In Memoriam II

1936-1943

Verhaal -

Dochter Sera Carolina is betrokken bij de Apeldoornse afdeling van de Joodse Jeugdfederatie in Nederland (J.N.F.), ‘Derech Tsionah’, ook wel ‘Derech Zionah’ genoemd. In die hoedanigheid coördineert ze het inzamelen van geld voor het Joodsch Nationaal Fonds. Ook Karel Martin Klein (1920-1943) en zijn broer Johan Louis Klein zijn bij deze jeugdvereniging betrokken. Activiteiten die door de vereniging georganiseerd worden, zijn onder andere de cursusprogramma's Zionistische geschiedenis en Hebreeuws. Ook Leo is lid van de vereniging; na een vergadering ‘met broodmaaltijd en vruchtenbowl (alcoholvrij) na’, leest hij een ‘J.N.F.’ gedicht voor. In 1935 blijkt dat het ledenaantal in vier jaar tijd gehalveerd is van 27 naar 14 jongeren.

Sera Carolina slaagt in 1936 voor het examen kantoorstenograaf, 'in de Engelsche taal, 100 lettergrepen per minuut'. De latere registratiekaart van de Joodse Raad maakt duidelijk dat ze in het bezit is van de diploma's steno-typiste Duits, Frans, en Engels. Tijdens een kerkenraadsvergadering wordt ze als mogelijke vervangster genoemd voor degene die besloten heeft te stoppen met het uittypen van de notulen. De notulen maken niet duidelijk of ze hiervoor gevraagd zal worden; ze wordt wel als enige bij naam genoemd en het besluit is genomen om 'iemand op tijdelijke basis aan te stellen'. Het tijdelijke karakter zit hem hierin, dat men ervan uitgaat dat de oude regeling weer zal worden hervat: de voorganger zal naast het schrijven van de notulen deze ook uitwerken. In datzelfde stuk wordt wel duidelijk dat Sera Carolina de notulen tijdens de jaarvergadering van de mannenvereniging heeft geschreven.

In haar vrije tijd speelt Sera Carolina bridge bij de 'A.V.R.O.'. Ze behaalt enkele keren de eerste en tweede plaats, ook gedurende de oorlog (soms als duo). De Joodse bevolking wordt op 15 september 1941 verboden om onder andere schouwburgen te bezoeken. Een week later worden ze uit alle verenigingen en stichtingen geweerd. Dit betekent ook dat Sera Carolina bij de bridgeclub moet stoppen. Vermoedelijk speelt Isaac of Leo ook bridge; in een krantenartikel staat namelijk ook ‘de Heeren Pinto en Trijbits’.

Isaac is bestuurslid van de Israëlitische mannenvereniging ‘Gemieloeth Chasodiem’. De contributie die de leden betalen, wordt gedeeltelijk opzij gezet als uitvaartverzekering.

Een maand nadat Nederland door nazi-Duitsland onder de voet gelopen is, behaalt Leo op 18-jarige leeftijd het diploma Algemene Handelskennis, het 'Middenstandsdiploma'. Hij is door de eerder genoemde Johan Louis Klein opgeleid. Hij haalt in augustus 1941 met lof het examen typist. Tussen deze twee momenten doet hij aangifte van diefstal van zijn fiets.

Het echtpaar Trijbits wordt in oktober 1942 verplicht de eigen woning aan de Paslaan te verlaten en trekt in bij het gezin Opdenberg aan de Tutein Noltheniuslaan 52. Ze moeten de woning aan de Paslaan verlaten, omdat deze door de Wehrmacht is overgenomen. Ze verblijven ongeveer een maand bij het gezin Opdenberg. Op de Persoonskaart van zoon Leo wordt als laatste adres de Paslaan 25 genoemd. Op de registratiekaart van de Joodse Raad wordt hij gekoppeld aan het adres Tutein Noltheniuslaan 32, het pension van Dina de Vries-van der Sluis (1886-1942). Bij Isaac en Belia wordt op hun Persoonskaarten wel het adres van het gezin Opdenberg genoemd.

Met betrekking tot het zich moeten melden bij het Gewestelijk Arbeidsbureau om in een Nederlands werkkamp te moeten werken, wordt in de bewaard gebleven registers van de plaatselijke politie het volgende over Leo vermeld: ‘... handelaar, heeft gewoond Paschlaan 25 welk huis thans bij de SS in gebruik is. Aldaar was de oproep per post bezorgd. Trijbits woont nu Stationsstraat 32 bij Polak. Gezien bovenstaande heeft hij de oproep niet ontvangen’.

Dat Leo daadwerkelijk op de Stationsstraat 32 gewoond heeft, wordt in een document van 26 augustus 1942 duidelijk: ‘... handelaar, wonende Stationsstraat 32 alhier, is in de woning aangehouden en overgebracht naar het bureau van politie alhier. Trijbits, voornoemd, had nog geen oproep ontvangen, daar de oproep aan het adres Paschlaan 25 was bezorgd, terwijl dit perceel thans in het gebruik is bij de Duitsche Wehrmacht.’

Ook Izaäc Hoogstraal (1895-1945) wordt in diens eigen woning aangehouden en beide mannen worden die dag vrijgelaten op voorwaarde dat ze zich de volgende dag op het treinstation zullen melden om op transport gesteld te worden naar een werkkamp. Leo is namelijk op een eerder moment opgeroepen om in werkkamp ‘t Schut in Ede te gaan werken. Kort voor die tijd is hij door een NSB-arts aan de hand van een schijnconsult goedgekeurd voor een plek in een werkkamp. Zijn naam staat op een lijst met de titel ‘goedkeuring en wegzending’, die in de tweede helft van augustus 1942 samengesteld is.

Nadat het echtpaar bij het gezin Opdenberg vertrokken is, gaan ze aan de Paul Krugerstraat 3 wonen. Dit is het adres van de zus van Isaac, Susanna Trijbits-Van Son, en haar man Mozes van Son. Bij dochter Sera Caroline wordt dit adres op de Persoonskaart als opvolgend adres van de Paslaan genoemd. Hierna wordt ze geregistreerd op het adres 't Bergje 2.

Op de registratiekaart van de Joodse Raad van Isaac staat informatie over hem opgetekend. Er wordt genoemd dat hij in goede gezondheid verkeert en dat hij een 'slappe figuur, voor ondergeschikt werk bruikbaar’ is. Deze typering komt vermoedelijk voort uit een gesprek dat met een medewerker van de Joodse Raad (Amsterdam) is gevoerd om te bezien of hij voor een ‘Sperre’ in aanmerking komt. Als vroegere werkkring staat geschreven dat Isaac zijn geld als handelsvertegenwoordiger en huidenzouter verdiend heeft. Tenslotte wordt genoemd dat zijn zoon Leo in het Rijkswerkkamp in Ede verblijft.

Leo wordt op maandag 19 oktober 1942 met transport 29 vanuit het kamp naar Auschwitz gedeporteerd. De trein met 20 wagons met in totaal 1.327 gedeporteerden komt 21 oktober 1942 aan op het treinstation van Auschwitz. De exacte sterfdatum van Leo is onbekend. De bij wet bepaalde sterfdatum is vastgesteld op 28 februari 1943. Dit is tevens een indicatie dat Leo bij aankomst in Auschwitz niet direct naar de gaskamers gestuurd is, maar tot aan zijn dood dwangarbeid verricht heeft.

Isaac en Belia worden vanaf 25 februari 1943 gedwongen om naar de door de bezetter aangewezen ‘Joodsche Wijk’ in Amsterdam te verhuizen; ze wonen op de Tugelaweg 78 I. Dit is de fase waarin ‘de laatste Joden’ vanuit de provincies naar Amsterdam verplaatst worden om van daaruit naar Kamp Westerbork gedeporteerd te worden. Dit maakt het de bezetter nog eenvoudiger om de Joden op te jagen. Het doorgangskamp kan op dat moment het grote aantal gedeporteerden niet aan. Gelijktijdig wordt het eveneens Apeldoornse echtpaar Louis Neuhaus (1880-1944) en Martha Neuhaus-Wachtel (1890-1944) naar dit adres overgeschreven.

Isaac wordt op zijn Persoonskaart aangeduid als ‘vertegenwoordiger in tricota’; op de Persoonskaart die in Apeldoorn bewaard gebleven is, wordt hij ‘slechts’ aangeduid als vertegenwoordiger. Het echtpaar wordt op 13 maart 1943 naar doorgangskamp Westerbork gedeporteerd. Ze worden ondergebracht in barak 62.

Een paar dagen later wordt via de afdeling van de Joodse Raad aan Martha Neuhaus-Wachtel verzocht de (extra) bagage van het echtpaar Trijbits op een adres aan de Oude Schans af te leveren. Dit verzoek wordt op de registratiekaart van de Joodse Raad genoteerd. Enkele dagen later wordt op de registratiekaart het volgende genoteerd: ‘Waar zijn de twee rugzakken gebleven die door U bij de Schouwburg zijn afgeleverd?’. Deze opmerking is bedoeld voor Martha Neuhaus-Wachtel. Een dag later, op 21 maart 1943, is de bagage van het gezin Trijbits nog niet bij het echtpaar aangekomen.

Vanuit het kamp vertrekt dinsdag 23 maart 1943 transport 55 met als eindbestemming Sobibor. Het transport telt 25 wagons en 1.250 gedeporteerden. Het echtpaar Trijbits-van Son wordt vrijdag 26 maart 1943, direct na aankomst, in de gaskamers van Sobibor van het leven beroofd. Niemand uit dit transport overleeft de oorlog.

Sera Carolina wordt op 4 mei 1943 als enige gearresteerd; de omstandigheden waaronder dit gebeurt zijn onbekend. Gelijktijdig wordt gerapporteerd dat ze 6 mei 1943 op transport naar Kamp Westerbork kan; ze wordt op deze datum ook daadwerkelijk door de marechaussee naar Hooghalen overgebracht. Op grond van Artikel 3 (‘... de opsporing, aanhouding en voorgeleiding van de navolgende personen van Joodschen bloede, die eenige dagen spoorloos zijn’) worden haar persoonsgegevens enkele maanden eerder door de politie doorgegeven aan het Departement van Justitie om gepubliceerd te worden in het Algemeen Politieblad. De lijst wordt 19 november 1942 verzonden en wordt exact een week later gepubliceerd. Opvallend genoeg wordt haar signalering een week nadat haar naam aan het Algemeen Politieblad doorgegeven is, ingetrokken. Dit terwijl ze ‘pas’ in mei 1943 gearresteerd en naar Kamp Westerbork gedeporteerd wordt.

Sera wordt op 6 mei 1943 in Kamp Westerbork geregistreerd. Een vermelding op haar naam noemt barak 67 als onderkomen; dit is een strafbarak, onder andere bedoeld om opgepakte onderduikers onder te brengen. Zogenaamde S-gevallen moeten blauwe overalls met paarse schouderstukken dragen (overige geïnterneerden dragen hun eigen kleding) en mannen worden kaalgeknipt. Dinsdag 11 mei 1943 vertrekt een trein uit het kamp met als eindbestemming vernietigingskamp Sobibor. De trein telt 35 wagons en 1.446 gedeporteerden. Transport 63 komt 14 mei 1943 aan, waarna het proces om haar om te brengen wordt voortgezet.

Na de oorlog wordt de Paslaan 25 door de gedecimeerde Joodse geloofsgemeenschap als noodsynagoge en kantoor gebruikt. Samen met een Canadese legerpredikant wordt de woning geïnspecteerd. De veldpredikant stelt voor om een deel van de eerste verdieping open te breken om extra ruimte te creëren. De voorzitter van de geloofsgemeenschap vidnt dit niet nodig, omdat het aantal Joden dat naar de sjoel komt laag is. Hij geeft aan dat er voldoende ruimte en hoogte is om een goede dienst te kunnen beleggen. Er wordt gesuggereerd dat het pand door leden van de NSB schoongemaakt kan worden.

Een inboedellijst met de bezittingen van het gezin Trijbits is bewaard gebleven. Deze lijst bevat bijna vijftig soorten eigendommen, waaronder een herinneringsboek, een face-à-main (een soort handbril), drie paar damesschoenen, twee paar herenschoenen, een doos met zeven kristallen glaasjes en twaalf fruitvorkjes. Deze eigendommen zijn door een of meerdere huishoudens binnen het netwerk van het gezin Trijbits bewaard en na de oorlog als hun bezit aangemeld.

Na de oorlog wordt het pand Paslaan 25 door de gedecimeerde Joodse gemeente gebruikt als noodsynagoge en als kantoor. Samen met een Canadese legerpredikant wordt de woning geïnspecteerd. De veldpredikant stelt voor om een deel van de eerste verdieping open te breken om extra ruimte te creëren, maar de voorzitter van de gemeente vindt dit niet nodig; het aantal Joden dat naar sjoel komt is heel klein geworden. De bestaande ruimte en hoogte zijn voldoende om een goede dienst te kunnen beleggen. Iemand suggereert om het pand door leden van de NSB te laten schoonmaken.

Ook is er een inboedellijst bewaard gebleven van de bezittingen van het gezin Trijbits. Deze lijst bevat bijna vijftig categorieën eigendommen. Op de lijst staan onder andere een herinneringsboek, een face-à-main (een met de hand vast te houden bril), drie paar damesschoenen, twee paar herenschoenen, een doos met zeven kristallen glaasjes en twaalf fruitvorkjes. Deze eigendommen zijn door een of meerdere huishoudens in het netwerk van het gezin Trijbits bewaard en na de oorlog als hun bezit aangemeld.

Bronnen: Regionaal Archief Nijmegen, Afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork, CODA Archief Apeldoorn, Digitaal Joods Monument, Erica adresboek van Apeldoorn, het Gelders Archief, ITS Archiv Bad Arolsen (International Tracing Service), het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters, Yad Vashem, het Nationaal Archief en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten).

12 januari 2024

Copyrights: Attribution Non-commercial Share Alike