Aanvulling

Fien/Dolly Drilsma

Fien werd zes jaar

Door: Carolien

Eén fotootje in het album van mijn opa en oma sprong er altijd uit. Van een klein meisje met een ernstige blik en een grote strik in haar haar. Het was niet mijn moeder, maar wie was ze wel? Het antwoord luidde steevast: “Dat was Dolly. Ze was in de oorlog bij opa en oma ondergedoken, maar ze is verraden.” En vervolgens kwamen de verhalen over de oorlog. Dat mijn opa en oma waren verhuisd van de Creutzbergerlaan in Beverwijk naar de Hoflanderweg toen hun woning opeens in de vuurlinie kwam te liggen. Hoe mijn opa en oma aardbeien smokkelden in de kinderwagen, met mijn moeder als baby als ideale dekmantel. Ik vond de verhalen vooral erg spannend. Pas later kwamen de vragen. Hoe kenden mijn opa en oma Dolly? Door wie was ze verraden? Waarom was mijn opa kort na zijn arrestatie alweer vrijgelaten? De afgelopen jaren hebben we een zoektocht ondernomen naar de antwoorden. Mijn opa en oma zijn helaas al lang geleden overleden, in 1975 en 1992. Voor informatie waren we aangewezen op het archief in Haarlem, Oorlogsnazorg van het Rode Kruis, Kamp Westerbork, het Nationaal Archief en het zeer grondige www.joodsmonumentzaanstreek.nl (Pim Ligtvoet en Erik Schaap). Daar hebben we niet alle antwoorden gevonden, maar wel veel. Deze reconstructie gaat niet alleen over Dolly. Het gaat ook over toeval, ambitie, pech en hebzucht.


Adolphina Gabrielle Drilsma is net zes geworden als ze in het najaar van 1942 onderduikt bij Leo en Sijtje van der Hoorn in Beverwijk. Leo en Sijtje wonen aan de Hoflanderweg 85, helemaal aan het einde van het rijtje aan de ventweg. Als Fien, zoals ze door haar ouders wordt genoemd, op haar tenen gaat staan, kan ze door het raam van de erker naar de weilanden aan de overkant van de straat kijken. Het is een fijn huis, maar heel anders dan het huis boven de manufacturenwinkel van haar vader Benjamin en moeder Esther aan de levendige Damstraat 4 in Zaandam. Dit huis heeft veel plekken waar ze zich kan verstoppen. Achter de schuifdeurtjes onder het schuine dak in de slaapkamer, op de grote zolder waar je alleen met de uitschuifbare trap kunt komen. En in de schuur die Leo in de tuin heeft gebouwd, waar hij in zijn vrije tijd timmert aan de grote werkbank en waar het een beetje vochtig ruikt. Op de Hoflanderweg heet ze geen Fien, maar Dolly.

 

Leo is politieman. Hij is in 1910 in Haarlem geboren en opgeleid tot timmerman. In 1928 haalt hij zijn getuigschrift aan de Teekenschool der St Jozefsgezellenvereeniging in Haarlem. In de crisistijd is het moeilijk om aan werk te komen. In 1931 besluit hij daarom bij de Koninklijke Marechaussee in Amsterdam te gaan. Vooral eigenlijk omdat hij dol is op paarden. In 1937 stapt hij over naar de politie in Beverwijk. Daarmee treedt hij in de voetsporen van zijn vader. Met zijn ruim 1,90 meter is hij een imposante verschijning.

 

Verhuizen

Fien heeft het afgelopen jaar op veel verschillende plekken gewoond. Zaandam, Amsterdam, Krommenie, Beverwijk. Het begon met de brief die haar ouders in januari kregen van de Joodsche Raad. Alle joden uit Zaandam moeten uiterlijk 17 januari 1942 verhuizen naar Amsterdam. Dat betekent nogal wat voor de familie Drilsma: hun huis, hun winkel en alle spullen moeten ze achterlaten. Ze mogen alleen meenemen wat ze kunnen dragen. Zaandam is de eerste gemeente in Nederland waar deze maatregel wordt ingevoerd.

 

Maar de brief was eigenlijk niet het begin. Het gedwongen vertrek uit Zaandam is de zoveelste stap om het leven voor joden onmogelijk te maken. Het kopen bij joodse winkeliers wordt ontmoedigd. In juli 1940 hebben NSB’ers een plakkaat op de ruit van de winkel geplakt: ‘Nederlanders, koopt niet bij Joden.’ In oktober worden haar ouders gedwongen de zaak als joodse onderneming te registreren en in maart 1941 wordt een niet-joodse bewindvoerder aangesteld. In augustus moeten Benjamin en Esther, evenals alle andere joden, hun geld afstaan aan de roofbank Lippmann- Rosenthal. Langzaam maar zeker sluit het net zich.

 

Met het vertrek naar Amsterdam in het vooruitzicht verdelen haar ouders hun spullen. De kostbare stoffen uit de manufacturenwinkel, rollen met wol, katoen, satijn en linnen, gaan naar Cornelia Manneveld, hun dienstbode, en haar man Klaas. Zij krijgen ook de kostbaarheden in bewaring. Klaas heeft een fietsenwinkel in Krommenie, aan de Heiligeweg 43. In de kelder is ruimte om de spullen op te slaan. In de hoop op betere tijden. Het bed en de zware salontafel gaan naar Jannetje, de zus van Cornelia, en haar man.

 

Benjamin, Esther en Fien vertrekken op 17 januari 1942 inderdaad naar Amsterdam, maar daar wonen ze maar even, aan de Lekstraat 112 ii. Bij aankomst in Amsterdam is de stemming grimmig. Er vinden voortdurend razzia’s plaats.

 

Krommenie

Benjamin en Esther besluiten daarom onder te duiken in Krommenie, bij Willem en Aaltje Bleeker in de Noorderhoofdstraat 70. Het huis ligt vlakbij de winkel en het huis van Cornelia en Klaas Manneveld. Het is maar een paar minuten als je stevig doorstapt. Willem en zijn hoogzwangere vrouw Aaltje hebben een kapsalon op de begane grond van hun kleine woning. Benjamin en Esther gaan op de krappe zolder wonen. Met Fien erbij is het eigenlijk te klein. Ze wordt ondergebracht bij Cornelia en Klaas. Maar daar is het kleine meisje niet veilig. Met haar zwarte haar en donkere ogen loopt ze veel te veel in de gaten. Er wordt ‘gekletst’.

 

Klaas brengt uitkomst. Hij is bevriend met een politieman uit Beverwijk, Leo van der Hoorn. Leo is geïnteresseerd in fietsen en motoren en komt vaak in de winkel van Klaas om de nieuwste aanwinsten te bewonderen. Bij een bezoek aan zijn winkel vraagt Klaas of Leo en zijn vrouw Sijtje voor Fien willen zorgen. Het huis aan de Hoflanderweg in Beverwijk is ideaal gelegen en een politieman is minder snel verdacht. Leo stemt toe. Fien verhuist naar Beverwijk en gaat verder door het leven als Dolly. Waarschijnlijk is ze naar Beverwijk gebracht door Rie, de zus van Aaltje.

 

De bezetting door de Duitsers drukt een zwaar stempel op het dagelijks leven. Tegelijkertijd gaat het gewone politiewerk ook door. In de dagrapporten wordt melding gemaakt van veel kwajongensstreken, fietsen zonder licht, het saboteren van verkeersborden om de bezetter de verkeerde weg op te sturen en incidenteel een aanhouding vanwege het smokkelen van levensmiddelen.

 

Paard en wagen

Op 1 augustus 1941 werkt Leo het dagrapport bij. Hij beschrijft hoe hij tijdens zijn dienst een combinatie van paard en wagen, beladen met melk, die op hol is geslagen en in de richting van de drukke Breestraat dendert tot staan weet te brengen. Door zijn werk als marechaussee heeft hij veel ervaring met paarden. “Ik trachtte het paard tot staan te brengen, door haar bij het hoofd te grijpen, maar door het vele schuim greep ik mis, met als gevolg dat het paard de Bloksteeg in rende. Door mij langs de wagen naar voren te trekken, mocht het mij gelukken, het paard, ongeveer 30 meter voor de Breestraat tot stilstand te brengen.” De bestuurder verklaart later dat het paard op de Pruimendijk was geschrokken van een passerende stoomtrein. Het levert Leo een extra dag verlof op.

 

Tien maanden later, op 26 mei 1942 doet zich wonderlijk genoeg een gelijksoortig incident voor. Maar dan is het geen paard en wagen met melk, maar een aantal Duitsers van de Wehrmacht dat de macht over de paarden verliest. Leo ziet het gebeuren en weet met gevaar voor eigen leven het span tot staan te brengen. Hij raakt licht gewond. Ook deze keer krijgt hij een extra dag verlof als beloning ‘voor een bijzondere prestatie.’ Hij weet dan nog niet dat juist deze gebeurtenis hem enkele maanden later het leven zal redden.

 

In de tijd dat Fien/Dolly bij Leo en Sijtje is ondergedoken komen haar vader en moeder haar af en toe bezoeken. Niet te vaak, om niet op te vallen. Een enkele keer maakt Dolly de reis naar Krommenie, waar ze een nachtje bij haar ouders logeert. In het kleine huisje deelt ze het bed met Rie, de zus van Aaltje.

 

Die bezoekjes zijn niet zonder gevaar. Vlakbij het onderduikadres van haar ouders in Krommenie woont Anton Gerrit Jongsma. Hij is in 1942 benoemd tot burgemeester van Krommenie. Een kleine gezette man. Zijn bijnaam luidt Gekke Gerrit en dat is niet zonder reden.

 

Gekke Gerrit

Jongsma is net veertig en heeft al een kleurrijk leven achter de rug. Op zijn 14e, aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, loopt hij van huis weg, omdat hij van zijn ouders niet bij de padvinderij mag. Hij gaat op de fiets van Zwolle, waar hij woont, naar België en neemt dienst in het Duitse leger. In 1918 heeft hij zijn sporen verdiend. Hij keert terug naar Nederland met het IJzeren Kruis op zak.

In de jaren dertig schopt hij het tot douaneambtenaar in Rotterdam, ook wordt hij actief in de NSB. De baan bevredigt de ambitieuze Jongsma niet. Hij wil hogerop. Hij wil burgemeester worden, een baan die tot dat moment vooral is voorbehouden aan de elite. Hij doorloopt met succes de NSB-burgemeesterscursus en wordt in 1941 waarnemend burgemeester in Maartensdijk. Op 11 juli 1942 gaat zijn droom in vervulling. Hij wordt benoemd tot burgemeester in Krommenie en verhuist met zijn vrouw Louise en hun kinderen naar de burgemeesterswoning aan de Zuiderhoofdstraat 70. Het huis staat schuin tegenover het gemeentehuis.

 

Jongsma neemt zijn werk zeer serieus. ’s Avonds, na spertijd gaat hij vaak de straat op, in gezelschap van zijn hond. Wie zich dan nog buiten waagt loopt de kans door de burgemeester persoonlijk te worden aangehouden of door de hond te worden opgejaagd. Jongsma heeft meestal één, maar vaak zelfs twee pistolen op zak en die gebruikt hij ook. Zijn fanatisme gaat zelfs veel NSB’ers in het dorp te ver.

 

Donderdag 10 december 1942 is een koude, onbewolkte dag. In de loop van de middag wordt op het gemeentehuis in Krommenie een brief bezorgd, een afzender ontbreekt. In de brief staat dat de joodse familie Drilsma zit ondergedoken boven de kapperszaak van Willem Bleeker in Krommenie. De brief wordt geopend door Gerrit Reinier Mozer, evenals Jongsma een ambitieuze NSB’er.

 

Invallen

Nog diezelfde dag gaat Jongsma op pad. Hij doet dat samen Mozer. In totaal doen ze drie invallen, kort achter elkaar. Ze beginnen bij Jannetje, de zus van Cornelia. Vervolgens gaan ze naar de fietsenwinkel van Klaas Manneveld en rond half negen bellen ze aan bij Willem Bleeker. Manneveld, Esther Drilsma, Willem Bleeker en ook de man van Jannetje worden gearresteerd. Benjamin komt net terug van een bezoek aan zijn dochter in Beverwijk. Hij weet nog even uit handen van de politie te blijven, maar ook hij wordt uiteindelijk gearresteerd.

 

Bij Jannetje nemen Jongsma en Mozer de meubeltjes van de Drilsma’s in beslag. Manneveld moet alle stoffen en kostbaarheden afgeven. Bij Willem Bleeker halen ze het hele huis overhoop. Ze vullen twee koffers met zeep, wol, bussen pruimen, toiletzeep, een nieuw stel ondergoed, een geldkistje met 300 gulden, een veldfles en een pak scheerzeep uit de kapsalon. De meeste spullen gaan in de bakfiets van een van de agenten rechtstreeks naar het huis van Jongsma aan de Zuiderhoofdstraat.

 

Verschillende getuigen verklaren na de oorlog dat Jongsma en zijn vrouw kleren van de Drilsma’s droegen. Bleeker vertelt dat Jongsma een tas, kostuum, regenjas, sierketting en sigarettenpijpje van de Drilsma’s gebruikt. Mevrouw Jongsma tooit zich met de bontjas van Esther Drilsma. Zelf verklaart Jongsma later: “Veel spullen van Drilsma hebben in mijn woning gestaan, maar ik heb er niets van gebruikt. Wat overbleef nadat de spullen naar Amsterdam waren gebracht, werd onder de behoeftigen verdeeld.”

 

Op het bureau in Zaandam raakt Manneveld in gesprek met politieman Visser. Hij vertrouwt hem en vertelt uit zichzelf dat de familie Drilsma zit ondergedoken bij kapper Bleeker aan de Noorderhoofdstraat 70 in Krommenie. Hij vraagt Visser om Willem Bleeker en Leo van der Hoorn in Beverwijk te waarschuwen. Hij geeft Visser een briefje voor zijn vrouw. Daarop staat dat er nog goederen van de Drilsma’s in de kelder liggen die nog niet gevonden zijn. Hij schrijft er ook op dat hij Jongsma en Mozer niets heeft verteld. Visser belooft het briefje te overhandigen en zegt zowel Bleeker als Van der Hoorn te zullen waarschuwen.

 

Beverwijk

Met de arrestatie van Benjamin en Esther is Jongsma nog niet tevreden. Hij wil dat ook Fien wordt gearresteerd. Vanuit Krommenie belt hij het politiebureau in Beverwijk. Brigadier Hugtenburg neemt op. Jongsma stelt zich voor als de burgemeester van Krommenie en draagt Hugtenburg op om Leo van der Hoorn en Fien te arresteren. Hugtenburg zit met de opdracht in zijn maag. Hij overlegt met zijn collega Peter Vellekoop en samen besluiten ze eerst te rade te gaan bij hun baas, mr. J.P. Engels, Hoofd-Inspecteur van de politie in Beverwijk.

 

Over wat er dan gebeurt lopen na de oorlog de verhalen uiteen. Volgens Engels geeft hij de agenten opdracht om te handelen ‘naar bevind van zaken’. Volgens Vellekoop en Hugtenburg geeft Engels klip en klaar de opdracht om Van der Hoorn en het meisje te arresteren.

 

Het is bijna middernacht als ze bij Leo en Sijtje aanbellen op de Hoflanderweg 85. Leo en Fien worden gearresteerd en in een van de weinige politieauto’s die het korps op dat moment rijk is naar het bureau in Beverwijk gebracht. Sijtje gaat met haar man en het meisje mee, maar kan niet veel uitrichten. Fien en Leo brengen de nacht door op het bureau in Beverwijk.

 

De volgende dag overlegt Lambert Hendrik Molenaar, inspecteur van politie in Beverwijk met Engels. Wat te doen met hun eigen politieman die nu in de cel zit? En met het meisje? Engels draagt Molenaar op om zowel Leo als Fien naar het politiebureau aan de Marnixstraat in Amsterdam te brengen ‘omdat de zaak toch al stuk is,’ en om vervolgens zijn best te doen om Leo zo snel mogelijk weer vrij te krijgen.

 

Molenaar brengt Leo en Fien met de auto naar Amsterdam. Daar wordt Leo verhoord. Leo, na de oorlog: “De SD’er Kaper onderhield mij onder andere over leer van het geloof (ik ben lid van de R.K. Kerk) en zei dat ik eraan meewerkte om het Jodendom te verspreiden.” Volgens sommige getuigen ontkent hij te hebben geweten dat het meisje joods was. Zelfs als Manneveld, die ook gearresteerd was, tegen hem zegt: “Leo, beken nou maar, de zaak is toch stuk.” Volgens andere verklaringen houdt Leo vol dat het meisje zijn eigen dochter is. Hij zou door de mand zijn gevallen toen Benjamin Drilsma het politiebureau werd binnengebracht en Fien haar vader in de armen vliegt.

 

Terwijl Leo en Fien op het bureau in de Marnixstraat zitten, arriveert de ene na de andere arrestant. Cornelia en Klaas, haar zus Jannetje en haar man. Willem Bleeker. Benjamin en Esther. Maar daar blijft het niet bij. Zeven joden uit Haarlem worden binnengebracht, onder wie ook de vader van Benjamin. Ze zijn verraden maar het blijft speculeren door wie.

De hereniging van Fien en haar ouders is van korte duur. Fien wordt naar het Joodse Weeshuis in Amsterdam gebracht. Sijtje van der Hoorn gaat naar de Joodse Raad in Amsterdam in een poging haar vrij te krijgen. Die poging zal tevergeefs blijken.

 

Onbetaald overwerk

Intussen wordt Leo op het bureau aangesproken door een Amsterdamse politieman, Hendrik Blonk. Blonk is NSB’er en in december 1942 bij het bureau Joodse Zaken in Amsterdam aangesteld als ‘jodenhaler’. Blonk weet van het incident met het span paarden en de Wehrmachtsoldaten. Als hij hoort dat Leo is gearresteerd, spant hij zich in om hem nog diezelfde dag vrij te krijgen en dat lukt. Iemand die Duitse soldaten van de Wehrmacht heeft gered, kan immers geen foute Nederlander zijn. Molenaar neemt Leo weer mee terug naar Beverwijk, zonder Fien.

 

Eenmaal terug in Beverwijk wordt Leo van der Hoorn disciplinair gestraft voor het bieden van onderdak aan een joods onderduikstertje. Hij moet ruim 200 uur onbetaald overwerken. Dat vertikt hij en niemand op het bureau begint er ooit nog over.

Op 9 januari 1943 wordt Fien samen met haar ouders naar Westerbork gebracht. Daar worden ze herenigd met de oma van Fien, de moeder van Esther die al in november bij een razzia in Amsterdam is opgepakt. Op 11 januari gaan Esther en Benjamin op transport naar Auschwitz. Esther Drilsma wordt bij aankomst vermoord. Benjamin wordt aan het werk gezet, hij bezwijkt op 30 april.

Fien gaat samen met haar oma op 2 maart 1943 op transport naar Sobibor. Het is het eerste transport naar dit vernietigingskamp. Op 5 maart worden ze direct na aankomst vermoord.

 

Leo van der Hoorn blijft nog tot 1970 als brigadier in dienst van de politie in Beverwijk. Hij werkt daar nog enige tijd samen met Hugtenburg en Vellekoop. Na de oorlog wordt hij hoofd van de verkeersdienst van de politie. Sijtje en hij zijn altijd op de Hoflanderweg in Beverwijk blijven wonen. Leo overlijdt op 14 augustus 1975, hij is dan net 65.

 

© Carolien van Eykelen

Met medewerking van Ben Maandag

Reacties: c.vaneykelen@gmail.com

Alle rechten voorbehouden