In Memoriam

Verhaal -

Joël Denneboom wordt geboren in 1901, als zoon uit het huwelijk van Hartog Denneboom en Duifje Lehmans. Joëls moeder overlijdt in 1934, zijn vader wordt in november 1942 in Auschwitz om het leven gebracht. Joël heeft drie oudere broers: Samuel Asser, hij overlijdt in 1938, en Herman Henri en Abraham, zij worden in de zomer van 1942 om het leven gebracht in Auschwitz.

Joël wordt geboren in het Drentse dorpje Nietap. In de geboorteakte wordt zijn naam met een trema geschreven. Zijn ouders maken zijn geboorte bekend met een familie-advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden.

Nietap is eigenlijk het Drentse gedeelte van het Groningse dorp Leek, de provinciegrens tussen Drenthe en Groningen loopt er doorheen; door hun verhuizing in dezelfde straat, in 1917, wordt het gezin inwoner van Groningen. Joël doorloopt de openbare school in Nietap. Het gezin leeft volgens de Joodse tradities, een paar keer per week gaan de kinderen na schooltijd naar de Joodse school, waar ze onder andere Hebreeuws leren.

De vader van Joël heeft een winkel in manufacturen, die hij verkreeg doordat zijn schoonvader, bij gebrek aan mannelijke erfgenamen, de zaak aan hem overdroeg. In die tijd de gebruikelijke gang van zaken. De term ‘manufacturen’ werd gebruikt voor textiel en andere artikelen voor het huishouden, kleding en, om zelf kleding te maken, stoffen, garens, ritssluitingen en knopen en vaak ook kruidenierswaren.

Hester Henderine van Oosten wordt geboren in 1905, als dochter uit het huwelijk van koopman Jonas van Oosten en van Gonda van Oosten-Godschalk. Haar beide ouders worden in oktober 1942 om het leven gebracht in Auschwitz.

Hester Henderine heeft drie broers; Abraham, die in 1937 overlijdt, Machiel en Maurits, die begin 1943 in Auschwitz van het leven worden beroofd.

Hester Henderine woont haar eerste levensjaar in Assen, aan de Gedempte Singel op nummer 17. Hier is ook de winkel van haar vader gevestigd. Al in 1906 verhuist het gezin naar Kruiskade 38, op de hoek van de Gedempte Singel. Ook dit is een woon- en winkelpand.

In de lente van 1921 wint Hester Henderine de eerste prijs bij de 'Huisvlijttentoonstelling' met een buffetloper. In 1922 verhuist het gezin weer naar de Gedempte Singel, ditmaal naar nummer 10. Hier begint Hesters vader een zaak met de naam ‘De Walvisch’. Hij verkoopt er bedden, meubels, tapijten en kinderwagens.

In 1925 verhuist Hester Henderine, die dan twintig is, met haar ouders nog een keer. Het nieuwe woonadres wordt Oosterhoutstraat 4.

In augustus 1927 verloven Joël en Hester Henderine zich met elkaar. Ze noemen zichzelf Hester en Jo. In het familiebericht wordt Zwolle als woonplaats van Joël genoemd. Joël trekt in bij zijn (aanstaande) zwager Machiel, die in Assen aan de Gedempte Singel 10 woont, het vorige woonadres van Hester en haar ouders.

In februari 1930 opent Joël een winkel in sportartikelen, onder de naam ‘t Noorder Sporthuis. De Provinciale Drentsche en Asser Courant wijden hier de volgende tekst aan: De heer J. Denneboom alhier zal hedenavond onder den naam 't Noorder Sporthuis een nieuwe zaak openen in de Kerkstraat, waar sportliefhebbers op allerlei gebied, de artikelen welke zij noodig hebben, zullen kunnen aantreffen. De zaak is uitsluitend ingericht voor sportartikelen, die men er, én in de keurige etalage én in den winkel én op de galerij in bonte verscheidenheid aantreft. In het midden van den winkel is een aardig zitje ingericht, terwijl voorts o.m. nog vermelding verdienen de kampeertent op de galerij en de vitrines in den winkel. Men zie de advertentie in dit blad.

Een dag voor Joëls dertigste verjaardag treedt hij met Hester Henderine, 25 jaar, in het huwelijk. De plechtigheid vindt plaats op 15 september 1931 in Assen. Een broer van Joël en een broer van Hester Henderine zijn de mede-ondertekenaars van de huwelijksakte. Tegen de heersende gewoonte in wordt over Hester niet genoteerd ‘zonder beroep’, maar ’winkelierster'.

Joël en Hester wonen in Assen, Kerkstraat 22a, waar ze tot aan hun verhuizing naar Apeldoorn blijven wonen. In het pand is ook hun winkel gevestigd. De zaak is telefonisch te bereiken via nummer 526. Ze verkopen er onder andere tennisrackets van het merk Wifra. Sporters met een defect racket kunnen bij hen terecht voor reparatie. Ook zijn er schaatsen, tennisschoenen en kampeerbenodigdheden te koop. Later voegen ze speelgoed uit ‘het betere segment’ aan het assortiment toe.

Op 11 september 1933 bevalt Hester Henderine van een zoon die de namen Harry Sam krijgt.

In de lente van 1936 bereidt het echtpaar een verhuizing naar Apeldoorn voor. De zaak wordt overgenomen en behoudt zijn naam. Een deel van de persoonlijke inboedel van het gezin Denneboom-van Oosten wordt in de plaatselijke krant te koop aangeboden. Geïnteresseerden kunnen onder meer een theekast, een boekenkast, een kinderwagen en een mandoline kopen. Later plaatsen zij de volgende tekst in de krant: ‘Wegens vertrek, bedanken wij voor het lidmaatschap van alle plaatselijke vereenigingen’.

In april 1936 vestigt het gezin Denneboom-van Oosten zich in Apeldoorn, en betrekt een woning aan de Schuttersweg, op nummer 137. Drie jaar later (april 1939) gaan ze wonen aan de Waltersingel 58, twee huizen verder dan het eveneens Joodse echtpaar Andreas Kamp (1908-1943) en Elisabeth Kamp-de Vries (1908-1942). 

Een Joodse vluchteling uit Duitsland, Kurt Rosenbaum (1927-1945) verblijft enige tijd bij het gezin. Op een vluchtelingenregistratiekaart van de gemeente Apeldoorn staat onder meer over hem geschreven: ‘Is met een transport vluchtelingen op 4 januari 1939 in Nederland gekomen’.

Het echtpaar is hierna bereid om opnieuw een Duits-Joods jongetje in huis te nemen. Deze keer is dat Kurt Leo (1928), die na de Kristallnacht zonder zijn ouders naar Nederland is gekomen. Het drie jaar oudere broertje van Kurt Leo wordt toegewezen aan het gezin Kamp. Uiteindelijk gaat het toch niet door; het Ministerie van Binnenlandsche Zaken, afdeling Vluchtelingenbureau, laat begin januari 1940 in een brief weten, dat de plaatsing niet doorgaat, omdat de broertjes op korte termijn met hun ouders naar de Verenigde Staten emigreren. Tot die tijd blijven de kinderen in Huize Kraaybeek in Driebergen. Dit huis bood onderdak aan Joodse kinderen, die door hun Duitse ouders naar het veiliger geachte Nederland werden gestuurd.

Het echtpaar Kamp neemt gedurende de oorlog alsnog twee Joodse kinderen uit Duitsland in huis op, namelijk: Heinz Leo Spiegel (1931-1943) en Frieda Spiegel (1933-1943).

Joels en Hesters zoon Harry Sam is zes jaar, als hij in september 1939 naar de Berg en Bosschool gaat, waarschijnlijk samen met Heinz Leo en Frieda, die 'opvangkinderen' van de familie Kamp. Vanaf de zomer van 1941 mogen Joodse kinderen geen onderwijs meer krijgen op een niet-Joodse school. Harry blijft tot 22 december 1941 thuis en gaat dan naar de op dat moment geopende Joodse school. Hij begint er in de derde klas.

Joël wordt lijkbezorger bij de Joodse gemeente in Apeldoorn. Hij staat sinds 1 januari 1942 op de personeelslijst van het Apeldoornsche Bosch. Dit heeft vermoedelijk te maken met het feit dat hij door de anti-Joodse bepalingen veel beroepen niet meer mag uitoefenen.

Op 12 september 1942 vinden in het huis aan de Waltersingel ook Leonie Henriëtte Hoogstraal-Koster (1911-1942) met haar twee kinderen Bernhard (1933-1942) en Samuel (1935-1942) onderdak. Later wordt Leonie’s naam: Leonie Henriëtte Cohen-Koster); haar echtgenoot, Isidoor Hoogstraal (1906-1942), is op 23 mei 1942 geregistreerd in Mauthausen. Hij sterft er op 18 juni 1942.

In 1942 moet Joël naar een werkkamp in Nederland, het kader van de Arbeitseinsatz, de verplichte inzet van jonge mannen uit bezette gebieden om de Duitse mannen te vervangen, die als soldaten dienstdeden. Wanneer Joël naar werkkamp Lievelde wordt overgebracht is niet meer na te gaan, wel staat vast dat de eerste Joodse mannen op 19 augustus 1942 in het Achterhoekse plaatsje worden binnengebracht. Op een document met de datum 15 september 1942 wordt Joël, samen met negen andere mannen, genoemd in relatie tot het eerder genoemde kamp Lievelde in Lichtenvoorde. Onder hen Joël Pijpeman (1916-1943) en de eerder genoemde Andreas Kamp. De mannen moesten werken aan een betere afwatering van de Huttendijk. Er komen klachten uit de buurt; de Joodse mannen zouden de omwonenden lastigvallen en om eten vragen. Maar er is ook een andere kant opgetekend; dorpelingen voorzien de Joodse mannen van extra eten. De vergoeding die Joël voor zijn werk krijgt, kan door zijn vrouw in Apeldoorn worden opgehaald.

Joël wordt op 2 oktober 1942 met een trein vanaf station Lievelde, via Arnhem, overgeplaatst naar kamp Westerbork. Het besluit om alle werkkampen in Nederland gelijktijdig te sluiten was door de bezetter al op 24 september 1942 genomen.

Hester Henderine en Harry Sam worden in de nacht van 2 op 3 oktober uit hun huis weggevoerd; het betreft een landelijke actie. Ook zij worden via Arnhem naar kamp Westerbork gedeporteerd. Dit betekent dat zij óf in Arnhem óf in het doorvoerkamp weer worden herenigd met Joël.

Op maandag 26 oktober 1942 wordt het gezin op transport gezet. Transport 31 telt 24 wagons en in totaal 841 gedeporteerden. Op donderdag 29 oktober 1942 arriveert de trein op het overslagperron van Auschwitz. 

Bijna de helft van de gedeporteerden wordt ‘als dwangarbeiders tot het kamp toegelaten’, de overige 412 Joden worden direct vergast. Hester Henderine en Harry Sam worden niet geselecteerd en zijn kort na hun aankomst op donderdag om het leven gebracht. 

Joël wordt door de nazi’s gezien als bruikbare kracht. Het is zeer aannemelijk dat Joël tot aan zijn dood dwangarbeid heeft verricht; de exacte sterfdag blijft formeel onbekend. De volgens de Nederlandse wet vastgestelde datum voor dit overlijden zonder bekende sterfdatum is 28 februari 1943; doorgaans werd de laatste dag van elke maand hiervoor gebruikt.

Na de oorlog wordt een deel van de inboedel van Joodse mensen die de oorlog niet overleefden, door de gedecimeerde Joodse gemeenschap in kaart gebracht. Bij het huisraad van Joël en Hester Henderine gaat het volgens een teruggevonden kaartje om de volgende bezittingen: alle vloerbedekking, overgordijnen, een bed voor twee personen, driedelige matrassen, lampen, tuinameublement en een antiek schoorsteendoek. Bij mevrouw Besier, die in de Waltersingel op nummer 56 woont, zijn 'ook enkele dingen van hen aanwezig'. Daarnaast is er correspondentie bewaard gebleven tussen twee schoonzussen van Joël (Eva Denneboom-Nathans en Elli Allegonda Denneboom-Gans) en ook tussen het comité in Apeldoorn dat de afwikkeling van de eigendommen van ‘hen die niet zijn teruggekeerd’ coördineert en de mensen die op dat moment het pand Waltersingel 58 bewonen. (Het correspondentieadres van het comité is het adres van de heer Van Son.)

Op 3 oktober 1945 schrijft de bewoonster van de Waltersingel 58, die ter goeder trouw in de woning is getrokken: Vanmorgen bereikte mij Uw brief over de Joodse goederen, die nog zijn op Waltersingel 58, het huis dat ik bewoon. Omdat ik in de veronderstelling verkeerde dat mevrouw Denneboom-Leek, de schoonzuster van de familie Denneboom, die vroeger op dit perceel woonde, reeds diverse voorwerpen, die zich hier bevinden, op Uw bureau had aangegeven, heb ik zelf niet nogmaals aangifte gedaan van de goederen, die er nog zijn. Deze schoonzuster is persoonlijk bij mij geweest, om een en ander in ogenschouw te nemen. Met behulp van de dame, die naast mij woont, mevrouw Besier, die bevriend was met den heer en mevrouw Denneboom, die naar wij vrezen niet meer naar huis terug zullen keren, hebben wij kunnen constateren wat er nog van hun bezittingen over is. Dit zijn: tuinmeubelen (een tafel, twee stoelen, enkele (kapotte) ligstoelen), vast kleed in woonkamer, zeil, alle overgordijnen in voor- en achterkamer, mat (serre), lampenkap (serre), lampenkap (achterkamer), kamerlampkap (boven), kachel, stofzuiger (merk Vampyr). Daar er nog meer gestolen goed in mijn huis is, wat de P.G.D. binnenkort zal komen weghalen, zal ik hen mededelen, wat van deze Joodse mensen is, en dat goed in mijn huis achterhouden. Mevrouw Abbink-van Barreloo

Twee weken na deze brief sturen de schoonzussen van Joël nog een brief. Hierin schrijven zij dat er een brief is toegevoegd van de huidige bewoners. In hun eigen brief schrijven de schoonzussen dat mevrouw Abbink-van Barreloo bereid is om de bezittingen van het echtpaar Denneboom af te staan, maar dat zij graag gehoor geeft aan de oproep van ‘het bureau van roerende goederen van vijanden en landverraders’ (Kerklaan 37). De verwanten zijn bang voor uitstel, en geven aan dat ze de kachel ‘nu het kouder wordt’ goed kunnen gebruiken en ook belang hebben bij de overgordijnen. Ze vragen de heer Van Son, van het comité in Apeldoorn, om advies, en geven aan graag een verklaring te willen ondertekenen van hetgeen ze van mevrouw Abbink-van Barreloo in ontvangst zouden kunnen nemen. Op een later moment verklaren de schoonzussen van Joël schriftelijk dat zij uit de woning waaruit hun broer is weggevoerd de volgende goederen in ontvangst hebben genomen: een kachel, drie lampen, overgordijnen met roeden, tuinmeubelen, twee matten, een roltafel, een gasgeiser en een stofzuiger.

Bronnen: Het Drents Archief, Het Groninger Archief en Museum ‘het Joodse schooltje’ Leek. Afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork, CODA Archief Apeldoorn, Digitaal Joods Monument, Erica adresboek van Apeldoorn, het Gelders Archief, ITS Archiv Bad Arolsen (International Tracing Service), het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters, Yad Vashem, het Nationaal Archief en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten).

18 september 2025

Copyrights: Attribution Non-commercial Share Alike