Verhaal

Plantage Parklaan 6

Het huis met de geesten

rusthuis van Zweden
Alle rechten voorbehouden

“Dat oude schuifje op die deur is mij nooit eerder opgevallen”, zegt Ko tijdens onze rondgang door zijn huis, op zoek naar bijzondere details. We zijn in de Plantage Parklaan op nummer 6, het geboortehuis van Ko van Geemert waar hij nog steeds woont. In de loop der jaren is hij een paar keer hen en weer verhuisd, tussen de tweede etage waar hij als kind met zijn ouders en zusje woonde, en de derde etage plus zolder waar hij nu samen met zijn vrouw Wilma woont.

Vooroorlogse sfeer

Plantage Parklaan 6 kijkt aan de voorkant uit over de Hortus en aan de achterkant over de middentuinen die zich uitstrekken tot de Plantage Kerklaan. Het huis vormt met een aantal buurpanden (no. 2 tm 7) een fraaie bouwkundige eenheid. Wie de architect is van deze panden die in de tweede helft van de 19e eeuw gebouwd zijn, is in het stadsarchief jammer genoeg niet terug te vinden.
Meteen bij binnenkomst valt de originele staat van de gang en het trappenhuis op. Ko en Wilma ontvangen me op een warme voorjaarsdag met open ramen. Boeken en herinneringen aan hun vele reizen vullen de voor- en achterkamer die opvallend licht zijn. Een haast vooroorlogse sfeer ademt het huis, de verdieping is verdeeld in verschillende ruimtes, met zij- en tussenkamers en ingebouwde bovenkasten die onder het plafond hangen. Het lage granito aanrecht in de keuken heeft een originele spoelbak met zwartwit geblokte tegeltjes en houten onderkastjes zonder plint. Op de deuren zitten restanten van oud hang- en sluitwerk: een schuifje, haken en ogen, als stille getuigen van vroegere bewoning.

Rusthuis van Zweden

Als kind heeft Ko van zijn moeder gehoord dat er nummers op de deuren stonden, misschien hadden er mensen op kamers gewoond, in een soort pension? Wilma heeft het idee dat er véél mensen gewoond hebben,’s nachts voelt ze soms hun aanwezigheid. Het stadsarchief geeft beiden gelijk. Maar eerst verder terug in de tijd. Het oudste adresboek uit 1887 maken melding van Joodse bewoners van stand: de arts Hijman Pop, Zadok Bonnist, zakkenhandelaar, en de commissionair Goudeket. Drogist Alexander Polak, geboren in 1855, woont omstreeks de (vorige) eeuwwisseling in het bovenhuis, in de Jodenbreestraat 49 heeft hij zijn winkel, tegenover het huidige Kruidvat. Midden in het hart van de Jodenbuurt met zijn vele diamantwerkers heeft Polak zich gespecialiseerd in diamantwerkers-cement, kruiden en chirurgische instrumenten aldus een advertentie in het telefoonboek van 1900.
De laatste bewoner van het benedenhuis voor de oorlog is de antiquair Emanuel Duits met vrouw en dochter. De dochter vertrekt in 1938 naar Buenos Aires, haar ouders worden in 1943 vermoord in Sobibor.

Tijdens de oorlog

Hiermee komen we bij de onvermijdelijke verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Wat is er gebeurd met de bewoners in het bovenhuis van Ko en Wilma? Op een verrassend grote stapel adreskaarten uit het Stadsarchief, aan beide kanten volgeschreven, staan alle namen en geboortedata, de aankomst en vertrekdata van de bewoners van het huis vanaf 1893 tot 1953. Het oorlogsverhaal begint met de inschrijving van de 26-jarige verpleger Hartog van Zweden in 1934, samen met die van Hartog Polak, Nathan Haring en Abraham Mol, joodse mannen van boven de 70. Een jaar later zijn dat er al zestien, gevolgd door dertien mannen in 1936, het topjaar 1937 kent achttien ingeschreven ouderen. Ze dragen fraaie achternamen als Komkommer en Druif, Hartloper en Platvoet. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog blijkt Plantage Parklaan 6 een tijdelijk opvanghuis voor in totaal zo’n honderd oudere Joden te zijn. Het bovenhuis is voor velen hun laatste adres, en voor anderen een doorgangshuis. Van en naar inrichtingen wel te verstaan, zoals het Joods Psychiatrisch Ziekenhuis Het Apeldoornsche Bos. De mannen zijn niet alleen oud maar hebben ook psychiatrische klachten. Gezien hun hoge leeftijd is het niet verwonderlijk dat in totaal zo’n 32 mannen na enkele maanden in huis komt te overlijden. Al lopend over de zolderverdieping bedenken we met enige fantasie hoeveel mannen er geslapen hebben op de voorzolder, in het latere atelier van kunstschilder Jan Wijga. Met de naar schatting twintig bedden die Wilma denkt kwijt te kunnen, was van enige privacy in elk geval geen sprake. Nu ze weet dat op deze plek zoveel mensen zijn overleden, zegt Wilma met een zucht: ‘het huis met de geesten.’

Tijdens de oorlog blijft het een komen en gaan van deze mannen, nog steeds onder de bezielende leiding van Hartog, die samen met vrouw en kind op de tweede etage woont. Plus nog de nodige dienstmeisjes.
Misschien ligt het aan de nabijheid van het Psychiatrisch Consultatie Bureau van de Joodse Raad dat in de oorlog drie huizen verderop, op nummer 9, gevestigd is. Misschien is er sprake van een wonderlijk toeval. In elk geval bleven de bewoners tot begin 1943 gevrijwaard van deportatie. Voor elf mannen betekent dit dat zij hun laatste levensdagen in de oorlogsperiode ‘40-‘42 ongemoeid hebben kunnen slijten. De tijdelijke bewoner Eduard Staal, 90 jaar en een bekende boekverkoper uit de Staalstraat, sterft in doorgangskamp Westerbork. Zesendertig bewoners komen om in de kampen. Ten slotte wordt verpleger Hartog van Zweden met zijn gezin in maart 1943 naar Westerbork gedeporteerd; in januari 1945, twee weken voor de bevrijding van Auschwitz, komt daar een einde aan zijn leven. Van eenderde van de namenlijst is verder niets bekend, mogelijk heeft een aantal van hen elders de oorlog overleefd.

Woningnood na de oorlog

De ouders van Ko komen met hun dochtertje Herma in najaar van 1945 in het pand wonen vanuit Groenlo, waar de familie ondergedoken was. Ko’s grootouders van moeders’ kant komen een tijd bij hen inwonen. De woningnood is vlak na de oorlog enorm, en ondanks de drukte in huis vanwege de komst van Ko, wordt er nog een plek vrijgemaakt voor Louis van Smaalen die in december 1946 uit Indonesië komt. Gevraagd naar zijn herinneringen mailt Louis, nu dik in de tachtig, vanuit zijn huidige woonplaats Las Vegas aan Ko:
“Ik werd ondergebracht in een klein kamertje vlak naast de voorkamer. Het was ERG klein en daar deed ik alles, ook studeren. Ik zat dan op bed met mijn boeken, want er was niets anders om ze er op te leggen. Maar het was vlak nadat ik uit het kamp kwam, erg veel was ik niet gewend geweest en het deerde mij helemaal niet.”
Volgens Ko was Louis heimelijk verliefd op Ko’s moeder, bleef Louis daarom vijf jaar op dat piepkleine kamertje hangen?
De kunstschilder Jan Wijga heeft vanaf zomer 1944 tot in de jaren vijftig zijn atelier op zolder. Na even googelen ontdekken we dat Wijga reclametekenaar was voor o.a. Philips en les heeft gehad van H.M. Krabbé, de grootvader van Jeroen, die weer getrouwd is met Ko’s zuster. Met een hoofd dat omloopt van de wonderlijke samenloop van verhalen trek ik voorzichtig de voordeur van Plantage Parklaan 6 achter me dicht.

Alle rechten voorbehouden

Media