Na-oorlogse Rechtspraak, Tribunalen in Nederland (cover)
Fragment van houtbewerkt beeld op een woonwagen (1960, archief De Rolleman).
Lange tijd was niet duidelijk hoe en waar een groep van twintig omgekomen Roma uit het Nederlandse Zigeuner-Transport van 245 personen naar Auschwitz feitelijk is gearresteerd. Was dat in het stadje IJsselstein, waar zij in de jaren 40 verbleven, of verspreid op meerdere plaatsen, in IJsselstein, bij Deil of op nog andere naburige plekken?
Met het beschikbaar komen van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (2025) is daar nu meer duidelijkheid over gekomen. In de na-oorlogse rechtspraak over (Joodse en Roma/Sinti) bezittingen in West-Betuwe blijken Roma overlevenden al snel geprobeerd te hebben de in beslag genomen eigendommen terug te vorderen (i.c. woonwagens).
Zo kon in 2025-2026 het laatste ontbrekende puzzelstukje gevonden worden, namelijk waar de andere oorlogslachtoffers van de Roma families Petalo, Fidi en Franz door Nederlandse agenten zijn opgepakt tijdens de landelijke Zigeuner-Aktion van 16 mei 1944.
Vaststelling ervan kent op zichzelf al een lange geschiedenis. In het eerste onderzoek naar de vervolging van Sinti en Roma in Nederland (1940-1945), werd onder de Zigeunerrazzia-gemeentes alleen IJsselstein genoemd als de plaats waar deze drie Roma gezinnen waren opgepakt en is een aantal van 12 arrestanten genoemd, namelijk vijf volwassenen en zeven kinderen (Sijes, 1979, pagina 121). Later onderzoek stelde dat aantal bij naar 19 arrestanten (Lucassen, 1990, p.370; Cottaar, 1996, p.256-257 en 320). Ook is toen voor het eerst melding gemaakt van een vluchtgroep uit IJsselstein, die echter strandde in de toenmalige gemeente Deil.
De toevoegingen van de laatste twee onderzoekers in de jaren 90 was gebaseerd op een review van de Westerbork-lijst in combinatie met een publicatie die kort na Sijes was verschenen. Daarin stond namelijk een interview met een overlevende en ooggetuige, Adolf Petalo, die deel uitmaakte van de vluchtgroep (Beckers, 1980, p.59).
Daarna volgde een hele tijd niets, totdat twee nieuwe publicaties verschenen in het nieuwe millenium. De eerste was een publicatie uit IJsselstein over het verloop van de Zigeunerrazzia aldaar, mede gebaseerd op plaatselijke archiefstukken (Van Dijk, 2015). Op grond daarvan werd geconcludeerd dat in het stadje twee personen waren opgepakt, op de Havenstraat nummer 15, onder wie de "Zigeuner" Anton Petalo. Zijn vrouw ("Arisch") is in Westerbork vrijgelaten. Samen met de andere Roma en Sinti maakte Anton Petalo deel uit van het transport van Westerbork naar Auschwitz op 19 mei 1944. Hij kwam later om door dwangarbeid in Duitsland (1945).
Mijn studie in 2021 naar de razzia op Sinti en Roma in Den Haag en andere gemeenten noemde, wat deze Roma betreft, naast IJsselstein en Deil, nog een plek, Sitfeld, wellicht "Zegveld", dacht ik toen (Jorna, HGA, januari 2021). In een aanvullend artikel is nader ingegaan op 'de kwestie IJsselstein' (Peter Jorna, op website Oorlogsbronnen, zomer 2021). Anton's broer Jan Petalo, ook na Auschwitz omgekomen in dwangarbeid, blijkt opgepakt in Zutphen (fonetisch als Sitfeld opgetekend op diens Buchenwald ID). Uit herlezing van Sijes' interviews zat hij ten tijde van de razzia bij familie in Zutphen, aan de Molenstraat 43 (Sijes, interviewprotocols 1970 voor het onderzoek Vervolging Zigeuners, NIOD).
Vraag bleef echter waar de andere achttien vermoorde Roma uit IJsselstein waren gearresteerd? De Westerborklijst geeft hierover slechts ten dele uitsluitsel: daarop staan nog zes personen (Petalo), met Deile bei Den Bosch als Letzte Adresse. Verder staan op die lijst twaalf personen vermeld met IJsselstein: drie Fidi's en negen uit de familie Franz. Zij waren echter niet daar opgepakt, maar ook in Deil, zo blijkt nu. Straks meer daarover.
Van de vluchtgroep uit IJsselstein blijken twee personen ontkomen te zijn aan de razzia bij Deil. Tot dusver stond in dit verband alleen Adolf Petalo bekend als ontsnapt, op basis van het genoemde interview met journalist Jan Beckers (1980). Dit veranderde in 2025. De zoon van Adolf corrigeerde en completeerde per mail de geboortedata van zijn vader, zoals vermeld op de website van Oorlogsbronnen: Adolf Kalia Petalo was geboren in Alkmaar, op 13 mei in 1915 (in plaats van Apeldoorn, 1911). Hij overleed in Malden, op 3 januari 1984.
Maar ook kon aan Adolf Petalo nog een naam van een persoon worden toegevoegd die aan deze razzia ontsnapt was: "Gosse Nene Fidi Petalo". Dat bleek ook uit weer andere nieuwe bronnen - niet strijdig met bovenstaande mondelinge informatie - namelijk de al genoemde gerechtelijke stukken in het Nationaal Archief (CABR) en mailcorrespondentie met nabestaanden. Uit die informatie blijkt dat de twee neven Kalia en Nene samen hulp haalden bij de panne aan de woonwagen (een breuk in het houten wagenwiel). Toen zij wat later op die plek terugkeerden, zagen zij agenten en militairen bij hun familie. "Wegwezen", gesticuleerde Adolfs moeder Rossa (Sophie Petalo, de vrouw van Michel Petalo-Fidi). En de twee doken onder.
Het naoorlogse gerechtelijke vervolg hierop, over de "verdwenen bezittingen", kwam ik voor het eerst tegen in februari 2025, in een document dat deel uitmaakt van de CABR. Adolf Petalo, zoon van Michel Milosh Petalo en Sophie Rossa Fidi, ging na de bevrijding op zoek naar de woonwagen van de familie, in de gemeente Deil. Hij spande op 23 juli 1945 een rechtzaak aan met behulp van de bekende advocaat Van Benthem uit Utrecht, een goede relatie van zijn vader. Zo blijkt uit het document Tribunalen in Nederland en andere na-oorlogsche rechtspraak stukken (augustus 1946 en volgende jaren).
Adolf had de familiewoonwagen in gezamenlijk eigendom met vader Michel Petalo. Groot en fraai bewerkt met ramen van geslepen glas; voorzien van het kenteken van de wagen, de Vreeswijk 84. De rechtzaak - waarin overigens niet de gemeente Deil gedaagde was, maar de personen aan wie de wagen in 1944 was vergeven - zou jaren duren (1945-1953). Met diverse getuigen, waaronder genoemde José Nene Fidi. De waarde werd geschat op 2.000 gulden (exclusief gevoelswaarde van de wagen die intussen ook van enkele bijzondere kenmerken was ontdaan).
Over dat laatste had een andere, als getuige opgeroepen verwante uit Friesland nog iets bijzonders te melden. Het was Robert Mirosch uit Drachten - eveneens overlevende, met nog twee broers, van de razzia op diens familie aldaar - die de wagen van vroegere jaren kende. Hij typeerde de houten beeldsnijwerken aan weerszijden van de bok als "Indianenkoppen". Hiermee zijn vermoedelijk "Engelenhoofden" bedoeld, zoals onlangs de zoon van Adolf Petalo, fijntjes corrigeerde. "Dat zag je toen wel meer". Bij de betere wagens dan.
Tachtig jaar na dato kan uit deze tragedie het volgende worden afgeleid. De aan de razzia ontsnapte Adolf Kalia Petalo was broer van Surka Petalo (30 januari 1914, Wijhe) en zoon van Michel Milosh Petalo (1891, Perron, Frankrijk) en Sophie Rossa Fidi (1891, Gent, België). De andere, tot voor kort onbekende ooggetuige van de razzia, was José Nene Fidi (geboren in het Spaanse Tarifa, op 12 mei 1923, en overleden in Arnhem, op 4 februari 1989).
Een kompania is een territoriale term uit de taal van de Roma, verwijzend naar groepen onderling verwante en samenwerkende families. Het betrof zeer welvarende paardenhandelaren, Lovari. De Belg Jan Yoors (1922-1977) schreef er twee boeken over (uitgebracht in 1967 en 1971). Over deze kompanias en zijn jarenlange trektocht met de Roma tot ver in de oorlogstijd. Milosh, Rossa, Surka, Kalia, Nene en Maronna komen er regelmatig in voor, zo beduidden de nabestaanden mij (zelfs met verwijzing naar de pagina nummers).
Voor de zonen en dochters van Adolf Kalia Petalo, die in de jaren 50/60 zijn geboren, was deze rechtzaak volkomen nieuw, onbekend. Hun vader praatte zelden over deze zwarte traumatische periode, zeker niet in het nieuw gevormde grote gezin. Laatstelijk in 1997, aan de vooravond van het naoorlogse Rechtsherstel onder de regering Kok (2000), probeerden de oudste zoon nog een spoor van de bezittingen te achterhalen bij het ministerie van Financieën cq de net ingestelde Commissie van Kemenade, maar via hun advocaat kregen zij te horen dat daarover geen uitsluitsel meer te geven was. Nu wel dus, enigszins. Al zijn er nog steeds open eindjes.
Het zoeken naar de andere drie in de rechtstukken genoemde wagens leverde, tot dusver, ook nog een 'hit' op in het Nationaal Archief, namelijk in relatie tot de Romafamilie Franz, het derde gearresteerde gezin uit IJsselstein. Met het oog op de verwantschappelijke relaties valt nu nóg een puzzelstukje op z'n plaats, namelijk de plek waar deze Roma (negen personen) werden opgepakt. Dat blijkt inderdaad ook Deil te zijn, zoals al werd vermoed. Ze zijn samen met de anderen op station Geldermalsen op de passerende trein naar Assen gezet.
Bevestiging hiervan komt opnieuw uit de gerechtelijke stukken. Al op 20 mei 1944, een dag na het Transport naar Auschwitz, blijkt in Deil al iemand verhaal te hebben gehaald over een woonwagen, in de persoon van Romeo Westhiner, van een andere verwante Romafamilie. "Waar is de woonwagen van mijn schoonvader", vroeg hij aan de dienstdoende ambtenaar, dezelfde die een jaar later getuige zou zijn in de zaak Petalo. Romeo Westhiner (1909, San José) was met diens grootfamilie opgepakt in Den Bosch en daar op de trein gezet naar Westerbork. Romeo was de schoonzoon van de oude weduwe Johann Franz (1870, Hagenau) en echtgenoot van diens dochter Maria Franz (1909, Uithoorn). Ook van de arrestanten Franz bij Deil keerde niemand terug. Alleen dochter Marie overleefde, samen met haar schoonfamilie Westhiner die over Guatamalteekse reisdocumenten beschikte en 'dus' in Westerbork vrijgesteld was van het transport. Daags daarna waren zij met een treinkaartje teruggestuurd naar waar zij vandaan zijn gehaald (Zutphen respectievelijk 's-Hertogenbosch), zo blijkt uit de interviewprotocollen van Sijes (1970 en navolgende jaren). In Den Bosch stonden op de gemeentelijke opslagplaats de wagens verzegeld, op naam, van Westhiners en andere (Sinti) families. En in IJsselstein? Taal noch teken van Roma.
Van de in de gerechtelijke stukken genoemde derde en vierde in Deil geconfisceerde wagens, ontbreekt vooralsnog ieder spoor. Een woonwagen met kenteken Oud-Beierland 33 is tot op heden niet geïdentificeerd, d.w.z. te relateren aan namen van leden van de betreffende huishouding cq hoofdaanvrager voor de woonwagenvergunning (zoals indertijd verplicht was voor de Woonwagenwet uit 1918). Van de vierde woonwagen is eveneens taal noch teken in de gerechtelijke stukken.
Peter Jorna, 19 mei 12026 (aanpassingen op versie 3 april 2026)
Naschrift:
Bovenstaande is geschreven met het oog op de tot standkoming van een gedenkteken voor de slachtoffers van de grootste Roma razzia in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, in IJsselstein en/of Deil (gemeente West-Betuwe). Hierin werkte ik samen met Ester Vink (bureau voor historisch toegepast onderzoek). Haar rapport over verdwenen Joodse en Roma bezittingen (2025-2026) in opdracht van de gemeente West-Betuwe verkeert momenteel in de conceptstatus.
Onderstaande link verwijst naar mijn artikel dat in de zomer van 2021 geplaatst werd bij Oorlogsbronnen, en vervolgens door mij, in november dat jaar, ook geplaatst werd op de website van digitaal Joods Monument:
https://www.oorlogsbronnen.nl/artikel/hoe-ook-ijsselstein-de-zigeunervervolging-zichtbaar-was