Verhaal

Gezin Mozes de Metz

Mozes de Metz was getrouwd met Cato Levij. Het echtpaar had één zoon, Herman. Het gezin woonde in de Vinkenstraat 61 B in Groningen. Mozes had als roepnaam Moos en Cato werd Tootje genoemd.
Mozes de Metz was thuiswerkend schoenlapper. Een van de slaapkamertjes in het huis was zijn werkplaats. Hij had zijn vaste klanten, maar hij en zijn vrouw gingen ook langs de deur om te vragen of er iets te repareren viel.
De briefschrijfster was bevriend met Herman de Metz. Het gezin De Metz woonde boven haar ouderlijk gezin. In haar herinnering was Cato “knap, vlot, en net een beetje opvallender gekleed en gekapt dan de rest van de buurvrouwen”.
Toen het ouderlijk gezin van briefschrijfster naar een ander adres in Groningen verhuisde, bleef de vriendschap bestaan. Ze kwamen regelmatig op zondag bij elkaar.
“Toen in mei 1942 het dragen van de jodenster verplicht werd, moest Herman, die immers al ouder was dan zes jaar, er ook aan geloven. Kort daarna was ik weer eens een zondag bij de De Metzen te gast. We speelden op zijn kamertje, toe hij zei: ‘We hebben nog wel meer sterren. Zal ik ook eentje op jouw jas naaien?’ Ik herinner me nog heel goed dat hij daarmee zat te prutsen – en toen het klaar was, was ik heel content: ik hoorde er nu ook bij. We speelden buiten met andere kinderen, en ik voelde me heel trots met die ster op. Na de avondboterham kwam mijn vader mij weer halen. Ik trok mijn jas aan en liet hem mijn pas verworven onderscheiding zien. Hij – en dat vind ik tot op de dag van vandaag zo fantastisch goed van hem – hij keek er naar, maar vertrok geen spier.”
Mozes de Metz is op verdenking van zwarte handel opgepakt en naar het concentratiekamp Amersfoort gedeporteerd. Daar is hij om het leven gebracht.
Brief aan Ies Lipschits, 10 oktober 2002

Van dit huishouden is ook een JOKOS-dossier (nummer 8450) aanwezig op het Gemeentearchief van Amsterdam. Voor inzage is toestemming nodig van de stichting Joods Maatschappelijk Werk.