Chapter

Joodse diamantbewerkers

‘Het vak’, zo noemden veel joodse diamantbewerkers hun beroep. Traditioneel werkten er veel joden in de Amsterdamse diamantindustrie. Er bestond voor dit vak geen gilde zodat de joodse nieuwkomers zich hier vanaf de zeventiende eeuw in konden specialiseren.

De Sefardische joden hadden internationale handelscontacten in gebieden waar diamant gevonden werd en zo werden zij de belangrijkste diamanthandelaren in Amsterdam. De bewerking kwam vervolgens ook in joodse handen. Er bestond voor dit vak geen gilde zodat de joodse nieuwkomers zich hier vanaf de zeventiende eeuw in konden specialiseren. Aanvankelijk vond het slijpen van de diamant thuis plaats, vaak op zolders. De slijpmolens werden door de slijpers met de voeten in beweging gehouden. Later werd er op grotere schaal geproduceerd en werden de slijpmolens eerst door paarden en later (na 1850) door stoom aangedreven. In de jaren 1870-1873 was er een grote bloei in de diamantindustrie. Deze periode wordt de Kaapse Tijd genoemd omdat er in deze periode een grote hoeveelheid diamanten werd gevonden in Zuid-Afrika. In deze periode kwamen ook niet-joden in het vak terecht, zij bekwaamden zich vooral in het slijpen.

De diamanthandel vond plaats in drie beursgebouwen waarvan de diamantbeurs aan het Weesperplein het bekendst is. Dat gebouw werd in 1910 in gebruik genomen en was ontworpen door Gerrit van Arkel.

 

Diamantbeurs op het Weesperplein, circa 1910. Collectie Joods Historisch Museum. Fotograaf onbekend.

 

Verschillende beroepen

Binnen de diamantbewerking bestonden verschillende beroepen, waarvoor verschillende vaardigheden nodig waren. De ruwe diamant werd eerst gekloofd, daarna gesneden, waarbij de grondvorm van de diamant tot stand kwam, en tenslotte geslepen. Klovers en zagers stonden aan de top van de diamantbewerkers-hiërarchie, gevolgd door de snijders. De snijders waren onderverdeeld in briljantsnijders en roosjessnijders, naar de vorm die de diamant kreeg. Briljantsnijden was iets ingewikkelder dan roosjessnijden. Slijpersbazen volgden in de hiërarchie, gevolgd door de slijpersknechten. De verdiensten in de diamantindustrie verschilden sterk per beroep en waren ook afhankelijk van de kwaliteit van de te bewerken stenen.

Al was diamantvak nog steeds een 'joods vak', in 1906 werkte bijna 30% van alle werkende joodse mannen in Amsterdam in de diamantindustrie en bijna 10% van alle werkende joodse vrouwen, onder de slijpers waren ook veel niet-joden te vinden. Zij gingen in de late jaren tachtig van de negentiende eeuw op grotere schaal dan voorheen ook schilfers diamant (de zogenaamde chips) tot kleine briljanten slijpen. Overigens werden er in Amsterdam niet alleen sierdiamanten gemaakt, maar ook diamanten die in de industrie werden gebruikt.
Er werd over het algemeen goed verdiend in de diamantindustrie, maar omdat diamanten luxeprodukten zijn, is de industrie erg conjunctuurgevoelig: als er een economische crisis was, was dat in de diamantindustrie direct merkbaar. 

De ANDB

In Amsterdam werden ook echte diamantfabrieken gebouwd zoals die van Van Moppes en Boas. Daar werkten arbeiders soms wel 12 uur per dag in slechte omstandigheden. Om de arbeidsomstandigheden in de diamantindustrie te verbeteren werd in 1894 na een grote staking de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB) opgericht. Oprichters waren onder meer Henri Polak en Jan van Zutphen. De bond werd bijzonder succesvol en wist (vaak als eerste vakbond in Nederland) een groot aantal maatregelen te treffen die de positie van de diamantbewerkers verbeterden, zoals minimumlonen, een verzekering voor ziekte, invaliditeit, werkloosheid en overlijden, de 8-urige werkdag en een betaalde vakantieweek. Veel joodse diamantbewerkers vonden via de ANDB hun weg naar de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en andere linkse partijen. Naast alle activiteiten om de materiële positie van de diamantbewerkers te verbeteren, spande de Bond, en vooral voorzitter Henri Polak, zich in om de diamantbewerkers 'te beschaven' en ze in contact te brengen met kunst en cultuur. De ANDB had een eigen bibliotheek, gaf allerlei cursussen en organiseerde excursies. Ook vroeg Polak de bekende architect H.P. Berlage om het bondsgebouw van de ANDB te ontwerpen. Het prachtige gebouw, door zijn imposante voorkomen onmiddellijk 'de Burcht' genoemd, staat in wat nu de Henri Polaklaan heet en biedt plaats aan het Vakbondsmuseum.


 

Het gebouw van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond. Foto Boris Kowadlo, copyright: Nederlands Fotomuseum Rotterdam.

Crisis in de jaren twintig

Rond 1910 begon de diamantindustrie zich langzaam maar zeker naar het Belgische platteland rondom Antwerpen te verplaatsen waar in de huisindustrie tegen zeer lage lonen diamanten werden geslepen. Hoewel deze ontwikkeling door de Eerste Wereldoorlog even stokte ging de Amsterdamse diamantindustrie in de late jaren twintig definitief ten onder. In 1935 waren er van de 9000 diamantbewerkers nog maar 5000 over, waarvan meer dan de helft permanent werkloos was. Halsstarrige pogingen om met behulp van overheidsmaatregelen en subsidies de Amsterdamse diamantindustrie nieuw leven in te blazen mochten niet baten. 
 

Na 1940

Diamanten, zowel de sierdiamanten die als 'waardepapieren' gebruikt werden, als de industriediamanten waren voor de Duitse oorlogsvoering erg belangrijk. Daarom werden de diamantbedrijven aanvankelijk - ondanks het grote aantal joodse diamanthandelaren en -bewerkers, niet onder een Verwalter geplaatst, maar viel de bedrijfstak direct onder het Rijkscommissariaat. Problemen ontstonden toen in juli 1942 de deportaties begonnen en deze grotendeels joodse beroepsgroep weggevoerd dreigde te worden. Daarom werd er een lijst van 500 diamantbewerkers en 300 ondernemers opgesteld die een voorlopige vrijstelling kregen. Het opstellen van de eerstgenoemde lijst gebeurde met hulp van de Bedrijfsgroep Edelmetaal en Diamant die in 1941 na de liquidatie van de ANDB in werking trad. 545 joodse diamantbewerkers vulden zelf aanmeldingsformulieren in met gegevens over henzelf, hun partner en hun inwonende kinderen jonger dan 16 jaar, samen in totaal 1230 personen. Een pasfoto van alle op het formulier genoemde personen moest in drievoud worden bijgevoegd. Deze aanmeldingsformulieren en een groot deel van de pasfoto's zijn bewaard gebleven en bevinden zich in het ANDB-archief op het IISG. De formulieren en foto's van personen die in het Joods Monument zijn opgenomen zijn gescand en aan het Monument toegevoegd.
 

Verraad

De 500 geselecteerde diamantbewerkers en de 300 geselecteerde handelaren kregen een stempel en waren voorlopig van deportatie gevrijwaard. Tot half januari 1943 werden zij met rust gelaten, toen halveerde de bezetter de lijsten van vrijgestelde diamantbewerkers, zij werden in februari opgehaald. Omdat de bezetter vermoedde dat de diamanthandelaren voorraden hadden achtergehouden, dus niet hadden ingeleverd bij Lippmann-Rosenthal, werd bekendgemaakt dat voor familieleden (dus niet gezinsleden) van de handelaren vrijstellingen gekocht konden worden voor vijftig karaat aan industriediamanten per persoon. Toen aan de vraag werd voldaan werden deze vrijstellingen ingetrokken en werden de ongeveer tweehonderd mensen onmiddellijk op transport gesteld. De overgebleven diamanthandelaren en -bewerkers werden voor het overgrote deel in september 1943 naar Westerbork of Vught gedeporteerd. Er waren plannen om in Vught en Bergen-Belsen een diamantindustrie op te zetten. Hoewel deze plannen mislukten hadden de diamantbewerkers die vanuit Westerbork naar Bergen-Belsen waren getransporteerd nog enige tijd een enigszins geprivilegieerde positie. Uiteindelijk kwamen in 1944 daar ook de diamantbewerkers en handelaren uit Vught terecht en de laatste - kleine - groep die nog in Amsterdam was achtergebleven. De weggevoerde mannen zijn bijna allemaal omgebracht, van de vrouwen heeft een aantal het overleefd.
 

Verder lezen

Over de geschiedenis van de diamantindustrie, de ANDB en de voorzitter van de ANDB, Henri Polak:

  • S. Bloemgarten, Henri Polak sociaal democraat 1868-1943 ( Den Haag 1993)
  • K. Hofmeester, Van Talmoed tot Statuut. Joodse arbeiders en arbeidersbewegingen in Amsterdam, Londen en Parijs 1880-1914 (Amsterdam 1990)
  • Th. van Tijn, Th. van (1977), 'De Algemene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB); een succes en zijn verklaring', in: P.A.M. Geurts en F.A.M. Messing (eds), Economische ontwikkeling en sociale emancipatie (Den Haag 1977) vol II, pp. 93-109.
  • C. van der Velde, De ANDB. Een overzicht van zijn ontstaan, zijne ontwikkeling en zijne beteekenis (Amsterdam 1925)

Over de joodse diamantbewerkers tijdens de bezetting:

  • L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel VI juli '42-mei '43 (Den Haag 1975) 298-299.
  • B. Moore, Slachtoffers en overlevenden. De nazi-vervolging van de joden in Nederland (Amsterdam 1998), 171-174.
  • J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 194-1945 (Den Haag 1965) deel II, 223-227.

Over de diamantindustrie (inclusief illustraties), zie:

  • F. Leviticus, Geïllustreerde encyclopaedie der diamantnijverheid (Haarlem 1908)
  • Th. van Tijn, ‘Geschiedenis van de Amsterdamse diamanthandel-en nijverheid, 1845-1897’, Tijdschrift voor Geschiedenis vol 87 (1974) pp. 16-69 and 160-201.

Over de diamantbewerkers:

  • H. Heertje, De Diamantbewerkers van Amsterdam(Amsterdam 1936)
  • Selma Leydesdorff, Wij hebben als mens geleefd. Het joodse proletariaat van Amsterdam 1900-1940 (Amsterdam 1987)

Op het web:


Voor een biografie van Henri Polak zie:
www.iisg.nl/bwsa/bios/polak-h.html
Voor een biografie van Jan van Zutphen zie
www.iisg.nl/bwsa/bios/zutphen.html

Voor het ANDB bondsgebouw zie:
www.deburcht-vakbondsmuseum.nl/gebouw.html

Alle rechten voorbehouden