Aanvulling

Weesper Hijman Vleeschhouwer, Oorlogsslachtoffer in het Verre Oosten.

Uit het Weesper-Nieuws van 17 December 2008, door Dick van Zomeren.

Varend bij de koopvaardij overleefde marconist Hijman Vleeschhouwer, de oudste zoon van een Weesper manufacturier, twee torpederingen. In december 1942 in de Atlantische Oceaan en in maart 1944 in de Indische Oceaan. Toch werd die laatste torpedering de 31-jarige marconist en 97 andere opvarenden fataal. Ze werden koelbloedig vermoord door degenen die hun schip een uur eerder tot zinken brachten.

In het winkelpand Binnenveer 11 waar nu een Turkse kleermaker zijn diensten aanbiedt, was tot voorjaar 1942 de  manufacturenhandel van David Vleeschhouwer gevestigd. Een joodse familie waarvan de voorouders zeker al sinds 1750 in Weesp woonden. David Vleeschhouwer huwde in 1911 op 27-jarige leeftijd met de in Delden opgegroeide Henriette Menko.

Het echtpaar vestigde zich in Weesp en kreeg vier zoons. De oudste, Hijman, werd geboren op 30 juni 1912. Abraham (Bram) in 1914, zijn broer Michel in 1919 en Adriaan, de jongste zoon, in 1924. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden de zoons nog in Weesp, uitgezonderd Hijman die als telegrafist c.q. marconist bij de koopvaardij voer.

De joodse familie Vleeschhouwer werd al snel met de bezetter geconfronteerd doordat najaar 1940 colporteurs met het blad Volk en Vaderland in Weesp op het Binnenveer relletjes veroorzaakten, waarbij de etalageruit van de manufacturier werd ingegooid. De materiële schade werd hersteld doordat onderwijzer ‘meester’ Bouhuijs en de heer De Weille een  inzamelingsactie op touw zetten.

April 1942 werd het gezin van de toen 58-jarige David Vleeschhouwer gedwongen naar de Amsterdamse jodenbuurt te verhuizen, waar ze onderdak vonden op het adres Rapenburgerstraat 103. Ruim een jaar later, op 4 juni 1943, werden ze in Sobibor omgebracht.

De drie in Weesp wonende ongehuwde zoons doken onder en overleefden de bezetting. Bram Vleeschhouwer heeft na de bevrijding tot begin jaren zestig de zaak van zijn in de oorlog omgebrachte ouders voortgezet. Hij overleed in 1964. Michel  Vleeschhouwer emigreerde naar Canada, waar hij actief was als woninginrichter/stoffeerder, en overleed daar in 1974. De jongste zoon Adriaan woonde na de bevrijding in Weesp, verbleef in 1954 een half jaar in Canada, keerde terug en woonde vervolgens in Amsterdam, Tilburg en opnieuw in Weesp. In de jaren tachtig verhuisde hij van Weesp naar het noorden, waar het spoor dood loopt. Volgens de laatste berichten is hij overleden en wonen zijn zoons David en Daniël in Israël.

Marconist Vleeschhouwer

Hijman, de oudste zoon van de  manufacturier, doorliep de lagere school in Weesp, gevolgd door de MULO A en ging vervolgens in Amsterdam naar de school voor radiotelegrafisten van Radio Holland.  Na de nodige examens werd hij als leerling op 19 augustus 1930 eerst assistent-telegrafist en op 16 juli 1931 officieel telegrafist tweede klasse.

Tijdens zijn leerlingenperiode voer Hijman Vleeshhouwer ook al, op de SS ‘Crijnssen’. Ruim een half jaar later, per 23 februari 1932, vervulde hij acht maanden lang zijn dienstplicht bij de zeemilitie, tot 31 oktober 1932.  Waarschijnlijk kwam hij toen voor het eerst in het huidige Indonesië, want achter zijn marine ‘stamboeknummer’ 24012/D staat Nederlandsch-Indië.

Marconisten bleven in dienst van Radio Holland en werden - tegen betaling - uitgeleend aan rederijen. Van eind 1932 tot eind 1937 voer Hijman op  tenminste zestien schepen, waaronder bekende namen als de Simon Bolivar en de Johan van Oldebarneveld. Terug in Nederland en gestegen tot de rang van eerste marconist, monsterde hij als 25-jarige op 10 december 1937 aan voor de uitreis op de Marnix van Sint Aldegonde van de Stoomvaart Mij. Nederland en vestigde zich in Bandoeng in Nederlands-Indië. Definitief, want een week later, op 17 december 1937, werd Hijman Vleeschhouwer  uitgeschreven uit het bevolkingsregister van Weesp. Het contact met thuis bestond uit correspondentie.

Na zijn aankomst in de Oost in 1938 voer Hijman eerst op de ‘Van Rees’ van de KPM en in mei op de ‘Tjileboet’ van de Java-China-Japan Lijn, waarop hij tot september 1941 dienst zou doen. Op de ‘Tjileboet’ beleefde Hijman -  ongetwijfeld diep bezorgd om zijn ouders en broers - anderhalf jaar lang de bezetting van Nederland mee.

De oudste zoon van manufacturier Vleeschhouwer begreep al vroeg dat het Duitse antisemitisme een bedreiging voor zijn familie vormde en drong er reeds in 1938 op aan dat zijn ouders naar de Verenigde Staten zouden emigreren. Maar die wilden niet weg uit het stadje waar al meer dan twee eeuwen Vleeschhouwers woonden.

Toen de Japanse aanval op Pearl Harbour in december 1941 ook de bezetting van Nederlands-Indië inluidde, werd het voor de nog ongehuwde marconist Hijman Vleeschhouwer onmogelijk om terug te keren naar zijn woonhuis in Bandoeng. Hij zou Weesp noch Java terugzien.

De eerste torpedering

Per 30 september 1941 werd Hijman marconist op de ‘Soekaboemi’ van de Rotterdamse Lloyd. Het schip dat hij verliet, de ‘Tjileboet’, werd ruim een jaar later bij Afrika getorpedeerd en verging met man en muis.

Na de  Japanse bezetting van Nederlands-Indië in maart 1942 werd de handelsvloot door de regering ter beschikking gesteld aan de Engelse en Amerikaanse oorlogseconomie.

Hijman Vleeschhouwer beschikte niet meer over woonruimte aan de wal en leefde voornamelijk aan boord van de schepen waar hij op voer. In de beschikbare gegevens wordt als contactadres het Holland House in Liverpool genoemd en het Ambassador Hotel in Londen, maar mogelijk was dat alleen een postadres.

Aan boord van zijn nieuwe schip, de ‘Soekaboemi, werd Hijman Vleeschhouwer voor de eerste keer getorpedeerd, op 27 december in 1942 in  de Atlantische Oceaan. Met uitzondering van één bemanningslid konden alle 70 opvarenden van de ‘Soekaboemi’ worden gered en op 9 januari 1943 in Halifax (Canada) aan land gezet.

Na dit hachelijke avontuur kreeg hij drie maanden verlof in de Verenigde Staten alvorens marconist te worden aan boord van de ‘Tjibadak’, om  vervolgens vier maanden dienst te doen op de ‘Amstelkerk’, tot 10 augustus 1943. Uiteindelijk werd Hijman per 18 augustus 1943 in Londen aangesteld als eerste marconist op zijn laatste schip, de SS ‘Tjisalak’, een in 1917 in Amsterdam-Noord gebouwd vrachtschip met een bescheiden passagiersaccommodatie.

De ‘Tjisalak’ voer aanvankelijk in konvooi tussen Engeland en Noord-Amerika en het inmiddels grijs geschilderde koopvaardijschip werd daar uitgerust met een kanon op het achterdek en wat luchtafweergeschut, waarvoor extra bemanning aan boord kwam. Najaar 1943 kreeg de ‘Tjisalak’ met aan boord eerste marconist Vleeschhouwer in Liverpool een lading stukgoed bestemd voor de Perzische Golf, die via de Middellandse Zee en het Suezkanaal werd bereikt.

Daar aangekomen werden geallieerde troepen aan boord genomen, die in Bombay van boord gingen. Vervolgens zette het alleen varende schip koers naar  Colombo (toen Ceylon, nu Sri Lanka), vervolgens naar Calcutta en tenslotte weer terug naar Colombo. Vandaar werd de Tjisalak naar Melbourne in Australië gedirigeerd, waar het schip na de jaarwisseling 1943/1944  aankwam.

De laatste reis

In Melbourne werd een wel heel onschuldige lading aan boord genomen: meel, bestemd voor Colombo. Onder kapitein C. Hen vertrok de opnieuw  alleen varende Tjisalak op 7 maart 1944 vanuit Melbourne met maar liefst 103 personen aan boord. Opvallend genoeg waren er drie marconisten aan boord: Hijman Vleeschhouwer, J. Blears en J. Parker. De bemanning bestond uit 15 officieren, uitgezonderd vier Engelsen allemaal Nederlanders. Voor de bediening van het geschut waren tien Engelse kanonniers aan boord en de overige bemanning bestond uit 51 Chinezen. Verder was er een contingent van 22 Laskaren boord, een ‘aflosbemanning’ op weg naar huis in Brits-Indië. De Tjisalak had ook vijf passagiers aan boord, bestaande uit een Australische luitenant en drie Britse militairen plus een Engelse dame, de nog jonge mevrouw V. Brittain.

De Tjisalak voer ten zuiden van Australië om vervolgens westwaarts door te varen naar de Indische Oceaan om in een wijde boog naar het noorden te stomen, richting Ceylon/Sri Lanka. De reis verliep zonder incidenten, tot op de negentiende dag het noodlot toesloeg in de vorm van de Japanse onderzeeër I-8, onder leiding van commandant Tetsunosuke Ariizumi.

In het eerste ochtendlicht zagen gezagvoerder Hen en stuurman Visser plotseling de bellenbaan van een torpedo. Een uitwijkmanoeuvre naar bakboord mislukte waarop de Tjisalak werd  getroffen en meteen licht overhelde. De machines stopten, het licht viel uit en temidden van ontsnappende stoom begon het schip langzaam te zinken. Desondanks begonnen de Engelse kanonniers onder leiding van tweede stuurman Jan Dekker te schieten op wat ze dachten dat de periscoop van de onderzeeër was. Ze hielden dat vol totdat ze het slagzij makende en zinkende schip via de reddingssloepen moesten verlaten.

Hijman Vleeschhouwer en zijn collega-marconisten probeerden intussen noodseinen uit te zenden, maar dat mislukte doordat de antennes van de mast waren gestort. Heel kort na de torpedering zonk de Tjisalak. Wonderbaarlijk genoeg was bij de torpedering slechts één opvarende om het leven gekomen. De 102 overigen zaten verdeeld over drie reddingsboten, waarnaast de Japanse onderzeeër oprees en met het dek een stuk boven het zeeoppervlak bleef liggen. Via een luidspreker werden de overlevenden  aangespoord uit de reddingsboten te stappen op het dek van de I-8.

Van alle opvarenden werden de zwemvesten afgenomen, net als horloges en  kostbaarheden. De Engelse, mevrouw Brittain, werd via de commandotoren naar het binnenste van de onderzeeër afgevoerd. Toen de overige 101 opvarenden, waaronder dus ook Hijman Vleeschhouwer, aan dek stonden moesten ze gaan zitten, waarop de Japanners de reddingssloepen losgooiden en de onderzeeër langzaam begon te varen. Degenen die op het voordek stonden konden door de commandotoren in het midden van het schip niet zien wat er op het achterdek met hun scheepsgenoten gebeurde. Japanners bewapend met bijlen, zwaarden, voorhamers en geweren met daarop  bajonetten schreeuwden hen toe dat ze niet naar achteren mochten kijken. Ze hoorden daar vandaan wel lawaai en geknal op het achterdek, waardoor ze begrepen dat er een slachting werd aangericht.

Onder degenen die een voor een naar het achterdek werden gevoerd om te worden vermoord bevond zich ook eerste stuurman Frits de Jong, die met zijn lengte van 1,90 meter zoveel indruk op de Japanners maakte dat ze vergaten hem zijn zwemvest af te nemen. Dat werd zijn redding want hij liep  alleen een schampschot op en sloeg zwaargewond met zijn zwemvest aan overboord. Hij kwam korte tijd later bij in het water, hield zich dood en zag hoe de overige opvarenden stuk voor stuk werden vermoord. Maar de Chinezen werden door de Japanners met vijf tot zes man aan elkaar gebonden, groepsgewijs vermoord met zwaarden en geweerschoten en als bundels overboord geschoven. Toen alle mannelijke opvarenden van de Tjisalak vermoord waren, werd ook de Engelse vrouw aan dek gebracht en doodgeschoten.

Vijf overlevenden

Nadat de onderzeeër was verdwenen klampte stuurman Frits de Jong zich vast aan een massa wrakhout van de Tjisalak en zag na vijf uur drijven een reddingsvlot van zijn gezonken schip. Even later trof hij nog een overlevende, de Engelse tweede marconist James Blears (dus een collega van Hijman Vleeschhouwer), een bodybuilder die op het moment dat hij zou worden doodgeslagen de Japanner een trap gaf, overboord dook en aan de afgevuurde kogels ontsnapte. Vervolgens troffen ze weer een  overlevende, derde machinist Cees Spuybroek, die tijdens de moordpartij  ook kans gezien had overboord te duiken. Korte tijd later zag het drietal vanaf het vlot een reddingsboot van de Tjisalak drijven, rijkelijk voorzien van water en proviand. Bovendien kon er met de boot worden gezeild. Toen ze in de reddingssloep waren overgestapt hoorden ze geschreeuw in het water,  afkomstig van wéér twee overlevenden. Dat waren een Laskaar en tweede stuurman Jan Dekker, onder wiens leiding de kanonniers vanaf de zinkende Tjisalak de onderzeeër onder vuur hadden genomen. Evenals De Jong had stuurman Dekker een hoofdwond, veroorzaakt door een half mislukte klap met een hamer.

Onder leiding van eerste stuurman De Jong werd koers naar Colombo gezet en zeilde men naar het noorden. Op de derde dag  werden ze ontdekt door een Amerikaans Libertyschip, de James A. Wilder. Het schip was óók op weg naar Colombo, waar de vijf overlevenden enkele  dagen later van boord konden. Ze verbleven er een maand op om verhaal te komen, waarna de Nederlandse officieren Dekker en Spuybroek weer gingen varen voor de Java-China-Japan Lijn. Eerste stuurman Frits de Jong bleef last houden van zijn hoofdwond en belandde in Amerika waar hij een  hersenoperatie onderging. In otober 1945 keerde hij terug in Nederland.

 

Nog twee overlevenden

De oorlogsmisdaad die de Japanners begingen ten opzichte van de 103 opvarenden van de Tjisalak is dankzij de drie geredde Nederlandse  opvarenden uitvoerig beschreven. De Amerikanen wisten dat de moord was bevolen door commandant Ariizumi, die drie maanden later opnieuw iets dergelijks deed. Op 2 juli 1944 was zijn bemanning bezig met het  vermoorden van 100 opvarenden van het door hun getorpedeerde Amerikaanse koopvaardijschip Jean Nicolett. Een geallieerd vliegtuig noopte de onderzeeër te duiken, waardoor 25 bemanningsleden overleefden. Commandant Ariizumi, bij de Britse marine bekend als Butcher (slager) heeft nooit terechtgestaan. Hij zou op 31 augustus 1945 (na de capitulatie) als commandant aan boord van een andere Japanse onderzeeër zelfmoord hebben gepleegd, waarna zijn lichaam in de baai van Tokyo overboord zou zijn gegooid. Dankzij de drie Nederlandse officieren die de massaslachting overleefden is het lot van de opvarenden uitvoerig beschreven. Helaas wordt daarin met geen woord gerept over Hijman Vleeschhouwer.

Uiteraard staat hij op de lijst met bemanningsleden van de Tjisalak, maar niemand weet hoe hij is vermoord en of deze eerste marconist - net als zijn collega James Blears - ook nog een poging heeft gedaan om te ontsnappen. Tijdens de moordpartij op het dek van de onderzeeër was hij er nog onkundig van dat zijn beide ouders tien maanden eerder in Sobibor waren omgebracht.

Zijn broers hoorden het droeve nieuws over Hijman pas eind 1945. Hij is de enige Weesper die in de oorlog twee torpederingen overleefde en tenslotte toch de dood vond. Niet door de hand van de Duitsers, zoals zijn ouders,  maar van Japanners. Wat rest is een Registerkaart van Hijman in het archief van de Shipping over de periode 10 mei 1940 tot 18 augustus 1943 (zijn aanstelling aan boord van de Tjisalak) met daarop onder meer zijn adres in Weesp en de aantekeningen ‘ongehuwd’ alsmede religie: Israëliet. Daarop ook de zakelijke aantekening: ‘Lost. Missing through enemy action’.

Op dit moment zijn er van de vier officieren en de Laskaar die de dans ontsprongen nog slechts twee in leven.Curieus is dat ze beiden op een eiland wonen, maar wel een heel eind uit elkaar. Tweede marconist Blears woont op Hawaii, terwijl de inmiddels 101-jarige enige Nederlandse officier, eerste stuurman Frits de Jong, op Texel woont. Bijna 65 jaar later heeft De Jong geen persoonlijke herinneringen aan marconist Hijman Vleeschhouwer. Die andere marconist, James Blears, mogelijk wel.

 

Weesper Dick van Zomeren is journalist, publicist en auteur van het boek Geschiedenis Van De Joodse Gemeenschap In Weesp. Met regelmaat reconstrueert hij de persoonlijke geschiedenis van Weespers in de Tweede Wereldoorlog. Het Weesper-Nieuws publiceert deze verhalen jaarlijks in de aanloop naar 4 mei. In de krant van vandaag een extra artikel in deze reeks.