In Memoriam

Verhaal -

Eduard David van Goor wordt geboren in 1910 als zoon van manufacturier Meijer van Goor en Martha Ahron. Hij heeft een oudere broer, Jidschaäk Abraham. Eduard David groeit op in zijn geboortestad Enschede, waar het gezin aan de Veenstraat woont.

Eduard David is negen jaar oud als zijn broer, die dan veertien is, overlijdt. Zijn ouders weten de oorlog te overleven; zijn moeder sterft in 1950, zijn vader in 1968.

In de zomer van 1923 gaat Eduard David, als dertienjarige, naar het plaatselijke lyceum. De school heeft hij zonder vertraging doorlopen, als hij in 1926 overgaat naar de vijfde klas. Mogelijk heeft hij daarna in het bedrijf van zijn vader gewerkt.

Op 25 april 1938 wordt Eduard David ingeschreven in Apeldoorn, waar hij gaat wonen in de Bosweg op nummer 21. Als zijn beroep wordt ‘koopman’ vermeld. Op 9 juni 1939 verhuist hij naar Kerklaan 3. Zijn beroep is ook dan koopman. Uit de beschikbare documenten komen geen specifieke kenmerken van zijn werk naar voren, en er zijn ook geen krantenadvertenties gevonden die meer inzicht kunnen geven.

Op 5 maart 1940 trouwt Eduard David met Erna Marianne Timm, afkomstig uit Duitsland. Beiden zijn op dat moment 29 jaar. Erna Marianne is precies één dag ouder dan Eduard David.

Erna Marianne, geboren in Hamburg, woont op een zeker moment in het Duitse Gronau, waarna ze een periode in Enschede verblijft. Vervolgens keert ze terug naar Gronau, om daarna opnieuw naar Enschede te verhuizen. Het is aannemelijk dat zij en Eduard David elkaar toen hebben leren kennen.

Erna Marianne, die niet-Joods is, overleeft de oorlog, hertrouwt en emigreert naar Paramaribo, Suriname, waar ze op een onbekend gebleven datum sterft.

In juli 1941 doet het hoofdbestuur van de PTT (nu: KPN) een verzoek aan de politie in Apeldoorn om een schriftelijke bevestiging te krijgen van het feit dat de heer en mevrouw Van Goor-Timm hun radiotoestel bij de autoriteiten hebben ingeleverd. Eduard en Erna hadden bij de PTT een verzoek tot restitutie van het luistergeld ingediend, vanaf het moment dat zij, op grond van anti-Joodse maatregelen, hun radio moesten inleveren. Ook Siegfried Joseph (1878-1943) wordt door de PTT in dit verzoek genoemd.

In februari 1942 tekent Erna Marianne namens haar man bezwaar aan tegen de hoofdelijke omslag. (Dit is een vorm van belasting die de Joodse gemeente aan de leden oplegt, op basis van hun inkomen.) Erna Marianne stelt dat haar man nooit lid is geworden van de geloofsgemeenschap, ze is daarom van mening dat het aanslagbiljet ten onrechte is verzonden. 

Uit de notulen van de kerkenraad van de Joodse gemeente blijkt dat er gedurende de oorlog sprake is van dalende inkomsten. Voor alle leden is het door de anti-Joodse maatregelen moeilijk geworden om betaald werk te verrichten. Door geldgebrek in veel gezinnen daalt daardoor ook de te innen hoofdelijk omslag. Ook het aantal leden dat de omslag helemaal niet meer kan betalen, neemt toe. Reden voor de kerkenraad om ook bij niet-religieuze Joden belasting te innen, in de hoop om op basis van sympathie toch geld te ontvangen.

In dezelfde maand, februari 1942, verzoekt de commissaris van politie in Apeldoorn, in opdracht van de Sicherheitspolizei, opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Eduard David, 'van Joodschen bloede', wonende in de Kerklaan 3 in Apeldoorn. Hij wordt op dat moment verdacht van het overtreden van artikel 3 van de verbodsbepaling voor Joden; het veranderen van woonplaats zonder toestemming. In de praktijk ging het dan vaak om een onderduikpoging. Opsporing is de gebruikelijke gang van zaken, voordat de nazi’s starten met de massale deportaties naar ‘het Oosten’. Op de registratiekaart bij de Joodsche Raad van Eduard David wordt later een tweede reden genoemd om hem te arresteren, vastgelegd met de notitie 'S-SCH'. Deze codering, in plaats van de gebruikelijke 'T' (‘Transport’), wordt vermeld bij de datum van zijn deportatie naar Auschwitz. De codering blijkt in Apeldoorn alleen toegepast te zijn bij Eduard David. Het blijft onduidelijk welke specifieke ‘onwelgevalligheid’ of omstandigheid reden was om deze codering te gebruiken. Daarbij gaat het om een zogeheten Schutzhäftling gevangenen-straftransport. Schutzhaft (preventieve hechtenis) was de benaming in het Derde Rijk voor het, zonder gerechtelijke uitspraak, arresteren en in concentratiekampen gevangen houden van personen die het nationaalsocialistische bewind onwelgevallig waren om reden van hun (linkse) politieke overtuiging, geloof, geaardheid of afkomst, zoals Joden, Jehova’s getuigen, Sinti en Roma, asocialen en homoseksuelen. De Schutzhäftlinge werden gearresteerd door de SA, de SS of de Gestapo en gedetineerd in kampen waar de SS of de SA de enige autoriteit was. De Schutzhaft kon niet bij een rechtbank worden aangevochten en er was geen gerechtelijke bescherming tegen mishandeling tijdens deze gevangenschap. 

Op 27 juni 1942 vermeldt de plaatselijke politie in een verslag dat Eduard David van zijn adres aan de Kerklaan 3 naar een 'onbekende locatie’ is vertrokken. Het lijkt erop dat hij al sinds februari 1942, toen hij in een politierapport werd genoemd, ondergedoken zit. Mogelijk is hij tussentijds teruggekeerd naar zijn woonadres om later opnieuw onder te duiken, of hij is nooit teruggekeerd en opnieuw onder de aandacht van de politie gebracht bij het begin van de massale deportaties naar de vernietigingskampen.

Het lukt Eduard David niet om uit handen van de nazi’s te blijven. Bijna twee jaar na de laatste vermelding in het dagrapport van de politie, op 22 juni 1944, wordt hij geregistreerd in doorgangskamp Westerbork, waar hem een plek wordt toegewezen in barak 67, een strafbarak waar opgepakte onderduikers worden ondergebracht. De zogenoemde 'S-gevallen' in deze barak moeten blauwe overalls met paarse schouderstukken dragen, in tegenstelling tot andere geïnterneerden, die hun eigen kleding mogen houden. Ook worden de mannen kaal geschoren.

Op zondag 3 september 1944 vertrekt een transport vanuit het doorgangskamp naar ‘het Oosten’. Transport 100 telt 20 wagons met 1019 gedeporteerden. Eduard David is een van hen. Het zal de laatste trein zijn die vanuit Nederland naar Auschwitz vertrekt. Anne Frank, haar moeder Edith, haar vader Otto en haar zus Margot zitten eveneens in dit transport, ook zij komen uit de afdeling met strafbarakken.

Lou de Jong heeft een anonieme getuigenis opgetekend, die in het boek 'In Memoriam' van Guus Luijters is opgenomen: We staan stil, deuren worden opengesmeten, de Grüne Polizei komt schreeuwend binnen. 'Allemaal tegen de muur! Wie nog goud, horloges of vulpennen heeft, afgeven, anders de doodstraf.' Bevend voldoen we aan het bevel, grijzend, met petten vol, trekken ze af. Getuigenis van Bloeme Evers-Emden: Van de ontelbare uren in die trein van Westerbork naar Auschwitz weet ik nog maar heel weinig. Ik herinner me wel het tegen elkaar aanzitten, en geen ruimte hebben en wegzakken in slaap, meer niet. Wel herinner ik me de aankomst. Eindelijk gingen de deuren van de wagons open en daar stonden mannen in blauw-wit gestreepte pakken. En die schreeuwden en sloegen ons die wagons uit. En ik herinner me ook dat ik een vrouw ineens zag praten met één van die pakken, waaruit ik begreep dat dat een bekende was en pas toen begreep ik dat ook zij gevangenen waren. [...] Het terrein was modderig. Sommige mensen stampten hun kostbaarheden in de grond.

Waar de nazi’s tot mei 1944 de trein niet verder konden laten rijden dan het overslagperron van het dorp Auschwitz, is nu de spoorlijn in gebruik genomen die tot in het vernietigingskamp zelf doorloopt. Eduard David is daarmee één van de eerste, en slechts één van de weinige Apeldoornse Joden, die, nog dezelfde nacht, in de veewagon onder het poortgebouw van Auschwitz-Birkenau doorrijden; deze keer week de trein namelijk af van de gebruikelijke route, mogelijk om het gebombardeerde Bremen te ontwijken. Dit kan de reden zijn waarom de trein er relatief gezien kort over deed om het vernietigingskamp te bereiken. In het kamp wordt Eduard David geselecteerd voor dwangarbeid. 

Het poortgebouw is één van de symbolen geworden van de massamoord op de Joden. 

Eduard David krijgt in Auschwitz registratienummer 195329 op zijn huid getatoeëerd. Welke vorm van dwangarbeid hij heeft moeten verrichten, is niet bekend. Wel bekend zijn twee registraties: op 11 december 1944 wordt hij genoemd in het register van het ‘Zahnstation’ (tandheelkundig centrum) en op 23 december 1944 wordt zijn naam in het register van de ziekenboeg geschreven. 

Hoe lang Eduard David in Auschwitz heeft vastgezeten, is onbekend. Op 15 februari 1945 wordt hij in concentratiekamp Mauthausen geregistreerd. Daar krijgt hij gevangene-nummer 129781 toegewezen. Als zijn beroep wordt vastgelegd: maker van autosloten. Het is denkbaar dat hij in Nederland ook in deze branche werkzaam is geweest. Maar hij kan dit beroep ook hebben opgegeven, in de hoop op een ‘betere’ dwangarbeid (wat hier overigens alleen maar ‘iets minder slecht' inhoudt). Het is in ieder geval een aanduiding van specifieke dwangarbeid die hij in een van de kampen heeft moeten verrichten. Dit komt overeen met wat in het archief van Yad Vashem is vastgelegd over zijn beroepen: metaalbewerker en plaatwerker.

Uit de registratie van kamp Mauthausen wordt duidelijk dat Eduard David naar dit kamp is overgeplaatst vanuit concentratiekamp Gross-Rosen (een satellietkamp van Sachsenhausen). Vermoedelijk is Eduard David met een groot aantal gevangenen lopend naar een treinstation gedreven, waarna ze per trein richting Mauthausen zijn gedeporteerd.

Binnen enkele dagen na zijn binnenkomst in Mauthausen wordt Eduard David overgebracht naar het zogenaamde ‘Sanitätslager’, ofwel het ‘ziekenhuiskamp’. Dit is niet hetzelfde als de ziekenboeg; die is bedoeld voor bevoorrechte gevangenen, zij krijgen er betere zorg dan de gevangenen in het ziekenhuiskamp. Dezen worden slecht behandeld; het ontbreekt aan goede zorg, mensen worden mishandeld en blootgesteld aan medische experimenten. Ook worden er gevangenen om het leven gebracht met een gifinjectie, in de gaskamer of aan hun lot overgelaten in de meer afgelegen delen van het kamp. 

Eduard David sterft op 21 februari 1945. De doodsoorzaken die genoteerd worden, maar die niet op feiten berusten, zijn: circulaire zwakte (in shock raken door afnemende doorbloeding van de organen) en een acute darmontsteking. Met het vastleggen van ‘fake-doodsoorzaken’ probeert de leiding van het kamp de eigen rol in de dood van gevangenen te verdoezelen.

Stadsarchief Enschede, Historisch Centrum Overijssel en Mauthausen Memorial. Afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork, CODA Archief Apeldoorn, Digitaal Joods Monument, Erica adresboek van Apeldoorn, het Gelders Archief, ITS Archiv Bad Arolsen (International Tracing Service), het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters, Yad Vashem, het Nationaal Archief en Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten).

7 februari 2025

Copyrights: Attribution Non-commercial Share Alike