". Joseph Brandon was de grote moeder van het Weldadigheidsfonds die vaak de arm van vader Lissauer tegenhield. En moeder won ’t altijd. Dan glimlachten de beiden ouden, ze meenden 't beiden zoo goed. Twee banierdragers der filantropie gingen ons voor in den dood. Zelfs de dood kon hen niet scheiden want thans rusten ze naast elkander in 't kille graf. Twee en dertig jaren hebben ze bij het Weldadigheidsfonds de belangen van de financieel minder bedeelden behartigd. Onmogelijk is 't te schrijven en te spreken over den eenen en den anderen te vergeten. Zij hebben een zuil van onvergetelijkheid in onze harten opgericht.”

Jacob Sluijs of Sluys Dzn
Een ander bestuurslid van het eerste uur is Jacob Sluijs of Sluys Dzn (1 februari 1842 – 6 mei 1911), van beroep diamantslijper. Volgens het bevolkingsregister van 1851-1853 woont hij in de Rapenburgerstraat 159 (later 469). In de periode 1874 – 1893 zal hij nog meerdere malen verhuizen om uiteindelijk met zijn gezin (vrouw: Elisabeth de Jongh, acht kinderen en een inwonende nicht: Sophia de Jongh) komen te wonen in De Jodenbreestraat (meerdere huisnummers). Behalve dat hij betrokken was bij de oprichting van het Weldadigheidsfonds was hij directeur van de Nederlandsch Israëlitsche Begrafenisvereniging tot zijn overlijden in 1911.

Afbeelding van de begrafenisauto Isr. Begrafenis Genootschap . Bron: Geïllustreerde Joodsche Post van 4 augustus 1921, IISG.

Na zijn overlijden verschijnt er in het NIW van 12 mei 1911 een lang en mooi artikel over ‘hun directeur’. In dit artikel wordt ook gememoreerd dat hij medeoprichter was van het Weldadigheidsfonds. Uit dit artikel blijkt in ieder geval dat zijn aftreden uit het bestuur niet uit onvrede was. Hij wordt een nauwgezet, ijverig en trouw bestuurder genoemd. Hij verloor ook nooit de moed, ook niet als het wat minder ging. Men zag hem dan ook met lede ogen vertrekken.

Overlijden Jacob Sluys Dzn, bron: Algemeen Handelsblad 08-05-1911 (via delpher).

Voor hem werd een bedrag van ƒ 700 bijeengebracht om hem een souvenir in zilver aan te bieden. Op zijn verzoek werd dit bedrag echter bestemd voor het Israëlitisch Meisjesweeshuis en voor het David Ezechiël Sluys-fonds. Op de begrafenis waren velen aanwezig, zo ook een vertegenwoordiging van het Weldadigheidsfonds.

Abraham Eitje

Ook Abraham Salomon Zadok Eitje (11 juli 1839 – 1 mei 1925) is een bestuurslid van het eerste uur. In ieder geval is hij actief vanaf 1876. Lange tijd is hij voorzitter van het fonds, in ieder geval tot eind 1915. Abraham Eitje is getrouwd met Sofia Rubens (1 mei 1843 – 1 juli 1912) op 30 november 1870. Voor zover bekend had dit het echtpaar geen kinderen. Zij woonden aan de Nieuwe Keizersgracht 19 huis.

Afbeelding IISG: A.S.Z. Eitje - President van het Weldadigheidsfonds, foto op zijn zeventigste verjaardag aangeboden door zijn medebestuurders.


Dit schreef het Algemeen Handelsblad van 3 mei 1925 na het overlijden van Abraham Eitje:.
“Hier ter stede is in den ouderdom van 84 jaar overleden de heer A. S. Z. Eitje, die in de Israëlitische Hoofdsynagoge alhier verschillende belangrijke functies heeft bekleed. Zoo was de heer Eitje voorzitter van het Mannendoodgraverscollege, thesaurier van het Beth Hamidrasj, voorzitter van Halbosjas Aroemiem (kinderkleding voor leerlingen van de Talmoed Touroschool), regent van het Ned.-Isr. Armbestuur, vicevoorzitter van het genootschap Talmoed Touro. Ook bekleedde de heer Eitje het voorzitterschap van het Weldadigheidsfonds. De begrafenis is morgen te Muiderberg.”
Het NIW van 8 mei 1925 is een stuk langer in haar In memoriam. Uit dit artikel blijkt dat Abraham Eitje al langer ziek was. Hij was ‘ten gevolge van een ongeneeslijke kwaal gebonden aan huis’. Er worden vele namen genoemd van personen die hem de laatste eer hebben gebracht, waaronder de voorzitter van het Weldadigheidsfonds de heer Levie A. Wagenaar jr. De laatste woorden in het artikel luiden: “De Amsterdamsche Jodenheid zal den naam A. S. Z. Eitje niet vergeten; in hooger sferen zal hij het loon voor zijn werken op de aarde genieten. Naar wij vernemen, heeft wijlen de heer A. S. Z. Eitje verschillende vereenigingen met legaten bedacht.”

Levie Wagenaar
Levie Wagenaar (21 november 1859 – 19 februari 1939), (hij werd net al even genoemd) is wat later in het bestuur van het Weldadigheidsfonds gekomen. Dit heeft mogelijk te maken met het feit dat hij lang in Haarlem heeft gewoond.

Levie Wagenaar in: De vrijdagavond; Joodsch weekblad jrg 2, 1925, no 17, 24-07-1925 (via delpher).

Levie Wagenaar was getrouwd met Sara Jacobson (11 juli 1865 – 31 augustus 1922). Samen hadden zij zeven kinderen.
Wanneer hij lid van het bestuur wordt, is niet helemaal duidelijk. In 1905 is hij in ieder geval wel al lid van het bestuur, later wordt hij voorzitter van het Weldadigheidsfonds.

In 1903 verhuist hij met zijn gezin naar Amsterdam. In 1922 komt zijn vrouw te overlijden. Kort daarna verhuist hij naar de Linnaeusparkweg 39 huis. Op dit adres komt na zijn verhuizing naar de Zwanenburgwal in 1923 de Muziekschool van Daniël Belinfante. Op de Zwanenburgwal 29 huis gaat Levie Wagenaar inwonen bij de rabbijn Alexander Salomons.
Zijn laatst bekende adres in Amsterdam is vanaf 1925 de Nieuwe Keizersgracht 62 huis met als toevoeging t.h.v (=ten huize van) Bolle. Het gaat om Mozes Bolle, directeur van de Nieuw Isr. Begrafenisvereniging. Dit adres is naast het postadres van de vereniging Het Weldadigheidsfonds.

Het NIW van 24 februari 1939 besteedt veel aandacht aan zijn verdiensten. De titel van het lange artikel is: “Een verdienstelijk Parnas heengegaan.”
Kort na zijn aankomst in Amsterdam treedt hij in 1904 bijvoorbeeld toe tot de Kerkenraad (van de Ned. Isr. Hoofdsynagoge). Hij wordt kort daarna lid van het bestuur om twee jaar later zelfs voorzitter te worden. De enige andere krant die (kort) aandacht aan zijn verscheiden geeft is Het Vaderland (20 februari 1939). Een fragment: “ Toen hij zich in 1937 wegens zijn hoge ouderdom niet langer beschikbaar wilde stellen voor den kerkenraad, werd hij wegens de vele diensten door hem aan de afdeling eredienst bewezen, benoemd tot ere-parnas, welke onderscheiding hem het recht deed behouden op zijn plaats in de bank der kerkvoogden. De overledene was verder o.m. voorzitter van het weldadigheidsfonds welke functie hij vele jaren met grote ijver heeft vervuld. De Regering heeft zijn verdiensten erkend door hem te benoemen tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.”

Tot slot nog een citaat uit het lange artikel in het NIW:
“Het heeft hem in zijn welbesteed leven niet aan blijken van waardering ontbroken. Zo is hem bij ’t 250-jarig bestaan der Grote Synagoge de Choweirtitel verleend en viel hem ter gelegenheid van 't gouden feest van het Weldadigheidsfonds de eer te beurt tot Ridder van de Oranje Nassau-orde te worden benoemd. Toen hij een kwart eeuw lid van het Kerkbestuur was, hebben vrienden en vereerders door den kunstschilder Laguna zijn portret doen vervaardigen, dat, nu hij overleden is, een plaats in de Kerkenraadzaal zal krijgen, om de herinnering aan wat hij voor de gemeente tot stand heeft gebracht voor het nageslacht te bewaren. En bij zijn aftreden als lid van het Kerkbestuur, werd hem verzocht zijn plaats in de Parnosiembank ter Grote Synagoge te blijven innemen, een onderscheiding, welke hij zeer op prijs heeft gesteld.”

Voor meer informatie over de kunstschilder ga naar Baruch Lopes de Leao Laguna

Jacob (genoemd: Jacques) Krijn
Jacques Krijn (15 december 1855 – 21 oktober 1941) wordt in 1914 benoemd in het bestuur van het Weldadigheidsfonds als opvolger van de heer J.E. Duizend (Joseph Duizend, van beroep diamantslijper, overleden in april 1914). Tot die tijd heeft Jacques Krijn gewerkt als ‘commissionair in effecten’.

Krijn en Zoon, bron: het Algemeen Handelsblad van 31-12-1917 (via delpher).

Jacques is geboren op 15 december 1855, op 10 november 1881 trouwt hij met Adriana de Vries. Samen krijgen zij vier kinderen. Vanaf 1909 wonen zij in de Sarphatistraat 48 huis.
Voor zover valt na te gaan, is hij na een periode van ‘gewoon bestuurslid’ een lange periode penningmeester geweest, in ieder geval nog tot en met 1936. Uit de jaarvergadering van 1938 blijkt dat zijn functie is overgenomen.

Jacques Krijn, ‘liquidatie’ van diverse Joodse bedrijven, bron: het Algemeen Handelsblad van 01-10-1941 (via delpher).


Van of voor hem geen In memoriam, hij is overleden op 21 oktober 1941 in Amsterdam. De Joodse verenigingen en bedrijven zijn dan voor het grootste deel (allemaal) verboden of overgenomen door niet-Joodse bewindvoerders. Het effectenkantoor van Jacques Krijn & Zoon is als gevolg van de verordening van 12 maart 1941 ‘geliquideerd’ (vo 48/1941). De naam Krijn & Zoon wordt voor het eerste gebruikt in een advertentie van 30 januari 1909.

Jacques Krijn, zijn overlijden in het Algemeen Handelsblad van 21-10-1941 (via delpher).

Overigens zijn in 1918 inmiddels twee zoons in de firma opgenomen.
Aanvulling Frits: Maatregelen betreffende de aanmelding van joodse bedrijven en de aanstelling van een Verwalter (=bewindvoerder)

Salomon Mozes Lissauer
In Joodse verenigingen was het niet ongebruikelijk dat zonen hun vader opvolgden of soms gelijktijdig in het bestuur zaten. In het geval van Salomon Lissauer is het wel heel opmerkelijk. In dezelfde vergadering waar zijn vader Aron David Lissauer wordt herdacht, wordt hij na een stemming in het bestuur van het Weldadigheidsfonds gekozen (1907). Deze opvallende opvolging wordt ook genoemd door de voorzitter, de heer Eitje. Hij zegt het bijzonder aangenaam te vinden dat de naam Lissauer weer in het bestuur genoemd zal worden.

Salomon is geboren op 22 februari 1863 en trouwt op 14 december 1898 met Truitje Asscher. Samen wonen ze enige jaren aan de Nieuwe Herengracht 217 en in de Plantage Parklaan 23 huis. Na het overlijden van zijn vrouw Truitje in 1929 gaat hij inwonen bij zijn dochter Marianne (getrouwd is met Eliazer Asscher) in de Van Breestraat 154 huis.
Salomon heeft gewerkt als handelsagent. In 1901 richt hij een eigen firma op: ‘De Industrieele Compagnie’. Salomon is grootaandeelhouder, hij bezit veertien aandelen tegenover zijn ‘comparanten’ elk drie (Bron: Nederlandsche Staatscourant van 15 mei en 2 november 1901).

Oprichting van de NV Industrieele Compagnie in 1901. Bron: delpher.


In 1896 heeft hij al eerder een vennootschap opgericht, samen met zijn broer Abraham, onder de welluidende naam: De Gebroeders Lissauer (zie afbeelding).

Salomon en zijn broer Abraham richten een vennootschap op in 1896. Bron: Algemeen Handelsblad van 02-02-1896 (via: delpher).

Bij zijn overlijden in 1939 wordt door het NIW (13 oktober 1939) stilgestaan bij zijn verdiensten voor de Joodse Gemeenschap.

Een kort In Memoriam voor Salomon Lissauer in het NIW van 13-10-1939 (via delpher).

Niet alleen zijn vele werk voor het Weldadigheidsfonds wordt genoemd, maar ook dat voor het Paascomité. Naast het sociale werk was hij actief in en voor de Nieuw Israëlitische Kiesvereniging.
In de woorden van het NIW: “Veel heeft hij achter de schermen gedaan, wars van hulde en dank. Enige jaren geleden achtte hij den tijd aangebroken, om zijn bestuursfunctie neer te leggen en met weemoed nam de N.I.K. afscheid van hem.
Met den heer Lissauer is weer één van de oudere generatie in onze Joodsche gemeente tot het eeuwige leven ingegaan. Hij toch was één der figuren, die zich trouw schaarden rond de administratieve leiders en te allen tijde tot hulp bereid was. Groot was de belangstelling bij de begrafenis.”

Familiebericht ivm het overlijden van Salomon Mozes Lissauer in 1939. Bron: het Alg. Handelsblad van 10-10-1939.

Media bestand