Artikel

Verwerking, herinnering, rechtsherstel

De 5000 Nederlandse joden die uit de kampen terugkeerden en de joden die de oorlog in de onderduik overleefd hadden kampten met drie thema’s in hun leven na de oorlog: rechtsherstel, verwerking en erkenning.

Rechtsherstel

De nazi’s hadden de joden niet alleen op grote schaal vermoord, zij hadden er ook voor gezorgd dat joodse eigendommen in hun handen kwamen. Dat betekende roof van joods bezit tot in het kleinste detail: huizen, geld, en waardevolle bezittingen zoals sieraden, aandelen, diamanten en kunst, maar ook eenvoudige huisraad, tot de kleren die men op het lijf droeg voordat men de gaskamer in ging. Alles werd uiteindelijk afgenomen en verdween naar Duitsland. Na de oorlog werden diverse rechtsherstel procedures op touw gezet om joden te compenseren en te restitueren. Dat ging niet zonder slag of stoot. De regering had besloten geen speciale (erfrecht)regelingen voor joden te treffen en was er erg op gericht om zo min mogelijk kosten te maken. Dat was misschien begrijpelijk in het licht van de grote vernielingen en slechte economische situatie na de oorlog, maar wel erg zuur voor joodse slachtoffers die buitensporig meer geleden hadden dan andere bevolkingsgroepen. Wel zorgde de Raad voor het Rechtsherstel dat bezittingen van vermoorde joden beheerd werden en hun nalatenschap geregeld en er kwam een gedeeltelijk compensatie voor aandelen en voor het geld dat men bij de Liro had moeten inleveren. Ook de teruggave van joods onroerend goed werd geregeld.

In de jaren 60 kwamen er Wiedergutmachungsgelden uit Duitsland. Voor de roof van meubels kwamen gedeeltelijke vergoedingen en ook voor het leed dat Duitsland joden had aangedaan op individueel niveau. Ook deze procedures kenmerkten zich door trage en strenge bureaucratie, en relatief lage bedragen. Bovendien werd een deel van de uit Duitsland afkomstige gelden, bestemd voor joodse slachtoffers, gereserveerd voor verzetsstrijders.

In de late jaren 90 kwam er een nieuwe golf van restitutie op gang. Het maatschappelijk klimaat was inmiddels omgedraaid en de Sjoa en haar slachtoffers stonden in het midden van de belangstelling. Diverse zaken kwamen aan het licht zoals slapende Zwitserse bankrekeningen van joodse slachtoffers en de tegenwerking van Zwitserse banken om duidelijkheid te scheppen. Dat was aanleiding voor de Nederlandse staat om de commissie van Kemenade te benoemen in maart 1997. Maar toen in november van dat jaar een deel van het Liro archief werden gevonden, per abuis achtergelaten in een paar archiefkasten op de zolder van een leegstaand pand aan de Herengracht, kwam de belangstelling pas echt los. Een tweede commissie werd benoemd, de commissie Kordes die onder andere onderzoek deed naar die archieven. In hetzelfde jaar werd nog een commissie benoemd: de commissie Scholten deed onderzoek naar bankrekeningen en verzekeringspolissen. Uiteindelijk sloten de Nederlandse staat, banken en verzekeraars een overeenkom met de joodse gemeenschap en betaalde een som om het oorlogsleed en het gebrekkige rechtsherstel dan wel niet te compenseren maar wel te erkennen. Het ging om een bedrag van 364 miljoen euro.

Trauma’s

Natuurlijk was zo goed als iedere gevangene die levend uit Auschwitz terugkeerde getraumatiseerd in meer of mindere mate. Alleen, dat woord bestond toen nog niet, net zomin als kennis van het fenomeen trauma. Bovendien verflauwde de belangstelling voor de oorlog en Sjoa al snel. Naar voren kijken en het land weer opbouwen, dat was het devies. In dat klimaat moesten joodse slachtoffers hun bestaan opbouwen. Sommigen kozen voor emigratie naar Israël, de VS of Australië, degenen die hier bleven moesten hun emoties, pijn en verdriet zo veel mogelijk aan de kant zetten. Velen lukte dit ook en uiteindelijk konden zij een leven opbouwen in de naoorlogse welvaart. Maar het lukte natuurlijk niet iedereen om alle pijn en herinneringen altijd te onderdrukken. Bij sommigen kwamen de herinneringen s nachts naar boven en bij anderen werd het naarmate men ouder werd moeilijker om alles weg te stoppen. Veel oorlogsslachtoffers gingen dan ook pas op latere leeftijd naar hun leven kijken, na er decennia lang niet over gepraat te hebben en al helemaal niet met hun eigen kinderen. Er waren ook overlevenden die juist voortdurend over hun oorlogsbelevenissen spraken, en weer anderen spraken er nooit over.

De kinderen van de slachtoffers van de Sjoa worden de tweede generatie genoemd. Ze hebben zelf de oorlog niet meegemaakt maar zijn opgegroeid in een gezin waar ‘iets’ was. Daarover werd meestal niet gesproken maar het was wel voelbaar voor kinderen, en in een minderheid van de gevallen werd er juist te veel over gesproken. In ieder geval werden deze kinderen opgevoed door ouders die, zoals we dat nu zeggen, zwaar getraumatiseerd waren en dat liet zijn sporen na.

Erkenning

Het verloop van de herinnering aan de oorlog kenmerkt zich door een steeds luidere stem van steeds meer slachtoffergroepen. En daarin is de stem van de joodse slachtoffers misschien wel het meest hoorbaar geworden. Direct na de oorlog bestond er maar één dominante herinnering of narratief: Nederland had zich dapper teweer gesteld tegen de grote boze Duitse bezetter, dankzij het verzet. Dit wordt nu de verzetsmythe genoemd. De leden van het verzet werden dan ook op handen gedragen. In de jaren 50 was er geen enkele belangstelling voor de Sjoa en was er nauwelijks bewustzijn van het drama dat meer dan 100.000 mensen uit de samenleving gewoon verdwenen waren. Pas in de jaren 60 kwam er belangstelling voor de Jodenvervolging door het baanbrekende boek van Presser, Ondergang, maar ook door het Eichmann-proces in Jeruzalem. Andere markante gebeurtenissen waren de documentaire Begrijpt u nu waarom ik huil van Louis van Gasteren. Daarin werden getraumatiseerde oorlogsslachtoffers gevolgd tijdens hun behandeling bij professor Bastiaanse (die later zijn werk moest stopzeten wegens zijn omstreden behandelmethoden). Ook het debat rond de vrijlating van de Drie van Breda veroorzaakte veel commotie en plaatste de oorlog en Sjoa in het middelpunt van de belangstelling. Daarmee kwam er ook meer erkenning van het joodse slachtofferschap, niet alleen maatschappelijk, ook trauma’s en de gevolgen daarvan werden door de regering erkend. Met de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers (WUV) in 1973 konden verschillende groepen vervolgden, met name joden, een uitkering aanvragen.

Tegelijkertijd kwam er een groeiende stroom aan herinneringen en getuigenissen op gang, in boekvorm, als interviews en films en ook als fictie. Om een voorbeeld te noemen: naar aanleiding van de film Schindlers List zette regisseur Steven Spielberg een groot interview project op: alle in leven zijn vervolgingsslachtoffers werden wereldwijd geïnterviewd over hun oorlogservaringen, als ze dat zelf wilden.

Nu, anno 2016, is de situatie van de jaren 50 omgekeerd. Toen was er totale stilte over de Sjoa, nu wordt de Sjoa gezien als de bepalende gebeurtenis van de oorlog en de grote schandvlek van de 20e eeuw.