Artikel

Kampen in Nederland

De belangrijkste kampen met een rol in de Jodenvervolging waren Westerbork en Vught. Daarnaast waren er nog andere kampen in Nederland waar joden terecht kwamen, afgezien van de werkkampen.

Westerbork

De twee kampen met een centrale rol in de Endlösung in Nederland waren Westerbork en Vught. Westerbork was een zogenaamd Polizeiliches Durchgangslager voor joden. In dit kamp hebben bijna alle joden die uit Nederland gedeporteerd zijn korte of langere tijd gevangen gezeten. Oorspronkelijk door de Nederlandse overheid gebouwd op kosten van de joodse gemeenschap om Duits-joodse vluchtelingen op te vangen, werd het kamp in 1942 overgenomen door de bezetter. Het eerste transport kwam op 15 juli aan, toen nog in Hooghalen. De gedeporteerden moesten de laatste 7 kilometer naar het kamp lopen. Vanaf november 1942 liep het spoor tot in het kamp zelf.

De eerste bewoners waren Duitse joden geweest, waarvan een deel al vanaf hun aankomst in 1939 of 1940 in het kamp was. Anderen waren sinds begin 1942 in het kamp toen Duitse joden uit de kuststreek zich gedwongen moesten vestigen in het kamp. Dat verklaarde ook waarom alle belangrijke functies in administratie en organisatie in het kamp in handen waren van Duitse joden. Zij waren gewoonweg eerder in het kamp aangekomen. En juist die functies behoedde hen voor deportatie, iets wat veel animositeit creëerde onder de Nederlandse joden. Duitse joden waren de Alte Kampinsassen. Kurt Schlesinger, bijvoorbeeld, voerde de facto de dagelijkse leiding over het kamp, en werd als een ware onderkoning van Kampcommandant Gemmecker gezien. Maar ook het werk bij belangrijke afdelingen in het kamp zoals de Afdeling Algemeene Voorlichting, de Registratur, of de Ordedienst, werd door Duitse joden gedaan.

Het leven in het kamp voor hen die niet ‘onmisbaar’ waren wegens hun functie stond in het teken van de deportaties. Een of in het begin zelfs twee maal in de week vertrok een trein met onbekende bestemming naar het Oosten. Iedereen was bezig met het voorkomen van op transport gaan. En daarvoor waren relaties nodig. De nacht voorafgaand aan de wekelijkse deporatie werden de namen voorgelezen in alle barakken van hen die op transport moesten. Stond je naam op de lijst dan was het heel moeilijk om daar nog vanaf te komen. Het was vooral zaak om met behulp van de juiste contacten te zorgen dat je naam niet op de lijst kwam. Vitamine-R heette dat in het kamp-jargon. Voor hen die opgepakt waren omdat ze een Duitse verordening hadden overtreden, bijvoorbeeld onderduikers, was er geen kans. Zij belandden in de strafbarak en gingen direct op transport.

Los van de wekelijkse angst om de transporten was het leven relatief goed in het kamp, zeker vergeleken bij de kampen in Oost-Europa. Er was vertier in de vorm van het wekelijks cabaret op dinsdagavond, na het vertrek van de trein die ochtend, er waren winkels en er was gelegenheid om te sporten. Ook was er in principe voldoende voedsel. Het kamp was in sommige perioden wel zwaar overbevolkt.

Op 13 september 1944 vertrok de laatste trein uit Westerbork met bestemming Bergen-Belsen. Westerbork werd in april 1945 bevrijd door de Canadezen toen zich nog 876 veelal Duitse joden in het kamp bevonden. Velen van hen zaten er al sinds het begin van de oorlog, anderen waren juist onlangs opgepakt en in het kamp terecht gekomen.

In totaal vertrokken tussen juli 1942 en september 1944 65 treinen naar Auschwitz en 19 Sobibor, steeds met ca. 1000 personen aan boord. Daarnaast vertrokken nog 11 transporten naar Bergen-Belsen en 17 naar Theresienstadt.

Revue in Westerbork, ca. 1944. Fotograaf onbekend.

Kamp Vught

Kamp Vught heette officieel Konzentrationslager Herzogenbusch. Vught was een concentratiekamp onder het SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt, een SS-kamp dus.

Het was een zeer groot kamp dat vanaf januari 1943 gebouwd werd door joodse gevangenen uit Kamp Amersfoort en joodse arbeiders uit Amsterdam. Het was een werk- en gevangenkamp voor joden, maar ook voor politiek vervolgden en criminelen. De joden leefden gescheiden van de andere gevangenen. Begin mei 1943 zaten er 8700 gevangenen in Vught. Het kamp speelde een belangrijke rol bij de vervolging van de Nederlandse joden. Alle joden uit de provincie moesten zich vanaf maart 1943 melden in het kamp. Daar werden zij tewerkgesteld totdat ze gedeporteerd werden, meestal via Westerbork.

Er waren verschillende werkcommando’s in Vught zoals een textielatelier van Escotex en een lompensorteerderij van Menix. Het Philips commando was het belangrijkst. Onder druk van de bezetter had Philips een werkplaats in het kamp ingericht waar joden knijpkatten en radio’s moesten maken. Het was een goede werkplek met voldoende eten. In november werden de leden van het commando naar Auschwitz gedeporteerd. De meesten joden uit het commando kwamen daarna terecht in de Telefunken fabriek in Reichenbach als dwangarbeider. 160 van hen overleefden de oorlog.

Vught is bekend door twee drama’s die zich daar hebben afgespeeld. In mei 1943 besloot Rauter dat alle gevangenen die niet werkten uit het kamp moesten. Daartoe behoorden de kinderen die in aparte barakken gehuisvest waren. Op twee dramatische dagen, 6 en 7 juni, werden 1296 kinderen met hun ouders op de trein gezet. Via Westerbork werden ze naar Sobibor gedeporteerd en daar vermoord. De kindertransporten worden jaarlijks herdacht.

Aan het einde van de oorlog werden 74 niet-joodse vrouwen opgesloten in de bunker, eigenlijk een gevangenis binnen het kamp. Dit was een strafmaatregel wegen een protestactie van een aantal vrouwen. Pas na 14 uur werd de deur weer geopend: 10 vrouwen waren overleden.

Kamp Vught heeft kort bestaan. Toen vanaf september 1944 Zuid-Nederland werd bevrijd was dat ook het einde van kamp Vught: na Dolle Dinsdag werd het kamp ontruimd. In totaal zijn er 15.000 joden vanuit het kamp gedeporteerd waarvan bijna niemand de oorlog overleefde.

Bevrijding van het concentratiekamp te Amersfoort. Foto: Willem van der Poll. Nationaal Archief Fotocollectie Anefo, licentie CC-BY.

 

Andere kampen

Duitse concentratiekampen zoals Schoorl, Amersfoort en Erica waren niet speciaal op joden gericht. Dit waren kampen die vrij kort bestaan hebben en opgericht waren om verzetsstrijders vast te zetten en mensen die de Duitse verordeningen hadden overtreden. Daarbij zaten ook joden. Zij kwamen daar dus niet terecht omdat ze joods waren maar omdat zij een overtreding hadden begaan. In Kamp Amersfoort hebben zo’n 1200 joden gezeten, waarvan een groot deel uiteindelijk gedeporteerd werd. Kamp Schoorl, dat bestond tussen 1940 en oktober 1941, huisvestte de joden die opgepakt waren in februari 1941 voor een paar dagen. Kamp Erika was een berucht strafkamp bij Ommen waar per toeval ook een aantal joden terecht is gekomen. Deze kampen waren geen officiële concentratiekampen maar vielen onder de Sipo (Sicherheits Polizei), en waren daarmee politiekampen.

Bevrijding van het concentratiekamp te Amersfoort. Foto: Willem van der Poll. Nationaal Archief Fotocollectie Anefo, licentie CC-BY.