Artikel

Terugkeer

Nederlandse joden die gedeporteerd waren en in de laatste maanden van de oorlog nog in leven waren bevonden zich aan het einde van de oorlog vooral in Auschwitz met haar sattelietkampen, Theresienstadt en Bergen-Belsen. Door overhaaste evacuaties van met name Auschwitz, raakten zij verspreid over Duitsland.

 

De laatste maanden en de bevrijding

Toen de geallieerden naderden werden de in leven zijnde gevangenen in de kampen geëvacueerd door de SS-bewakers. Dit begon in Auschwitz dat de Russen in januari 1945 snel naderden. Grote groepen gevangenen moesten vanaf 17 januari 1945 Auschwitz en de werkkampen bij Auschwitz verlaten in slopende tochten te voet door de kou naar het westen. Vanaf Gleiwitz en Loslau werden zij in open treinwagons verder vervoerd naar Duitsland. Vele stierven onderweg aan kou, ontbering en honger of werden doodgeschoten omdat ze niet mee konden komen. Een kwart van de gevangenen uit Auschwitz op deze zogenaamde Dodenmarsen overleefde dat niet. Degenen in Auschwitz die te verzwakt waren om te lopen stonden voor een dilemma: meegaan met de ‘dodenmarsen’ en onderweg sterven, of in het kamp blijven in de angst dat de SS alle achterblijvers zou vermoorden. Zij die voor het laatste kozen hadden goed gegokt: de bevrijding kwam zo snel dat de SS het kamp in allerijl verliet. De Russen bevrijdden het kamp p 27 januari 1945 en ontfermden zich over de achtergebleven gevangenen.

Gevangenen in Theresienstadt en Bergen-Belsen werden daar bevrijd door respectievelijk de Engelsen en de Russen op 15 april en 8 mei 1945. In Bergen-Belsen hadden gevangenen de maanden voorafgaand aan de bevrijding moeten toezien hoe het kamp vol was gestroomd met gevangenen uit het Oosten. De overbevolking in Bergen-Belsen leidde tot afschuwelijke omstandigheden. Honger en epidemieën bepaalden het leven in het kamp met zeer veel doden tot gevolg. Een van de bekendste film beelden van de kampen, grote hopen uitgemergelde lijken die door een bulldozer in een massagraf geschoven worden, werd gemaakt in dit kamp. Ook na de bevrijding stierven velen aan ziektes, hongersnood en uitputting. Van de 60.000 overlevenden stierven nog 14.000 personen in de weken na de bevrijding.

Vlak voor de bevrijdingen waren er nog drie treinen vetrokken vanuit Bergen-Belsen naar Theresienstadt. Aan boord van de derde trein bevonden zich veel Nederlanders en na een chaotische reis door Duitsland kwam die trein bij Tröbitz tot stilstand. Daar werd men bevrijd op 23 april door de Russen. Het dodental was zeer hoog en het sterven ging door na de bevrijding: 550 mensen lieten het leven. Diverse massagraven in Tröbitz getuigen daarvan. De overlevenden zochten huisvesting in het dorp.


Theresienstadt ook was het eindpunt van evacuaties uit andere kampen aan het einde van de oorlog. In Theresienstadt bevonden zich met de bevrijding nog 850 Nederlanders, waaronder David Cohen, die voorzitter van de Joodse Raad was geweest.

Terugkeer

Eenmaal bevrijd hadden de gevangenen, waar ze ook waren, maar één wens: zo snel mogelijk naar huis, naar Nederland. Daar hulp van de Nederlandse regering achterwege bleef moesten velen zelf naar huis zien te komen, met militaire transporten bijvoorbeeld of te voet. Anderen lagen maanden in een ziekenhuis voordat ze naar huis konden. Joodse vrouwen die met de evacuaties in Noord-Duitsland terecht waren gekomen, bijvoorbeeld in Ravensbrück, werden door het Zweedse Rode Kruis naar Zweden gebracht, nog voor de bevrijding. Dat was onderdeel van een deal die Himmler met de Zweedse graaf Folke Bernadotte had gesloten.

De gevangenen die in Auschwitz waren achtergebleven wachtte een wel hele lange omweg naar huis. Zij werden door de Russen, via Katowitz en Tsjernowitz, naar Odessa gebracht aan de Zwarte Zee. Vandaar ging het met een Nieuw-Zeelands schip naar Marseille, door Frankrijk naar Parijs, dan naar Brussel, om uiteindelijk in Brabant of Limburg de Nederlandse grens over te gaan.

In Nederland wachtte hen een vaak teleurstellende ontvangst in sobere opvangplaatsen zoals het Veemgebouw van de Philipsfabriek in Eindhoven of een klooster in Vlodrop. In Nederland ontdekte men dat er geen belangstelling was voor wat ze hadden meegemaakt en stelden de autoriteiten zich eerder wantrouwend op ten opzichte van teruggekeerde joden. En men ontdekte dat huizen verkocht of verhuurd waren, bezittingen verdwenen en de meeste familieleden dood. Vanuit het niets moesten de slachtoffers van de Sjoa nu hun leven gaan opbouwen.