Artikel

Verdere isolatie en de voorbereiding van roof

In de maanden volgend op de Februaristaking nam de bezetter stapsgewijs een groot aantal maatregelen die joden steeds verder isoleerden van de rest van de bevolking.
Zo mochten joden geen gebruik meer maken van zwembaden, openbare parken, dierentuinen, markten, hotels, cafés, theaters, cabaret- en concertzalen en bibliotheken. Overal kwamen bordjes 'Voor joden verboden' te hangen. Joden werden uit verenigingen gezet, moesten hun radio inleveren en mochten niet meer zonder vergunning reizen. Tegelijkertijd werd voor hen - tijdelijk - een afzonderlijke levenssfeer vol restricties gecreëerd.
Niet alleen volwassenen werden in hun dagelijks leven steeds meer gescheiden van hun niet-joodse omgeving, ook kinderen en jongeren trof dit lot: op 1 september 1941 (in Amsterdam op 1 oktober) mochten joodse kinderen niet langer naar hun eigen school, en moesten naar aparte scholen.
De economische mogelijkheden van joden werden steeds verder beperkt. In maart werden winkels en bedrijven van joden onteigend en in handen gegeven van een Verwalter. Joodse artsen, apothekers, vertalers, advocaten en makelaars mochten niet meer voor niet-joden werken.
Er werd bovendien een begin gemaakt met de stelselmatige roof van joods bezit. Van 8 tot 11 augustus 1941 moesten joden hun geld, cheques, effecten en andere deposito's laten registreren bij en overdragen aan de Lippmann-Rosenthal bank (LiRo), een door de nazi’s opgezette roofbank.

Op 15 september moesten ze hun grondbezit en onroerende goederen laten registreren als voorbereiding op de onteigening. In oktober werd verordonneerd dat alle werkzaamheden bij bedrijven met een joodse eigenaar aan voorwaarden en vergunningen onderhevig waren. Werkgevers kregen bovendien toestemming om joden met een opzegtermijn van drie maanden te ontslaan en hun pensioenvoorziening te veranderen. In de maanden die op deze verordening volgden werden veel joodse werknemers ontslagen en veel werkvergunningen van joden ingetrokken.

Jodenster en andere maatregelen

Al vanaf herfst 1940 moest iedereen een Persoonsbewijs hebben, vanaf januari 1942 ging de bezetter dit gebruiken om mensen te controleren. Joden hadden een persoonsbewijs ontvangen, waarin een grote zwarte letter J was gestempeld, opdat zij er bij controles uitgepikt konden worden. De Neurenberger rassenwetten werden in maart in hun geheel doorgevoerd en huwelijken of seksuele omgang tussen joden en niet-joden werden verboden.
De bordjes 'voor joden verboden' werden nu op last van de Reichskommissar overal opgehangen. Eind april 1942 werd de Jodenster ingevoerd: alle joden moesten op hun bovenkleding een gele Davidsster dragen waardoor ze makkelijk te herkennen waren.

 

De bewegingsvrijheid van joden werd nog verder ingeperkt toen zij in juni fietsen en vervoermiddelen moesten inleveren, niet meer op markten mochten komen (alleen op de speciaal ingestelde 'joodse markten') en vanaf 30 juni ook alleen maar van 15 tot 17 uur in niet-joodse winkels boodschappen mochten doen. Daarna begonnen de deportaties.

Voor meer informatie over de 'joodse markten' zie het artikel over Joodse markt- en straathandelaren in Amsterdam.

Joodse markt op het Waterlooplein, ca. 1942. Fotograaf onbekend.

 

Alle rechten voorbehouden