Verhaal

Biografie gezin Cohen-Frenkel

Salomon Cohen, later ook wel Sal genoemd, is de zoon van pettenmaker Mozes Cohen en Saartje Cohen-van Dam. Hij wordt in Coevorden geboren. Zijn ouders hebben een hoedenwinkel. In maart 1936 overlijdt zijn vader, zijn moeder sterft in 1951. Vijf kinderen van echtpaar Mozes en Saartje komen door het naziregime om het leven. Slechts één kind uit het gezin overleeft de oorlog.

Irene Frenkel, ook wel Jenny genoemd, is de dochter van winkeliers-echtpaar Simon Frenkel en Rosa Frenkel-Löwenstein. De ouders van Irene komen om in Auschwitz. De broer en zus van Irene weten met hun gezinnen de oorlog te overleven.

Salomon brengt de eerste jaren van zijn leven door in Coevorden. In de zomer van 1914 verhuist het gezin naar Enschede. Zijn ouders beginnen hier een hoedenwinkel (die in de oorlog geariseerd zal worden). In november 1929 vertrekt Salomon naar Lochem en gaat wonen in de Molenstraat, op nummer 5.

Irene werkt na haar schoolperiode als assistente in een vrouwenhuis in Bad Nauheim. In januari 1931 komt zij naar Nederland. Ze doet in Amsterdam vergelijkbaar werk. In juni van dat jaar vertrekt ze naar Hilversum waar ze enkele maanden werkt, en ook woont, in ‘Beth Refoeah’, een rustoord voor Joodse herstellenden. Ze is er ook opzichter bij een Joods ritueel. Kijkend naar de religieuze cultuur in die tijd, waarin Joodse vrouwen maar een beperkt aantal functies binnen de religieuze gemeente konden vervullen, is het aannemelijk dat dit bij het mikwe was, het rituele bad. Al na een paar maanden, in oktober, vestigt Irene zich in Apeldoorn. Ze gaat wonen in de Zutphensestraat, op nummer 106 en vervolgens op nummer 19. Irene heeft een relatie met Salomon. Het is niet bekend, wanneer ze elkaar hebben leren kennen, mogelijk in de tijd dat ze beiden in Duitsland woonden. Salomon laat zich in 1934 vanuit Amersfoort op het adres van Irene inschrijven. Hij werkt vanaf dat moment als bakker bij het Apeldoornsche Bosch.

In 1935 krijgen Irene en Salomon bezoek van Irene’s ouders. Een jaar later, op 23 januari 1936, geven Salomon en Irene elkaar in Apeldoorn het ja-woord. Als getuigen zijn aanwezig: Salomon Abraham van Witsen en Herman Nieweg.
Drie dagen later vindt de religieuze huwelijksplechtigheid plaats in de synagoge van Enschede. Met een feestelijk diner wordt de dag besloten, op het menu staan onder andere: soep, kipfilet, geroosterd kalfsvlees, een dessert en gebak.

Het eerste kindje van het echtpaar, Saartje, sterft vier weken na de geboorte, hun tweede kindje, Sonja, sterft na drie maanden. De ouders van Irene laten zich ook op de Zutphensestraat 19 inschrijven, dit doen zij in januari 1939. Irene bevalt op 21 augustus 1939 van een dochter die zij Carla noemt. Op 4 november 1940 verhuist het gezin naar de Zutphensestraat 181, de ouders van Irene verhuizen met hen mee. Ook de zus van Salomon, Roosje, trekt op een bepaald moment bij hen in. Daar krijgen Irene en Salomon in april 1940 nog een kindje, Malka. Ook dit kind sterft, vier dagen na haar geboorte.

De vader van Irene, Simon, wordt in een werkkamp vastgezet en moet daar in een werkverschaffingsproject arbeid verrichten. Hij wordt begin oktober 1942 overgeplaatst naar Kamp Westerbork. In de nacht van twee op drie oktober worden zes personen uit het pand aan de Zutphensestraat 181 gehaald. Drie van hen zijn de hoofdbewoners Irene, haar man Salomon en hun dochter Carla, maar ook Rosa Frenkel-Löwenstein, Roosje Cohen en tenslotte ook logé Rosalie Heimans, een inwonend personeelslid in het Apeldoornsche Bosch aan de overkant van de straat, worden gearresteerd. In Kamp Westerbork is de familie weer voor korte tijd herenigd.

De ouders van Irene worden op vrijdag 30 oktober 1942 naar Auschwitz gedeporteerd. Irene blijft met haar gezin en schoonzus Roosje Cohen in het kamp achter. Op dinsdag 10 november 1942 vertrekt uit het kamp transport 35, met als eindbestemming vernietigingskamp Auschwitz. Het gezin van Irene zit in één van de twaalf wagons, net als Roosje Cohen. Op 13 november 1942 komt het transport in Auschwitz aan. Irene, haar dochter Carla en haar schoonzus Roosje Cohen worden meteen na aankomst vermoord.

De sterfdatum van Salomon is bij wet vastgesteld op 21 januari 1945. Vast staat dat hij niet één van de drie mannen is geweest die in Auschwitz is geselecteerd voor dwangarbeid. In combinatie met de vermelding ‘Midden-Europa’ als de bij wet vastgestelde sterfplaats voor mensen van wie de exacte plaats van overlijden niet bekend is, moet hij één van de honderdtachtig gedeporteerden zijn geweest, die in Kosel door de nazi’s uit de trein zijn gehaald en van daaruit, tot aan zijn dood, als dwangarbeider is ingezet.

Het boek 'Niemand Mehr Da' en officieel vertaald uitgebracht onder de titel: 'There's Nobody Left' door Anna Junge, de site Joodse Werkkampen, Stichting Stolpersteine Twente, gemeente Coevorden, Streekarchief Eemland en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten). Digitaal Joods Monument, CODA Archief Apeldoorn, Erica adresboek van Apeldoorn, Yad Vashem, het Gelders Archief, afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork en het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters.

13 juni 2019