Addition

Sarphatistraat 115

Deftige lui en doeners onder één dak

Als huizen in de Plantage konden spreken is een serie verhalen over de lotgevallen van de huizen in de Amsterdamse Plantage.

Behalve de uitvreter kende Nescio anno 1918 geen wonderlijker kerel dan Frederik van Eeden die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond. In 2010 staat deze straat in de vaktermen van makelaars te boek als statig en monumentaal, gelegen aan de rand van de mooie en trendy Plantagebuurt.
Het aanbod van de bewoners om een kijkje te komen nemen in haar huis Sarphatistraat 115 nam ik graag aan. De entree voert de bezoeker terug naar eind 19e eeuwse sferen, naar 1874 om precies te zijn, het jaar waarin het huis samen met nummer 113 is gebouwd door architect J. van Olst. Marmeren vloeren, een authentiek fonteintje in de gang, hoge wanden en veel bruine, mosgroene en beige tinten. De bewoonster excuseert zich voor de laat 20e eeuwse zwarte kapstok waaraan ze mijn jas ophangt, naar een passender exemplaar wordt nog gezocht. Na een rondleiding over de bel-etage met statige schilderijen van de voorouders nemen we plaats in de tuinkamer beneden, aan de achterkant van het huis. Met houten lambriseringen en bijpassende lampen is hier maar weinig te vinden dat de illusie van vroeger tijden kan verstoren.

‘Het was hier een rotzooitje, maar de tuin was mooi’

Toch verkeerde het huis in geheel ander staat toen het pand in 1977 werd aankocht: ‘het was hier een rotzooitje, maar de tuin was mooi en het huis was betaalbaar’. Voor het eerst in de geschiedenis van het huis ging de eigenaar er zelf wonen. Hoe de restauratie daarna verliep, past niet in het bestek van dit verhaal maar laat zich wel raden. De vorige eigenaar was Meijer Groen die het huis jarenlang verhuurde aan van Gelder, groothandel in stoffen en knopen. Opslag en zaak bevonden zich op de bel-etage, beneden werd gewoond. Zelf bleef Meijer Groen die elders wonen. Hij had het pand na de oorlog geërfd van zijn schoonouders Meyer Stokvis en Veronica Swaab, die in Sobibor vermoord waren. Aan deze erfenis ging een geschiedenis vooraf die typerend is voor veel panden in onze buurt en elders in Amsterdam. Na de deportatie van eigenaar Stokvis in 1943 kwam het pand in handen van de Niederländische Grundstück Verwaltung (NGV), de beheermaatschappij van de bezetter. Deze verkocht het door aan een nieuwe eigenaar. Direct na de oorlog trad schoonzoon Meijer Groen op als ‘bewindvoerder over het vermogen van de afwezige Heer Stokvis’ en kreeg via een acte van rechtsherstel het huis weer in handen. Deze vorm van teruggave ging met gesloten beurzen, waarbij beide partijen afzag van aanspraken of vorderingen ‘teneinde een rechtsherstelprocedure te voorkomen’. Dit kon vaak niet verhinderen dat de belastingdienst vervolgens met een navordering kwam over de niet afgedragen huurinkomsten. Of dat hier ook het geval was, kon niet meer worden nagegaan. Bij het tekenen van het voorlopige koopcontract hebben de bewoners de oude Groen nog de hand geschud. Na enige toegeeflijkheid over de verkoopprijs gaf hij de nieuwe bewoners zijn zegen met de woorden ‘ik gun het jullie graag’. In de korte periode tussen deze handdruk en de daadwerkelijke overdracht is Meyer Groen overleden.

Het pand kent van oudsher een komen en gaan van huurders, zowel bewoners als ondernemers. De namenlijst in het Stadarchief laat een redelijke dwarsdoorsnede zien van de joodse beroepsbevolking, werkzaam in de (diamant)handel en -industrie, gezondheidszorg als tandarts, chirurg en vrouwenarts), bij de Hoofdsynagoge als rabbijn en in het onderwijs. Verder valt op dat meerdere bewoners om de paar jaar verhuisden, soms wel tot driemaal toe, zonder de Sarphatistraat te verlaten.

De Fröbelinrichting van Henriëtte Pimentel (1876-1943)

Eén van deze kleurrijke bewoners is Henriëtte Henriquez Pimentel. In 1907 bood het souterrain van 115 onderdak aan haar ‘Fröbelinrichting’. Zelf bleef zij tot haar 30ste in het ouderlijk huis aan de Weesperzijde wonen. Zeven jaar lang hebben er kinderstemmetjes in het benedenhuis en de tuin geklonken, voordat Pimentels kinderopvang verderop in Sarphatistraat op nummer 129 en later op 155 onderdak vond. In 1926 werd Henriette directrice van de joodse crèche aan de Plantage Middenlaan 31, tegenover de Hollandsche Schouwburg. Intussen woonde zijzelf ze tot aan haar deportatie in 1943 in de Middenlaan op nummer 25.

Rabbijn Coppenhagen (1878-1945)

Vlak na zijn benoeming in 1918 als rabbijn van de Nederlands Israëlitische Hoofdsynagoge (NIHS) kwam Philip Coppenhagen (1878-1945) met zijn gezin op de bel-etage wonen. In 1923 verhuisde hij naar Sarphatistraat 141. Buurtbewoners Jaap en Betty Soesan kregen nog in februari 1943 in de Rapenburgersjoel van hem de huwelijkszegen. Coppenhagen werd gedeporteerd naar Bergen-Belsen. Via het enige uitwisselingtransport met Duitse krijgsgevangenen dat daadwerkelijk plaatsvond, wist hij Palestina te bereiken. In 1945 is hij in Haifa alsnog aan de gevolgen van de oorlog bezweken.

Sarphatistraat werd Muiderschans (1942 – 1945)

In de roerige periode na het uitbreken van de oorlog werden niet alleen mensen getroffen door de anti-joodse maatregelen van de bezetter. Ook het omdopen van met joden verbonden straatnamen hoorde daarbij. De Sarphatistraat ontkwam hier niet aan en heette tot 1945 Muiderschans. Er werd in die tijd voortdurend van adres gewisseld en familieleden trokken bij elkaar in. De gemeentelijke woningkaarten laten hiervan alleen de officiële notities zien, onderduikers hebben natuurlijk geen sporen nagelaten in de ambtelijke stukken.
Vanaf augustus 1940 woonde Samuel Hakker met zijn gezin op de 2e etage. In 1943 kwam zijn broer Levie met zijn gezin bij hen inwonen, met z’n allen op de 3e verdieping. De broers waren beiden in dienst bij de NIHS, Levie als voorzanger en Samuel als ritueel slachter. Samuel was getrouwd met Sophia, dochter van Meijer Linnewiel, die als standwerker Kokadorus ook ver buiten het Waterlooplein bekendheid genoot. De gezinnen Hakker werden in 1943 gedeporteerd. Zij kwamen allen om in de kampen.

Net als in eerdere huizenverhalen werd op een zeker moment aangebeld door vroegere bewoners met de vraag of ze binnen mochten kijken. Vanuit hun nieuwe vaderland Canada waren zij even in Nederland. Het fonteintje in de gang leverde direct herkenning op. ‘Het is nog precies zoals het was!’ dankzij de zorgvuldige restauratie. Nescio kan tevreden zijn, in nummer 115 zou ook hij de oude Sarphatistraat terugzien.

gepubliceerd in Plantage Bulletin, jg. 18, nr.1, februari 2010

All rights reserved