Maurits Meijer Philips wordt geboren in 1908, als zoon uit het huwelijk van Jozeph Philips en Rozette Philips-Zendijk. Jozeph is slager en commissionair (iemand die op eigen naam en voor eigen rekening producten inkoopt voor klanten).
Maurits Meijer groeit op in een gezin met een zus, Betsie Saartje, en een broer, Meijer Jozeph. Zowel de ouders als de broer van Maurits Meijer worden gedurende de oorlog om het leven gebracht. Betsie Saartje overleeft de oorlog. Zij sterft in 1998.
Maurits Meijer groeit op in zijn geboortestad Harderwijk. In mei 1921 viert hij zijn Bar Mitswa (de meerderjarigheid in religieuze zin).
In de zomer van 1922, hij is dan 14, verlaat het gezin Harderwijk en vestigt het zich in Apeldoorn, adres Kerklaan 25 (later wordt dat: 37). Maurits Meijer doorloopt de M.U.L.O. en kan in steno Engels, Duits en Frans typen.
Begin oktober 1926 vertrekt Maurits Meijer voor drie maanden naar Duitsland. Waar precies naartoe en wat hij daar gedaan heeft, is onbekend. Hij keert daarna terug naar zijn ouderlijk huis.
Zijn zus Betsie Saartje trouwt in mei 1929 op 24-jarige leeftijd met Simon de Jong. Maurits Meijer is getuige bij het huwelijk. In de akte wordt als zijn beroep kantoorbediende genoemd.
Alida de Jong wordt geboren in 1906, als dochter uit het huwelijk van Simon de Jong, hoofd van een metaal- en sanitairhandel, en Bertha de Jong-Trijbits. Het echtpaar krijgt naast Alida nog twee kinderen. In 1903 wordt Salomon geboren en in 1908 maakt Ida het gezin compleet. Salomon, overlijdt in 1914 in Groningen. Hij wordt slechts 11 jaar oud. Ida zal de oorlog overleven.
Tussen 1916 en 1919 verhuist het gezin De Jong naar Stationsstraat 66 (nu: 130). Het bedrijf blijft op het oude woonadres gevestigd.
Alida wordt op de latere registratiekaart van de Joodsche Raad als volgt omschreven: ‘Flinke sympathieke vrouw, zeer hulpvaardig en voor alle werk geschikt’. De kaart maakt duidelijk dat Alida in het verleden de M.U.L.O. heeft doorlopen en dat ze in het Frans, Duits en Engels kan typen en in deze talen ook steno beheerst. Daarnaast wordt genoemd dat Alida heeft gewerkt als maatschappelijk werkster en kinderverzorgster. Alida is (in ieder geval) vanaf 1925 lid van de aan de geloofsgemeenschap verbonden damesvereniging ‘Ateres Nosjiem’. Ook in de oorlog is ze nog lid.
De moeder van Alida overlijdt in november 1928. Een paar weken eerder hebben Maurits Meijer en Alida hun verloving bekendgemaakt in de plaatselijke krant. Alida noemt zich in het bericht Ella, en Maurits Meijer noemt zich Maurits.
Op 19 mei 1931 vindt het huwelijk plaats van Maurits Meijer en Alida de Jong. Waar Maurits Meijer drie jaar eerder getuige was van het huwelijk van zijn zus Betsie Saartje en zwager Simon de Jong (niet te verwarren met de naam van de vader van de bruid, ook hij heet Simon de Jong), mag nu de zwager op zijn beurt deze erefunctie vervullen.
Maurits Meijer en Alida vinden een woning in de Generaal van Heutszlaan, op nummer 12. Een naoorlogse veiling, ten gunste van de erfgenamen van het gezin Philips-de Jong, geeft de volgende details over de woning: Beneden vier kamers, keuken, kelderkast, en boven vier kamers en badkamer en is voorzien van vier vaste wastafels. Het perceel, met tuin en schuurtje, telt in totaal 680 m².
Een dag na dit huwelijk is er opnieuw een bruiloft, Simon, de vader van Alida, hertrouwt die dag met Hendrika de Lange, die als gehuwde vrouw, de naam Hendrika de Jong-de Lange draagt.
In maart 1932 bevalt Alida van een dochter die de naam Betsie Rozette krijgt. In oktober 1932 verhuist het echtpaar naar Den Haag, hier wordt in september 1933 zoon Jozeph Simon geboren. Maurits Meijer is werkzaam doet administratieve taken voor de Nederlandse Veehouderij Centrale. Dit is een landelijke organisatie welk beleid ontwikkelde omtrent het fokken van rundvee, varkens, schapen, geiten, pluimvee, paarden, evenals zaken aangaande veevoeder, grasdrogerijen, trekhonden, kunstmatige inseminatie, elektrische weideafrastering en eierencontrole.
Hoewel het gezin in Den Haag woont, doet Maurits Meijer wel mee met een puzzelwedstrijd in een Apeldoornse krant, in januari 1934 wint hij een prijs. Zelf looft hij op een ander moment een zilveren wisselbeker uit op een fokveedag in Beemte bij Apeldoorn, mogelijk vanuit zijn rol voor de Nederlandse Veehouderij Centrale.
Het echtpaar verhuist twee keer in de Hofstad en keert in januari 1937 terug naar Apeldoorn. Opnieuw gaan Maurits en Ella met de kinderen wonen in het huis aan de Generaal van Heutszlaan. In juli 1937 wordt in het gezin het laatste kind geboren: dochter Rozita. Maurits Meijer wordt bedrijfsleider en hoofd van de boekhouding bij de metaal- en sanitairhandel van zijn schoonvader. Het bedrijf levert in 1938 de sanitaire voorzieningen voor het Ontspanningsgebouw (nu: Vierhuis) van het Apeldoornsche Bosch.
In 1938 mag de ‘Apeldoornsche Joodsche tooneelvereeniging’ gratis gebruik maken van schouwburg ‘Tivoli’ in het centrum van het dorp, waar ze het stuk ‘Een Wespennest’ op de planken brengen. De opbrengst kan daarom vrijwel volledig worden besteed aan hulp aan Joodse vluchtelingen uit Duitsland. Het echtpaar Philips is een van de kaartverkooppunten.
Julius Meyer en zijn vrouw Anna Meyer-Hirschfeld ontvluchten nazi-Duitsland. Dit is terug te vinden in de documenten van de gemeente Castrop-Rauxel met deze korte notitie op hun registratiekaart: ‘Wohnung Wechsel’ (‘woning wissel’) en ‘13.3.1939 n. Apeldoorn Holland’. Het echtpaar trekt tijdelijk in bij het gezin Philips. Dit echtpaar woont gedurende de oorlog in Apeldoorn.
In 1940 maakt Maurits Meijer bezwaar tegen de hoofdelijke omslag (een vorm van belasting die de Joodse gemeente oplegt, op basis van inkomen). Hij vraagt zich af op basis van welk belastbaar inkomen dit is vastgesteld. Het kerkbestuur antwoordt dat volgens de kohieren (belastingregisters) van de Rijksinkomstenbelasting zijn loon in 1939 is vastgesteld op 3279 gulden. Het kerkbestuur verzoekt nogmaals de kerkelijke belasting te voldoen en voegt hieraan toe dat ook het schoolgeld nog moet worden betaald. Maurits Meijer is het er niet mee eens, waarna het bestuur vraagt om zijn aanslagbiljet van de inkomstenbelasting. Maurits Meijer toont aan dat hij 2630 gulden aan inkomsten heeft ontvangen en wordt in het gelijk gesteld. In 1942 herhaalt zich dit in meer of mindere mate, Maurits Meijer denkt dat het dan specifiek gaat om de bijdrage aan het godsdienstonderwijs van (zijn) kinderen. Hij stelt dat hij een inkomen had van 2777 gulden en vraagt zich af hoe het kerkbestuur op een inkomen van 4580 gulden is gekomen.
In 1941 wordt Maurits Meijer twee keer genoemd in de lokale krant; hij doet mee aan bridgewedstrijden, georganiseerd door de Apeldoornse Amusements Club. Samen met Isaac Trijbits (1886-1943) wordt hij vierde. Maurits Meijer neemt op 24 juli 1941 contact op met de politie met een melding dat zijn huis in de nacht is beklad en de voordeur is beschadigd. Er staat: ‘... deelt mede dat in de afgeloopen nacht zijn huis is vol geschilderd en zijn deur is beschadigd’. Het is het meest aannemelijk dat hiermee de buitenkant van de woning wordt bedoeld, want er wordt niet gesproken over personen die zijn binnengedrongen, of vernielingen of diefstal van voorwerpen binnenshuis.
Op het moment dat Joodse kinderen door een anti-Joodse maatregel na de zomervakantie van 1941 niet meer naar hun eigen school mogen, verlaten Betsie Rozette en Jozeph Simon de Rijksleerschool. Ze komen in respectievelijk de vierde en derde klas van de hiervoor apart geopende Joodse school. Betsie Rozette wordt aan het einde van het leerjaar bevorderd naar groep 5, haar broertje blijft zitten.
In 1942 komt Elsie Berg (1923-1943) bij het gezin Philips inwonen. Deze leerling-verpleegster bij het Apeldoornsche Bosch is de kleindochter van Ludwig Hanf (1863-1945) en Sara Sofie Hanf-Spanjaard (1874-1943), die ook in Apeldoorn wonen.
Maurits Meijer wordt in juni 1942 aangesteld bij de plaatselijke afdeling van de Joodsche Raad, waarvoor hij (een deel van) de administratie verzorgt. Elders wordt hij omschreven als ‘ambtenaar der secretarie’. Ook zijn vader zit in deze lokale afdeling. Op de registratiekaart van de Joodsche Raad wordt Maurits Meijer als volgt omschreven: ‘onder leiding een goede administratieve kracht’ en ‘sympathiek in de omgang’ en tenslotte wordt genoemd dat hij ongeschikt is voor zwaar lichamelijk werk.
In een naoorlogs onderzoek naar het functioneren van de Apeldoornse politie, specifiek gericht op het antisemitisme dat politiechef Meijer in de oorlog laat zien, komt in een verslag een gebeurtenis naar voren: ‘In de zomer van 1942 moesten alle Joodse personen hun rijwielen inleveren. Enkelen leverden in plaats van een goed, een oud rijwiel in. Politiechef Meijer liet vijf Joodse personen, die zulks hadden gedaan, arresteren en overbrengen naar de SD. Geen dezer personen is, zover bekend, teruggekeerd. Na deze inlevering ontzag Meijer zich niet, om - naar hij zegt op aandringen van een Duitse officier - zijn eigen oude rijwiel om te ruilen voor een beter rijwiel, dat door Joodse personen was ingeleverd.’
Meijer getuigt dat de nazi’s na de invorderingsactie 100 fietsen komen ophalen. ‘Sturmbannführer Nageler, die blijkbaar wist, dat ik een oud rijwiel had, stond erop, dat ik dit omwisselde voor een beter rijwiel. Ik heb daarop mijn rijwiel omgeruild met een door de Joden ingeleverd rijwiel. Of nog meerdere personen op soortgelijk wijze hun rijwiel omgewisseld hebben weet ik niet, doch ik acht dit niet uitgesloten.’
Meijer Jozeph, de broer van Maurits Meijer, wordt ook als verdachte genoemd; hij zou zijn fiets aan zijn chef verkocht hebben. Hiermee overtreedt hij de verordening waarin gesteld wordt dat Joden geen fietsen mogen verhandelen. Tijdens een verhoor geeft Meijer Jozeph toe dat hij zijn fiets verkocht heeft, dat hij daarna nooit meer gefietst heeft en dat hij een oude fiets ingeleverd heeft. Ook Maurits Meijer wordt gearresteerd, maar enkele dagen later weer vrijgelaten. Mogelijk was hij slechts een omstander en was er geen reden voor zijn aanhouding.
In september 1942 vordert de Wehrmacht de woning van het echtpaar Philips-de Jong. Een Ortskommandant neemt zijn intrek in het huis. Maurits Meijer, zijn vrouw Alida en hun kinderen Betsie Rozette, Jozeph Simon en Rozita gaan inwonen bij de ouders van Maurits Meijer, op de Kerklaan, nummer 37.
Het vervolgt staat in In Memoriam III.