Verhaal

Herinneringen van Sippora Stibbe aan het gezin Hompes-Turksma

GEKKE LIEVE STOUTE OME!

Waarschijnlijk was het vroeg in de zomer van 1943 toen deze kleine geschiedenis plaats vond. In mijn herinnering was het zonnig weer en tijdens de bedrijvigheid van die kleine verhuizing waren wij veel buiten, dus het moet wel mooi weer zijn geweest.

Mijn zusje van 15 jaar - bijna 4 jaar ouder dan ik was - was sinds heel kort aan een nieuwe betrekking van dienstmeisje begonnen bij een mevrouw die twee zoontjes had en over niet te lange tijd een derde kind verwachtte.

Riekie kon goed leren, maar toen ze als 14-jarige van school af kon, wilde ze dat, want "ze wilde geld verdienen". Ze wilde niet nog eens minstens 4 jaar naar school gaan, zoals Annie, nummer drie in de rij van 6 kinderen, die ons gezin telde. Annie had daardoor wel een beter betaald kantoorbaantje gekregen, alhoewel ze liever een verpleegstersopleiding had willen volgen, maar het Zwolse Sophia-ziekenhuis kon haar niet aannemen, omdat onze vader een Jood was en dat mocht niet van de bezetter. Ze probeerde het bij het postkantoor als lokettiste, maar dat was ook een instelling van de overheid, dus dat mocht ook niet. Het hebben van twee joodse grootouders was toen een vloek, terwijl die mensjes allang niet meer bestonden.

Riekie's eerste baantje was geen succes: ze kwam te werken als dienstmeisje voor de ochtend bij een jong stel tegen 5 gulden in de week dacht ik. Die 5 gulden heb ik goed onthouden, omdat ze daarnaar kon fluiten na haar eerste week van werken, want mevrouw had een pas gewassen bloesje op de bovenkant van een deur te drogen gehangen en doordat Riekie een deur open liet staan, klapte de deur door een windvlaag dicht en waren op het bloesje vlekken verschenen van verf die niet helemaal droog bleek te zijn. Schade bloesje: 5 gulden, dus Riekie kreeg geen loon. Op naar de Sanatogenfabriek. Sanatogen was een soort gezondheidspoeder om op te lossen in de melk. De meisjes die daar werkten droegen mutsjes, zodat er geen haren in de poeder konden vallen, maar ondertussen moesten ze veel hoesten door de witte stof, die natuurlijk volop aanwezig was. Mijn ouders wilden dat ze er niet meer naar toe ging.

Het baantje bij mevrouw H. was beslist via-via gegaan, een boodschap afgegeven aan vader, die als kleine marktkoopman in wild, gevogelte, vellen en huiden, heel veel mensen kende. Joodse mensen mochten namelijk geen christenen in dienst hebben van de bezetter, maar wij uit ons gezin, meisjes met een joodse vader, mocht dat wel. Dat gaf verraders soms de stimulans om naar de politie te gaan, als ze een hoogblond meisje de stoep zagen schrobben van een door joodse mensen bewoond huis. Maar dan werd er bot gevangen. En dat was wel weer even iets leuks in die tijden, zoals Riekie ervoer toen ze bij de oude mevrouw Hirsch, de vrouw van de in 1941 overleden Rabbijn in dienst was.

De man van mevr. H. was al weg, gedwongen 'werken in Duitsland' zoals veel van de achterblijvers heel naief dachten en met hen veel niet-joodse mensen. De meeste Duitsers zeiden immers dat Joden lui waren en moesten leren werken met hun handen. Bovendien zat praktisch hun hele mannelijke bevolking in het leger door de bezetting van vele Europese landen. Zo kon het zijn dat mijn vader, toen een bekende van ons, Meijer Zwarts en zijn gezin het politiebureau in werd gebracht, bemoedigend naar Meijer riep: 'Doe maar goed oe best'! En tegen ons zei: 'Daar kan hij misschien promotie maken. Want Meijer was tot dan niet ver gekomen op de maatschappelijke ladder.

De Duitsers verkondigden dat de achterblijvenden later met hun kinderen, mannen en vaders herenigd zouden worden. Dat men dat in 't algemeen oprecht geloofde is, met wat we nu weten, zo onwaarschijnlijk, dat het zelfs nu nog, meer dan 70 jaar later niet te bevatten is.

Mevrouw H. behoorde denk ik tot de laatsten die konden blijven, misschien omdat er een baby geboren zou worden. Maar ze moest wel haar huis aan de Brederostraat uit. De straat was gelegen in een buurt waar gegoede middenstanders woonden. Waarschijnlijk waren er al veel spulletjes verhuisd. Mijn broer Benny had een handwagen gehuurd bij Klappe, die ook bakfietsen leverde, maar een bakfiets was duurder en naar later bleek onhandiger. Ik denk dat hij een paar keer op-en-neer is gegaan met spullen. Ondertussen paste ik op het jongste kind, een jongetje van 3 jaar. Met de oudste jongen was er geen contact. Hij was ongeveer 8 jaar en begreep misschien meer dan een kind moest begrijpen. Ik zag boekjes van de schrijver Roggeveen over een jongetje Daantje, ik dacht eerst dat het over een kabouter ging. ledere keer keek ik er even in als ik de kans kreeg en mevrouw H. zei dat ik ze wel mocht lenen. Zonam ik enkele boekjes mee naar huis.

Maar ondertussen was er een probleem, namelijk hoe kwam mevrouw H. helemaal in de Bitterstraat. Er werd gekozen voor de volgende oplossing: De voorkant van de kar ging naar de straat en er werd een bruine leren fauteuil op geplaatst. Daarna naar het midden verschoven en hield Benny de stoel tegen terwijl de kar weer omlaag moest zodat mevrouw H. in de stoel kon gaan zitten. We vonden het niet vreemd dat we zo - misschien zaten de jongetjes ook op de kar, dat weet ik niet meer - de lange weg van minstens 15 tot 20 minuten naar de Bitterstraat in de binnenstad liepen. Mevrouw H. kwam haar nieuwe behuizing in via een smalle trap. Het was een kleine bovenwoning.

Lang heeft ze er niet kunnen wonen. Wel nam mijn zusje Riekie de kleinste jongen enkele keren mee om te wandelen en ging dan naar ons huis, waar mijn vader met hem speelde en kietelde en hoog optilde. Als hij weer stond moest hij lachen en riep dan: Gekke, stoute, lieve ome. Misschien een heel korte tijd later kwam Riekie al snel na vertrek naar haar "dienstje" weer thuis. 'Ik kan er niet in', zei ze, 'de deur is verzegeld', zoals dat toen de uitdrukking was. Ik moest het zien en rende weg. De deur in het kleine donkere portiek was dichtgetimmerd met enkele planken. De mensen die op straat stonden, zeiden dat ze naar Amsterdam waren vertrokken. Dat gebeurde altijd, men moest zich vaak in Amsterdam melden als laatste vertrekplaats.

Sippora Stibbe

2 november 2014