Verhaal

Hélène Levy was ondergedoken in Amsterdam

Door: Mandy Duijn

Deze bijdrage is toegevoegd via AndereAchterhuizen.nl, waar verhalen van Joodse onderduikers in kaart worden gebracht.

Vlak voor de Hongerwinter werd ik achter op de fiets terug naar mijn moeder gebracht in Amsterdam. Op dat moment was ik het enige kind bij haar thuis, mijn broertje en zusje zaten nog ergens anders ondergedoken. Ik weet nog dat ik met mijn moeder in de rij moest staan voor een pannetje soep. Ik houd er nog steeds niet van om in de rij te staan voor eten, zoals bij een buffet: dat doet me aan de oorlog denken.

Na de oorlog kwam mijn vader terug uit Polen. Hij heeft toen de andere kinderen opgehaald. Mijn broertje zat bij twee dames in de Beethovenstraat in Amsterdam, die hem graag hadden willen houden. Mijn zusje kwam terug uit Erp. Ik was inmiddels vijf jaar.

Het leven na de oorlog vond ik heel leuk. Ik ging voor het eerst naar school en ik kon overal spelen. Het onderduiken heb ik niet als een hele nare ervaring beschouwd. Ik kan me er natuurlijk ook niet zo veel meer van herinneren. Een trauma heb ik er in ieder geval niet aan overhouden.

Het trauma kwam pas na de oorlog, toen ik zo’n moeite had met mijn achternaam en het Joods zijn. Mijn vader wilde na de oorlog niets meer te maken hebben met het Jodendom. Een patiënt van hem adviseerde hem om een nieuwe achternaam te kopen. In Zeeland had je verzonken dorpen met rechten. Mijn vader heeft toen zo’n dorp gekocht, zodat we legaal een nieuwe achternaam konden aannemen. We heetten toen Van Vinninghe. Op school heb ik Levy nooit gebruikt. Ik had een hekel aan dat woord, aan die naam. Men kende mij als Hélène van Vinninghe. Ik zag mijn eigen naam als iets om me voor te schamen. Ik heb me zo genoemd tot ik ging trouwen, toen heb ik de achternaam van mijn man aangenomen. Nu vind ik het jammer dat mijn ouders me niets geleerd hebben over het Jodendom en over de feestdagen. Ik heb dat nooit meer opgepakt.

Alle rechten voorbehouden