*tekst is nog niet geredigeerd*
Jozef Hirsch wordt geboren in 1887, als zoon van Jakob Hirsch en Clara Daniëls. Of het echtpaar naast Jozef nog meer kinderen heeft gekregen is onbekend gebleven.
In Apeldoorn woonde gedurende de oorlog nog een Jood met de naam Jozef Hirsch (1888-1943) hij was patiënt binnen Het Apeldoornsche Bosch.
Jozef groeit op in zijn geboorteplaats Mulheim an der Ruhr. Zijn vader is van beroep slager. Vanaf juni 1920 woont hij enkele maanden in Kettwig vor der Brücke, Ruhrstrasse 50, hij is dan drieendertig jaar oud. Hierna keert hij terug naar zijn geboortedorp.
Op 4 februari 1921 trouwt Jozef met de eveneens uit Mulheim am der Ruhr geboren Else Meier. Zij is geboren op 16 juli 1894.
Jozef is veehandelaar. Op 18 februari 1924 bevalt Else van een zoon die de naam Gerard krijgt. Het gezin woont in de Charlottenstrasse, in het huis met nummer 50. Dit is tevens het zakelijke adres. In 1937 verhuist het gezin naar de Eppinghofer Strasse 133. De zaak blijft op het vorige adres gevestigd.
Jozef vlucht in juli 1937 naar Nederland, en wordt in december 1937 in Nijmegen geregistreerd, of vindt daar mogelijk tijdelijk verblijf. Het adres in Nijmegen dat op een document uit Duitsland wordt genoemd is Bloemerstraat 38, een adres waar tijdelijk drie uit Duitsland afkomstige Joden verbleven. De naam van Jozef komt echter niet voor op de woningkaart.
Zijn zoon Gerhard vlucht in 1939 naar Rotterdam, hij komt per trein aan in Nederland. Om onbekende redenen blijft Else in Duitsland. Gerhard wordt in eerste instantie opgevangen in het voormalige quarantainegebouw ‘Heijplaat’, dat voor een groot aantal Joodse vluchtelingen de eerste verblijfplaats is.
In maart 1938 wordt Jozef ingeschreven in het bevolkingsregister van Apeldoorn. Hij vestigt zich op het adres Hogeweg 34 en wordt aangeduid als hoenderparkhouder (elders ook als kippenhandelaar). Hij woont hier in bij weduwnaar Coster, maar verhuist al na enkele weken samen met zijn hospita naar de Zwolse Binnenweg 13. Tien maanden later verhuist hij naar de Handelstraat en gaat wonen op nummer 2.
Omdat Jozef geen 'typisch Joodse voornaam’ heeft, moet hij, op bevel van de nazi’s, vanaf januari 1939 een stigmatiserende persoonsnaam aan zijn eigen voornaam toevoegen. De officiële naam van deze verordening luidt: ‘Zweite verordnung zur Durchführung des Gesetzes über die veränderung von Familiennamen und Vornamen’. Deze wet schrijft voor dat vanaf 1 januari 1939 alle Joden die Duits onderdaan zijn, maar geen 'typisch Joodse voornaam' dragen een tweede persoonsnaam aan hun naam moeten toevoegen (deze wet gold dus ook voor Duitse Joden die uit Duitsland waren gevlucht). De mannen worden verplicht ‘Israël' aan hun persoonsnaam toe te voegen en de vrouwen ‘Sara’. Op een lijst kan Jozef zien dat zijn voornaam als ‘niet typisch Joods’ wordt aangemerkt.
Ondertussen corresponderen de Duitse autoriteiten onderling om Jozef zijn Duitse staatsburgerschap af te nemen, elders wordt genoemd dat de overtredingen waar hij in het verleden voor veroordeeld is, hier aan ten grondslag liggen; ‘Vanwege zijn aanzienlijke criminele geschiedenis en hoge belastingschuld…’. Politiek gezien wordt er door de nazi’s niks ten nadele gevonden.
Uit een briefwisseling van 22 februari 1939 tussen ‘Hulp aan Buitenlandse Kinderen’ (ook wel ‘Het Kinder Comité’ genoemd) en het Ministerie van Binnenlandse zaken komt naar voren dat Gerhard twee dagen voor zijn vijftiende verjaardag in Rotterdam is aangekomen en in quarantaine zit. De kern van de brief is dat Jozef een verzoek indient om Gerhard bij hem thuis te mogen houden. Een fragment: ‘Het is ons bekend, dat de heer Hirsch welke reeds 1 ½ jaar hier vertoeft, in bijzonder gunstige omstandigheden verkeert en zeer zeker in staat is zijn zoon een behoorlijke huisvesting en opleiding te verzekeren. Gaarne ondersteunen wij dit verzoek en teekenen, ik afwachting van Uwe beslissing.’ Kort hierna, op 2 maart 1939, wordt een brief van gelijke strekking verzonden. Tot een hereniging komt het niet. Hoewel niet met zekerheid vast te stellen, is het volgende scenario denkbaar: In eerste instantie richtte de Nederlandse regering zich op de toelating van Joodse kinderen die familie in Nederland hadden, zodat deze kinderen bij hun familie konden worden ondergebracht. Dit beleid werd echter al snel herzien. Men realiseerde zich dat het toezicht op verdere emigratie eenvoudiger zou zijn als de kinderen in tehuizen verbleven. Nederland wilde immers uitsluitend functioneren als transmigratieland en niet als eindbestemming.
Dit aangepaste beleid leidde echter tot nieuwe uitdagingen. De kosten voor het verblijf van de kinderen in tehuizen bleken hoog, en hoewel de Joodse gemeenschap verplicht werd deze kosten te dragen, viel het tegen hoeveel familieleden daadwerkelijk de gevraagde 50 gulden per maand per kind konden bijdragen. Als gevolg hiervan werd het beleid in het voorjaar van 1939 opnieuw bijgesteld.
Vanaf dat moment werd besloten om de kinderen zoveel mogelijk bij (pleeg)families onder te brengen. Dit gold echter alleen voor kinderen jonger dan 14 jaar, wat een nieuwe scheidslijn in de opvang creëerde.
Gerhard gaat na zijn periode in Rotterdam naar het Burgerweeshuis in Gouda en uiteindelijk naar het Joodse werkdorp Wieringermeer. Dit is opgericht voor uit Duitsland en Oostenrijkse (jonge) Duitse Joden die een opleiding volgen tot landbouwer, met als einddoel klaargestoomd te worden om in Palestina te gaan.
Op het adres Handelsstraat woont Jozef acht maanden voordat hij zich in oktober 1939 vestigt op het adres Korenstraat 9. Op 22 december 1939 doet Jozef aangifte bij de politie vanwege de diefstal van een groot wit konijn uit zijn schuur aan de Hogeweg 20.
In de tweede week van januari 1940 fietst Jozef op de Loseweg, waar hij wordt aangereden door een taxichauffeur van het bedrijf N.A.T.O. Hij heeft aanvankelijk last van zijn rug door een ‘stoot in de rug’, maar de pijn verdwijnt uiteindelijk. Op 28 februari 1940 gaat een agent, in de rol van getuige, naar de rechtbank van Zutphen. Hij is gedagvaard in de zaak van Jozef tegen de taxichauffeur.
Op 25 juni 1940 ‘worden door ambtenaren van de Sicherheitspolizei tien mannelijke Joodsche ingezetenen dezer gemeente in bewaring gesteld’. Jozef behoort tot deze groep. Twee andere mannen zijn Berthold Krebs (1913-1945) en Tobias Elzas (1914-1943), deze laatste wordt opgepakt in zijn woning, er is in dit huis namelijk een Duitse vluchteling gevonden. Het rapport beschrijft dat hij ‘samenwoont met één der gearresteerde Duitsche Joden. Gebleken is dat dit verhoor een onderzoek betrof naar het paspoort, de politieke antecedenten en de bestaansmiddelen dezer ingezetenen’. Van de tien Joodse dorpelingen worden er in de loop van de dag acht vrijgelaten.
Na acht dagen hechtenis wordt Jozef op 2 juli 1940 overgedragen aan de Duitse politie. Het politierapport vermeldt niet waar hij naartoe wordt gebracht. Een brief van politiechef Helder, gedateerd 27 september 1940, maakt duidelijk dat hij door de Duitse politie is overgebracht naar de Sicherheitsdienst (SD) in Arnhem.
Vanuit de SD wordt Jozef overgebracht naar de Stapo (Staatspolizei) in Osnabrück, Duitsland. Uit het archief van Osnabrück blijkt de reden van dit alles, omdat Jozef in 1937 illegaal de grens tussen Duitsland en Nederland is overgestoken (het document noemt 1936, maar zal hoogstwaarschijnlijk op 1937 betrekking hebben).
Jozef zou in het verleden voor de volgende vijf zaken zijn veroordeeld:
1919: 500 RM boete, te vervangen door honderd dagen detentie vanwege het overtreden van de regelgeving aangaande 'speisefette', ofwel: voor consumenten geschikte vetten.
1920: 4.000 RM boete, te vervangen door vierhonderd dagen detentie vanwege het verkopen van koeien.
1930: 40 RM boete, te vervangen door vier dagen detentie vanwege rijden zonder rijbewijs.
1931: 50 RM boete vanwege rijden zonder rijbewijs.
1936: 2.000 RM boete vanwege een vorm van belastingontduiking.
Jozef wordt door het Openbare Ministerie in Duisburg verdacht van het vervalsen van wisselbrieven. De indexkaart van het register in Osnabrück is blauw, wat suggereert dat Hirsch is overgenomen door de afdeling ‘Politieke Politie’ binnen de Gestapo. Als de kaart oranje was geweest, zou dit de Abwehrpolizei hebben aangegeven.
Jozef zou in drieëntwintig gevallen geldwissels met vervalste handtekeningen bij de bank hebben ingeleverd. Deze bank is in totaal voor 4.870 RM gedupeerd. Het geld dat via de bank overgeboekt moest worden was afkomstig van boeren waar hij eerder zaken mee had gedaan; en de betaling via geldwissels hadden geaccepteerd, kende hij -volgens de verslaglegging- hun handtekening en vervalste deze van hen.
Volgens het belastingkantoor van Mülheim an der Ruhr zou Jozef een belastingschuld hebben van 5.494 RM, daarbovenop komt een boete van 1.100 RM. Het wordt uit de stukken niet duidelijk of de voornoemde 2.000 RM hier onderdeel van heeft uitgemaakt.
Na zijn vlucht in 1937 blijft zijn vrouw Else en hun zoon Gerhard in Mülheim an der Ruhr achter. Uit de stukken komt naar voren dat Else volgens de nazi’s niet onschuldig wordt geacht, ze noteren dat ze samen met haar man een crimineel huishouden heeft bestierd, dat ze naar zijn vertrek hun woning heeft moeten laten veilen, en bij een familielid is ingetrokken. Ook zou ze beweerd hebben van Jozef te willen scheiden en bovendien geen contact meer met hem heeft; de autoriteiten geloven dit niet. Uit hun onderzoek blijkt dat ook Else van plan was naar haar man (in Nederland) te gaan, met als doel hun zoon bij hem onder te brengen. De paspoortaanvraag werd afgewezen door de plaatselijke politie. Ook wordt duidelijk dat de post voor en/of door Else onder toezicht komt, er zal dus meegekeken worden met inkomend en mogelijk ook uitgaande post.
De nazi’s vatten het gebeuren alsvolgt samen: ‘Door zijn vervalsingen van geldwissels en door het achterlaten van een aanzienlijke bedrag aan belastingschulden maakte Hirsch zich schuldig aan een typisch Joodse misdaad, die schadelijk was voor het volk en het lijkt passend om tot ontheemding over te gaan’.
Op 11 augustus 1940 wordt Jozef vanuit de Stapo overgebracht naar de rechtbankgevangenis van Mülheim an der Ruhr, zijn geboorteplaats. Volgens de documentatie betreft het een ‘verzameltransport’.
Na de oorlog heerst er onduidelijkheid over het exacte lot van Jozef. Formeel wordt hij doodverklaard met als gegevens: 10 maart 1944, Theresienstadt. Daarnaast wordt ook een andere formele overlijdensdatum genoemd: 22 februari 1943, Auschwitz. Een briefje van het bestuur van de gevangenis van Remscheid Lüttringhausen (gelegen onder Wuppertal) maakt duidelijk dat Jozef op 18 januari 1943 vanuit daar naar Auschwitz zou zijn gedeporteerd. Het dossier van de gevangenis maakt het volgende duidelijk: Op 8 november 1940 wordt Jozef veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens fraude. De planning is dat hij op 19 juli 1943 zijn straf zal hebben uitgezeten [mogelijk is sprake van aftrek van het voorarrest]. Op 18 januari 1943 is hij op mondeling bevel van de geheime staatspolitie in Wuppertal overgebracht naar het concentratiekamp Auschwitz.
Een derde datum, een begrijpelijke vergissing, betreft de overlijdensdatum dat vooral bekend is van de slachtoffers van Het Apeldoornsche Bosch, namelijk 25 januari 1943, Auschwitz. Dit betreft zijn naamgenoot uit Apeldoorn, wat mogelijk heeft bijgedragen aan de verwarring rond Jozef's overlijden.
Op 15 juli 1942 wordt Gerhard naar Auschwitz gedeporteerd. De bij wet vastgestelde sterfdatum in Auschwitz is 30 september 1942. Een indicatie dat hij door dwangarbeid, executie of op een andere wijze overlijdt veroorzaakt door het naziregime; de laatste dag van elke maand werd hier doorgaans voor gebruikt.
Else, de vrouw van Jozef, wordt in 1942, als ingezetene van Duitsland, naar getto Theresienstadt gedeporteerd. Dit gebeurt op 21 juli 1942 via een transport van het goederenperron van Düsseldorf-Derendorf-transport, naast Else telt dit transport 965 gedeporteerden. Op 15 mei 1944 wordt Else op transport gezet naar Auschwitz, waarna ze wordt omgebracht.
Bronnen: Stadtarchiv Remscheid, Stadtarchiv Essen, Niedersächsisches Landesarchiv, Abteilung Osnabrück, gemeentearchief Mülheim an der Ruhr, Terezin archive, Dokin (Duitse Oorlogskinderen in Nederland). Afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork, CODA Archief Apeldoorn, Digitaal Joods Monument, Erica adresboek van Apeldoorn, het Gelders Archief, ITS Archiv Bad Arolsen (International Tracing Service), het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters, Yad Vashem, het Nationaal Archief en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten).