Aanvulling

Het gezin André Monnickendam

Gustaaf Karel Monnickendam werd op 11 juni 1941 opgepakt en gedeporteerd naar concentratiekamp Mauthausen. Dat was de tweede razzia op joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Eerder dat jaar in februari had de eerste razzia geleid tot de massale proteststaking, dat gebeurde in juni 1941 niet.

Grootmoeder Sara Bleekrode-Vita Israel werd opgehaald op haar 70e verjaardag en kon lange tijd in Westerbork blijven. Ze had een tijdelijke vrijstelling omdat ze op de zogenaamde Portugezenlijst stond. Uiteindelijk zou ze via Theresienstadt worden gedeporteerd naar Auschwitz, waar ze werd vermoord.

Sonja Monnickendam was in 1942 begonnen aan een opleiding als leerlingverpleegster in het Portugees Israelistich Ziekenhuis in de Plantage Franschenlaan. Samen met haar ouders en haar jongere broer dook ze, na deportatie van hun grootmoeder, onder. Al snel werden de gezinsleden in verschillende onderduikadressen ondergebracht. Sonja werd op 23 augustus 1943 op haar adres verraden door twee Nederlanders van de kolonne Henneicke. Ze werd overgebracht naar Westerbork en kwam in de strafbarak terecht. Na een aantal dagen werd ze gedeporteerd naar Auschwitz waar ze onmiddellijk na aankomst werd vermoord.

Ook Robert Monnickendam zat apart ondergedoken en werd in juni 1944 verraden, net als zijn ouders Amalia Henriëtte Monnickendam-Bleekrode en André Monnickendam. Ze troffen elkaar weer in Westerbork waar ze door bemiddeling van Walter Süskind uit de strafbarak konden komen. Op 31 juli 1944 werd het gezin naar Bergen Belsen gedeporteerd. André bezweek door de ontberingen in het kamp op 31 december 1944 en Amalia overleed vlak na de bevrijding op 6 mei 1945 in Tröbitz. Na de oorlog is zij herbegraven in Muiderberg. Robert keerde via België terug naar Nederland en ging aanvankelijk weer wonen in het ouderlijk huis. Hij trouwde en werd vader van drie kinderen. In het Joods Historisch Museum is zijn getuigenis te zien en te beluisteren.

Stolpersteine op het adres Jonas Daniël Meijerplein 15