Verhaal

In Memoriam

Izaäk Kats is de zoon uit het huwelijk van Levi Kats, slager en later koopman, en Hendrika Sternfeld. Dit echtpaar krijgt behalve Izaäk nog vijf kinderen; Benjamin Levy, Samuel, Johanna, Betje en Margaretha. Het echtpaar woont vanaf 1895 met vijf van hun zes kinderen in Apeldoorn. Betje voegt zich later bij hen. Izaäk verliest zijn moeder in 1917 en zijn vader in 1918. Alle broers en zussen van Izaäk worden gedurende de oorlog in de vernietigingskampen omgebracht.

Malia de Leeuw is de dochter uit het huwelijk van Joseph de Leeuw, slager en later veehandelaar, en Siena Hemelrijk. Malia wordt ook wel Amalia genoemd. Naast Malia krijgt het echtpaar een groot aantal kinderen, enkelen sterven voor de oorlog. Zes van hen worden gedurende de oorlog in de vernietigingskampen omgebracht. De ouders van Malia overlijden respectievelijk in 1923 en 1934.

In 1898, een paar maanden na haar twintigste verjaardag, verlaat Malia haar geboorteplaats Winterswijk en gaat in Amsterdam aan de slag als dienstbode. In het voorjaar van 1903 keert ze terug naar Winterswijk.

In 1900 wordt Izaäk vermeld in een artikel in de Apeldoornsche Courant. Hierin staat dat het Nederlandse leger het verlof van hem en een grote groep andere mannen heeft ingetrokken. Izaäk wordt binnen een vastgestelde periode, met de door hem in bruikleen ontvangen stukken uitrusting, terug verwacht bij het 8e Regiment Infanterie in Arnhem. Een paar maanden later woont hij enkele maanden in Zaltbommel, waar hij geregistreerd wordt als slagersknecht. In januari 1901 keert hij terug naar zijn Apeldoorn.

Op 6 januari 1904 treden Izaäk en Malia met elkaar in het huwelijk, dat wordt gesloten in Winterswijk. Malia verhuist naar Apeldoorn en samen betrekken ze een pand in de Oranjestraat, met aanduiding D 132-4. Binnen een jaar verhuizen zij in dezelfde straat naar D 128-10. In 1905 krijgt het echtpaar een dochter, Hendrika en in 1912 opnieuw een dochter, Gesiena. Tenslotte bevalt Malia in 1918 van een zoon, Levie Joseph. 

In het jaar dat Izaäk voor het eerst vader wordt, vraagt hij bij de gemeente een vergunning aan om een slagerij te beginnen aan de 1e Wormenseweg. Of deze aanvraag is ingetrokken, of dat deze vergunning is verleend, is onbekend. De aanvraag betreft niet het woonadres, dat is nog steeds de Oranjestraat. Izaäk sluit door de jaren heen zijn zaak tijdens de Joodse feestdagen en de sabbat en als het kan, opent hij in de avond aansluitend op de Joodse rustdag zijn winkeldeuren. Op vrijdag plaatst hij bijvoorbeeld de volgende advertentie: ‘kom morgenmiddag na vijf uur uw inkopen doen’.

Uit de beschikbare documentatie komt een beeld naar voren dat Izaäk en Malia geregeld verhuizen. Het exacte verloop is niet met zekerheid te reconstrueren.

In 1908 of 1909 verhuist het gezin naar de Korenstraat, en gaat wonen in het pand met nummer A 172 (na de omnummering: 29). Izaäk is lid van de Apeldoornsche Rund- en varkensslagers Vereeniging. Samen met andere leden wordt besloten om tussen 15 oktober 1909 en 1 april 1910 de slagerijen ‘s avonds eerder te sluiten. De belangrijkste reden is meer rust creëren voor de winkeliers. Uitzonderingen zijn de zaterdagen en de avonden voor een feestdag. Het is niet bekend of deze aanpassing is gecontinueerd. De vereniging voert een kenmerk in; leden zijn herkenbaar aan een geëmailleerd plaatje bij de deur. Ook besluit de vereniging zich aan te sluiten bij de Nederlandschen Slagersbond. Hetzelfde jaar laat Izaäk een rijksveearts één van zijn koeien keuren; hij vermoedt dat het dier tuberculose heeft. Na de keuring wordt het dier vernietigd. 

Izaäk heeft zijn zaak in de Korenstraat en hij plaatst geregeld advertenties in de lokale krant, bijvoorbeeld: ‘Te koop een partij puike stalmest’ en ‘Rund- Kalfsch- en Lamsvleesch tegen scherp concurreerende prijzen. Zie etalage en prijsnootering’. In 1911 verkoopt hij vijf ons lamsvleesch voor 30 cent, dezelfde hoeveelheid kalfsvleesch varieert tussen de 45 en 50 cent. Ook biedt Izaäk zonder verdere toeslag een thuisbezorgservice aan. Tevens roept hij in de krant landbouwers en veetelers op, als ze in bezit zijn van vette kalveren, op deze aan hem te verkopen. Elke maandag is er op ‘ontvangstdag’ bij het station gelegenheid om handel te drijven. Geïnteresseerden mogen hem een briefkaart sturen, die bij een overeenkomst zal worden vergoed.

In de zomer van 1914 ontstaat in Nederland een zekere mate van paniek. Hoewel er al langere tijd de dreiging van oorlog in de lucht hangt, komt de mobilisatie van het Nederlandse leger voor het grootste deel van de bevolking toch onverwacht. Mensen zijn bang dat de neutraliteit van Nederland geschonden zal worden, en ze gaan levensmiddelen hamsteren met als gevolg prijsstijgingen. De regering grijpt in en er worden maximumprijzen vastgesteld. Ook wordt voor enkele producten een (gedeeltelijk) exportverbod afgekondigd. Izaäk laat zijn klanten weten dat hij in ieder geval in de eerste periode geen prijsstijgingen zal doorvoeren. Ook vermeldt hij dat de spoorverbindingen met Duitsland zijn stopgezet, waardoor de export van vette kalveren naar ‘het Duitsche Rijk’ niet meer mogelijk is. Het lijkt er op dat Izaäk, nu hij geen handel meer kan drijven met Duitsland, te kampen heeft met een overschot aan levend vee en aan vleesproducten; zijn prijzen dalen ten opzichte van enkele maanden daarvoor. 

De Apeldoornsche Rund- en varkensslagers Vereeniging neemt ook stelling in. Er wordt bijvoorbeeld in 1915 een prijsstijging afgekondigd, omdat de prijs van levend vee opnieuw stijgt. Hierdoor stijgt ook de prijs van het eindproduct. De ingreep is tijdelijk; een paar weken later wordt het varkensvlees alweer met 10 cent per kilo verlaagd. In mei 1916 biedt Izaäk aan geïnteresseerden gratis stieren aan: ‘Indien gij soms een stier bij uwe beesten in ‘t land zoekt, kunt u die tijdelijk bekomen bij I. Kats’. Op 11 november 1914 wordt een fouragewagen van het Nederlandse leger gevuld met vlees uit de slagerij van Izaäk. Door onbekende oorzaak loopt het paard dat voor de kar is gespannen achteruit, waardoor de kar door de winkelruit van groentehandel Hak rijdt. In een krantenartikel wordt opgemerkt dat het in deze tijd moeilijk is om aan een nieuwe ruit te komen.

In 1917 heeft Izaäk twee filialen, dit vermeldt hij telkens in zijn advertenties, waarin hij ook aangeeft dat lamsvlees zijn specialiteit is. Hij noemt zich ‘de eerste Apeldoornsche lamschslagerij’. Het eerste pand is in de Rustenburgstraat, op nummer 39 (‘op de hoek met de Mariastraat’) en het andere in de Brinklaan op nummer 94. In dat jaar trekt Izaäk ook een compagnon aan: zijn zwager Adolf Hony. Naast de verkoop aan particulieren, richten Izaäk en Adolf richten zich op hoteliers en pensionhouders. De samenwerking tussen de twee mannen is echter van korte duur, Izaäk laat zijn klanten enkele maanden later al weten dat de samenwerking is beëindigd. Hij behoudt alleen het pand aan de Rustenburgstraat. Begint 1918 noemt Izaäk zich geregeld: exporteur.

Adolf Hony is gehuwd met Rosette, de zus van Izaäks vrouw Malia. Adolf en Rosette hebben een zoon, Joseph (*1912). Deze wordt later de schoonzoon van Izaäk en Malia; hij trouwt met hun dochter Gesiena.

Izaäks broer, Benjamin Levy, woont tot januari 1918 nog bij zijn vader in huis. Na diens overlijden in januari trekt Benjamin Levy in bij zijn broer. Een maand later staat er een grote advertentie in de krant, waarin meer dan dertig slagerijen aangeven dat zij vanwege de door de regering vastgestelde maximumprijs per kilo levend vee, geen geschikte dieren meer kunnen inkopen; door de slechte de prijs-kwaliteit verhouding is in- en verkoop volgens de slagers niet meer rendabel. Ook de slagerijen van Izaäk en zijn broer Samuel, die net als zijn twee broers ook slager is, staan vermeld in deze advertentie. Het gevolg is dat zij het besluit van de Nederlandse Slagersbond volgen; er zal ten minste acht dagen geen rund- en kalfsvlees worden verkocht. Acht dagen later vermeldt dezelfde groep slagers dat het beleid wordt gecontinueerd. Enkele maanden later worden Izaäk en Samuel, allebei met hun eigen zaak, genoemd als distributie-adres van het zogenaamde ‘regeringsvlees’. In deze economisch moeilijke tijd besluit broer Samuel te stoppen met zijn slagerij en zich te richten op de verkoop van vis en groenten. In 1919 kan hij weer terugkeren naar de handel in vlees. Izaäk opent in deze periode een tweede filiaal, en wel in de Korenstraat op nummer 22. Dit wordt ook zijn nieuwe woonadres. Na enkele maanden sluit hij de zaak in de Rustenburgstraat.

In september 1921 adverteert Izaäk met de verkoop van dikke wollen dekens, de wol is afkomstig van de door hem zelf geslachte schapen. Tot een bepaalde datum zijn de dekens te bestellen.

Op een foto uit begin jaren twintig is te zien dat op de etalage van de slagerij staat: ‘Vleeschhouwerij Kats & Co.’. In de zomer van 1924 krijgt Izaäk een voorlopige vergunning om zijn zaak uit te breiden. In de tweede helft van 1925 verkoopt hij de zaak aan de Korenstraat aan een andere slager, hem noemt hij ‘zijn opvolger’. Op basis van het ontbreken van advertenties vanaf deze periode lijkt Izaäk enkele jaren lang geen eigen zaak te hebben, dit wordt versterkt door de term ‘opvolger’ die hij heeft laten optekenen. Mogelijk is hij op dat moment werkzaam bij volksslagerij R. Kats, aan de Stationsdwarsstraat, nummer 4. Dit is het woonadres van zijn broer Samuel, de initiaal in de naam van de zaak verwijst vermoedelijk naar de naam van Samuels vrouw, Rozette. Tijdens de heropening van het Marktplein in oktober 1926, wint Izaäk een prijs voor vee dat hij in bezit heeft. In het najaar van 1931 schrijft Izaäk zich opnieuw in als ondernemer, nu als ‘grossierderij in vleesch’.

Eind jaren twintig woont Izaäk met zijn gezin en zijn ongehuwde broer Benjamin Levy in de Mariastraat, in het huis op nummer 62. In het pand op nummer 60 wordt de slagerij gevestigd. Hoewel de krantenadvertenties meestal verwijzen naar huisnummer 60 als zakelijk adres, komt zo nu en dan ook nummer 62 voor. Izaäk is de eigenaar van de zaak en broer Benjamin Levy staat in het bevolkingsregister vermeld als ‘ondergeschikte’. Midden jaren dertig, tussen 1934 en 1937, staat niet de initiaal van Izaäk in de krantenadvertenties, maar dat van zijn broer: ‘B. Kats’. Het gaat telkens wel om de twee panden in de Mariastraat.

Izaäk zet zich ook in voor de Joodse gemeente in Apeldoorn; in 1931 zit hij in het comité voor de viering van het veertigjarige bestaan van de synagoge. De leden bereiden onder andere een feestavond, inclusief een revue en een kinderfeest voor. Ondertussen is de uitbreiding van de synagoge in volle gang. 

Eind dertiger jaren biedt Izaäk ook onderdak aan twee Joodse mannen: Mozes Simon Poppers (1859-1942) en Izaak van Dam (1887-1942).

In maart 1933 vindt in Apeldoorn de tweede editie plaats van de ‘Paaschveetentoonstelling’. Ook de burgemeester is hierbij aanwezig. Tijdens deze drukbezochte editie wint Izaäk twee prijzen in de categorie: ‘het fijnste en best gemeste kalf’

Levie Joseph, de zoon van Izaäk en Malia, gaat eind augustus 1936 naar Rotterdam, waar hij wordt geregistreerd als slagersknecht. Al in januari 1937 verhuist hij van Rotterdam naar Winterswijk. Hier staat hij genoemd als slager. Na vijf maanden keert hij terug naar zijn geboortedorp, waar hij weer bij zijn ouders gaat wonen. Zijn vader en diens broer, Benjamin Levy, zetten de zaak ondertussen om in een firma. Later komt ook Levie Joseph formeel in de zaak werken, zoals blijkt uit krantenadvertenties waar de zaak als ‘Firma Kats & zoon’ wordt aangeduid.

Na twee jaar oorlog en vele anti-Joodse maatregelen, moet de Firma Kats & Zn. op last van de bezetter de zaak sluiten. Ook de andere Joodse slagers worden hiertoe verplicht. De afhandeling van de liquidatie is in handen van Omnia Treuhandgesellschaft. In de krant is te lezen dat de klanten van elke slagerij die ‘is opgeheven’, één of meerdere vastgestelde adressen krijgen toegewezen van niet-Joodse slagerijen. Hiermee komt een einde aan het jarenlange ondernemerschap van Izaäk, Benjamin Levy en Levie Joseph. Ook twee stukken grond die Izaäk in zijn bezit heeft, worden geconfisqueerd.

Levie Joseph wordt in een werkkamp vastgezet, waar hij in een werkverschaffingsproject arbeid moet verrichten. Waar en wanneer is nu niet meer na te gaan. Hij wordt op 2 oktober 1942 overgeplaatst naar Kamp Westerbork. Nog dezelfde dag wordt hij met 1013 anderen naar ‘het Oosten’ gedeporteerd. De trein heeft als eindbestemming Auschwitz. Tachtig kilometer voor Auschwitz stopt de trein in Kosel om een deel van de gedeporteerden uit te laten stappen. Levie Joseph valt binnen de doelgroep die de Duitsers laten uitstappen. In totaal worden ongeveer 300 mannen gedwongen de trein te verlaten. Levie Joseph komt, mogelijk via andere werkkampen, terecht in het werkkamp Schoppinitz (nabij Katowice, in bezet Polen). Vanuit dit werkkamp wordt gewerkt aan de spoorlijn Berlijn-Krakau. Een getuigenis, opgetekend in het boek van L. de Jong beschrijft: ,,Handschoenen hadden we er niet… Er moest hier gewerkt worden, al kleefde het ijzer als het ware aan je handen van de kou”. En: ,,Het kwam voor dat de Joden die hier werkten, zich uit wanhoop voor een locomotief of trein wierpen”. Levie Joseph heeft de bij wet vastgestelde datum van overlijden: 31 oktober 1943. Hieruit is op te maken dat de exacte sterfdatum onbekend is en ook dat hij tot aan zijn dood dwangarbeid heeft moeten verrichten.

In de nacht van 17 op 18 november 1942 vinden er in Gelderland in verschillende plaatsen grote razzia’s plaats. In Apeldoorn wordt een onbekend aantal Joden uit hun huizen gehaald en lopend naar het plaatselijke treinstation geleid. Een andere bron noemt wel een aantal: zevenenzestig. Onder hen Malia, haar man Izaäk en diens broer Benjamin Levy. Vanaf het station van Apeldoorn worden ze per trein naar Kamp Westerbork gedeporteerd.

Malia, Izaäk en Benjamin Levy zitten een kleine week in het doorgangskamp opgesloten, tot ze op dinsdag 24 november 1942 op transport moeten. Transport 38 vertrekt, met 709 gedeporteerden in tien wagons, naar vernietigingskamp Auschwitz. Drie dagen later komen ze aan op het treinstation van Auschwitz. Van hieruit leggen ze de route af naar de gaskamers, waar ze om het leven worden gebracht.

Doordat de afhandeling van de liquidatie van de slagerij de bezetter veel tijd kost, wordt pas vijf maanden na de dood van Izaäk de formele liquidatie van de slagerij in de Apeldoornsche Courant bekend gemaakt.

In september 1923 gaat Hendrika Kats, de dochter van Izaäk en Malia, naar Winterswijk waar ze, net als in haar geboortedorp, wordt geregistreerd als kantoorbediende. In juni van het volgende jaar keert ze terug naar Apeldoorn. Hendrika woont vanaf 1925 een periode lang in Amsterdam, waar ze werkzaam is als leerling-verpleegster in het Nederlands Israëlitisch Oude Mannen en Vrouwen Ziekenhuis, aan de Kerkstraat 135. Vervolgens woont ze in Les Avants, Zwitserland en in 1931 keert ze terug naar Amsterdam. Op de registratiekaart van de Joodse Raad staat vermeld dat zij in het verleden cheffin was in een boekhandel. Twee maanden voor de oorlog treedt ze in het huwelijk. Dit gezin overleeft de oorlog.

Gesiena Kats, de tweede dochter van Izaäk en Malia, die behalve Gesiena ook wel Sieni of Sientje wordt genoemd, verdient haar geld met tekenen. Iedereen die een portret wil laten maken, kan vanaf tien gulden bij haar terecht. Ook tekent ze modeontwerpen. In haar jeugd heeft ze met haar tekeningen al enkele keren een prijs gewonnen. In 1934 behaalt ze het certificaat machineschrijven. Gesiena verhuist in 1935 naar Amsterdam. Gesiena en haar driejarige zoontje worden in juli 1942 naar Auschwitz gedeporteerd. Het betreft het eerste transport vanuit Nederland naar dit vernietigingskamp. Hier worden zij in Auschwitz-Birkenau omgebracht. Haar man, Joseph Hony, overleeft de oorlog.

Bronnen: Erfgoedcentrum Achterhoek Liemers, Stadsarchief Amsterdam, Stadsarchief Rotterdam, Regionaal Archief Rivierenland, Koninklijke Bibliotheek online en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten).. Digitaal Joods Monument, CODA Archief Apeldoorn, Erica adresboek van Apeldoorn, Yad Vashem, het Gelders Archief, afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork en het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters. 

12 december 2019