Aanvulling

Nieuwe Keizersgracht 33

Van oude rabbijnen en Art Nouveau

Jom Kippoer in de schuilsynagoge van Nwe Keizersgracht 33 II Door: Denise Citroen

"De kelder van Nieuwe Keizersgracht 33 werd in de oorlog gebruikt als tijdelijke opslag van in de onderduik gestorven joden die graag Joods begraven wilden worden. Het was een hachelijke onderneming om de lijken weg te brengen naar het Jodenmanussie, zoals de Israëlitische begraafplaats Zeeburg in de volksmond genoemd werd. "
Ruud Schimmel, al 40 jaar eigenaar/bewoner van het benedenhuis van het pand, heeft allerlei verhalen over het rijke religieuze verleden van zijn huis bij elkaar in een map verzameld.

Art Nouveau

Bij de eerste aanblik van de gevel valt op dat dit huis uit 1902 anders is dan de buurhuizen, als een eenling te midden van een groep vrienden, samen maar toch apart. Dat het hier om een prachtig voorbeeld van Art Nouveau gaat, zie je pas goed als je dichterbij komt: de balkonversiering, het tegeltableau in de portiek, de bewerking van de houten voordeuren, de sierlijke handgrepen, alles ademt de verfijnde stijl van deze periode. Met veel gevoel voor detail laat Ruud momenteel de balkons aan de achterkant in oude glorie herstellen. Trots laat hij de houtverbindingen zien van de gefiguurzaagde houten balkonspijlen die in het tuinhuis klaarliggen om hun taak te gaan vervullen. Bij zijn komst in 1971 vond Ruud een paar overblijfselen als tastbare herinneringen aan het religieuze joodse leven dat dit pand gekend heeft: een mezoeza aan een deur, die bij het schilderen helaas is verdwenen, en een tijdklok bij de meterkast, een modern alternatief voor de sjabbesgoi, die tijdens de sjabbat de familie van licht voorzag. Zijn vertrouwdheid met de joodse gebruiken en uitdrukkingen heeft Ruud van huis uit meegekregen. Zijn vader groeide op in een katholiek gezin in de Transvaalbuurt en maakte op straat en als sjabbesgoi het joodse familieleven van dichtbij mee. Ruuds vrouw Ada Nung, overleden in 2002, was met haar eigen ensemble een bekende vertolkster van Jiddische en Ladino liederen.

De schuilsynagoge

Het echtpaar Elisabeth (1902-?) en Salomon (1908-1976) Mendes Coutinho-Sarphati kwam vlak voor de oorlog in het benedenhuis wonen. Coutinho was de sjammasj (koster) van de Portugese Israëlitische Gemeente in de vlakbij gelegen Snoge. In 1941 verhuisden zij naar de 2e verdieping. Bij een van de laatste razzia's in mei 1943 werden ze op transport gesteld naar Westerbork. De Snoge sloot haar deuren. Dankzij het Ariërbewijs van Elisabeth waren ze drie maanden later weer terug in Amsterdam. Dit bewijs hadden ze te danken aan hun buurman Cees Teutscher (1912), die al eerder haar vader Joseph en zuster Marianne met valse papieren uit de Hollandsche Schouwburg had weten te krijgen. Vanaf het najaar 1943 tot aan de bevrijding in 1945 werden er op zaterdag overdag en met Joodse feestdagen diensten gehouden op de 2e verdieping. In het diepste geheim was bovendien de kelder aan de achterkant van het huis ingericht als mikwe (ritueel bad). Dit was alleen mogelijk omdat de toenmalige bewoner van de tweede verdieping, de schilder Anton Witsel (1911-1977), meehielp waar hij kon. Elisabeth droeg al voor de oorlog de zorg voor de rituele reiniging van overleden joodse vrouwen. Hier ging ze mee door toen de overleden onderduikers, zowel mannen als vrouwen, tijdelijk in de kelder van het benedenhuis werden bewaard.

In ieder verhaal over de schuilsynagoge speelt het volgende wonder een belangrijke rol. Op Rosh Hashana 1944 werd er tijdens een druk bezochte dienst op de deur gebonsd en bij het opendoen trof Elisabeth een gevreesde SS-er tegenover zich. Dankzij haar tegenwoordigheid van geest wist ze de man de deur te wijzen door hem kalm maar beslist de andere kant op te sturen naar het adres Keizersgracht 33 bij het Centraal Station. Intussen waren de mannen vanaf 2-hoog het dak op gevlucht. Zij konden later een voor een het huis weer verlaten. Voor hun inzet en moed zijn zowel Sam als Elisabeth na de oorlog geëerd.
Kort na de oorlog kwam de familie Mennes op de 2e verdieping wonen. Dochter Nola was toen drie maanden oud, en is er nooit meer weggegaan. Op deze etage is de indeling en het houtwerk nog helemaal in oorspronkelijke staat: de alkoof tussen voor- en achterkamer, de schuifdeuren tussen de kamers, de koperen haakjes aan de deuren en alles even mooi en strak in de verf. In de keuken wijst Nola aan waar een etage hoger in eenzelfde keuken tijdens de oorlog de plek was van een dubbelwandige kast waarin iemand zich kon verbergen. Ook die kast heeft levens weten te redden. Een kopie van Witsels tekening van een illegale dienst hangt aan de muur tussen de ramen met bovenin het glas-in-lood, dat ook op de tekening te zien is. Onder de regelmatige bezoekers die Witsel heeft getekend treffen we de bewoner van 3-hoog Jeremias Barth (1894-?), Willem Mendes da Costa ( 1914-1944), Eitje, Rodrigues Pareira, Italiaander, Stokvisch, Rood en Vega. Het is niet moeilijk je voor te stellen hoe de naar verluidt soms wel dertig mannen de voorkamer vulden met hun gedempte geschuifel, gemompel, gekuch en gezangen.

Huis van rabbijnen

Begin 20e eeuw werd het benedenhuis bewoond door de familie Cattella die diverse functies in het kerkbestuur van de Snoge bekleedde, en vlak na de oorlog kwam opperrabbijn Justus Tal vanuit de onderduik in het pand wonen. Op de binnenplaats werd de jaarlijkse loofhut gebouwd met een volgens de voorschriften gedeeltelijk open dak , zodat de sterren erdoorheen schijnen. Dat speciale dak en wat eronder gebeurde oefende een grote aantrekkingskracht uit op de buurkinderen. Als Nola zich over het balkon van haar slaapkamer heen boog keek ze recht naar binnen. Zij en haar zusje hielden het bij kijken, maar haar buurjongens mikten vanaf het belendende dak propjes in de loofhut.
Na het overlijden van Tal in 1954 kwam er opnieuw een rabbijn in huis: de uit Hongarije afkomstige Jacob Zwi Katz (1890-1963), die dankzij bemiddeling van de koningin naar Nederland kon komen. Beide rabbijnen waren verbonden aan de synagoge in de Nieuwe Kerkstraat, in de wandeling de Russensjoel geheten. Meneer A. Aronson, oud-beheerder van de synagoge, kan zich de eerste ontmoeting met deze vermaarde rabbijn nog goed herinneren, Katz’ lange witte baard maakte minstens zoveel indruk als zijn wijsheid.
Sam Mendes Coutinho is niet lang voor zijn dood in 1976 nog eens bij Ruud en Ada aan de deur geweest. Ruud: "Ik had toen geen oog voor de historie, was druk met andere dingen, ik had hem graag nog van alles willen vragen en naar hem willen luisteren. Ada heeft thee met hem gedronken. ’s Nachts zag ze soms een oude rabbijn door het huis dwalen. "
Dankzij Anton Witsel zijn de rabbijnen uit die tijd nog steeds te zien. Bij het weggaan zie ik hoe de leeuw die alles zag vanaf het dak over het pand waakt.
Tekst en foto's Denise Citroen

Dit verhaal verscheen eerder in het Plantage Bulletin 2010-3,

Media