Artikel

Anti-joodse maatregelen: registratie, isolatie en de Februaristaking

Door: Anat Harel

Mei 1940

Op 10 mei 1940 trokken Duitse troepen Nederland binnen. Er woonden toen ongeveer 140.000 joden in Nederland. In de chaos na de invasie slaagde een aantal joden erin over zee naar Engeland te vluchten. Hun aantal wordt geschat op enkele honderden. Nog minder mensen konden via Frankrijk Spanje bereiken. Anderen pleegden zelfmoord.
Na vijf dagen capituleerde het Nederlandse leger. Op 29 mei 1940 benoemde Hitler Reichskommisar Arthur Seyss-Inquart tot hoofd van het Duitse burgerlijk bestuur in bezet Nederland, het Reichskommissariat.

Ariërverklaring en ontslag uit overheidsdienst

In het najaar van 1940 trof de bezetter de eerste maatregelen uit een lange reeks die de joden in Nederland van de rest van de bevolking moesten (onder)scheiden en hun bezittingen zouden afnemen. De allereerste maatregel was het verwijderen van joden uit de gemeentelijke luchtbeschermingsdiensten. Daarna volgde een verbod op ritueel slachten. Vóór 26 oktober moesten alle ambtenaren, onder wie leraren, een ariërverklaring inleveren. Wie weigerde werd ontslagen. Nadat de joodse ambtenaren op deze manier geïdentificeerd waren, werd in november een begin gemaakt met het ontslag van joden uit overheidsdienst. Dit gebeurde in verreweg de meeste gevallen zonder veel ophef. Op enkele scholen staakten

Vrachtauto's bij de razzia

de scholieren uit woede tegen het ontslag van hun joodse leraren en ook studenten en docenten van universiteiten lieten hun afkeuring blijken. De eerste hoogleraar die openlijk protesteerde was Victor Jacob Koningsberger in Utrecht. Beroemd is de rede die professor Rudolph Cleveringa van de Universiteit van Leiden hield uit protest tegen het ontslag van zijn joodse collega-hoogleraar E.M. Meijers. Door deze acties werd de aandacht op de anti-joodse maatregelen gevestigd, de maatregelen zelf werden niet ongedaan gemaakt.

Registratie

Op de registratie van de joodse ambtenaren volgde vanaf 22 oktober 1940 de verplichte opgave van bedrijven en ondernemingen met een joodse eigenaar. Op 10 januari 1941 werden alle joden geconfronteerd met een verordening die verstrekkende gevolgen zou hebben: alle 'personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede' moesten zich laten registreren. Daarbij werd het begrip 'jood' op raciale gronden gedefinieerd en onderverdeeld in 'voljoden', 'halfjoden' en 'kwartjoden'. De Nederlandse gemeenten werden belast met de uitvoering van deze maatregel. Joden moesten een vragenformulier invullen en inleveren en kregen - tegen betaling van een gulden - een bewijs van aanmelding. De aanmeldingsformulieren moesten worden opgestuurd naar de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters.

Verreweg de meeste joden hebben de registratieformulieren ingevuld. Wie zich niet registreerde, riskeerde gevangenisstraffen oplopend tot vijf jaar. Bovendien waren de gegevens die verstrekt moesten worden ook al bekend bij het bevolkingsregister en in de administratie van de joodse gemeente.

 

Het begin van isolatie en de eerste rellen

In een later stadium van de bezetting zou de Duitse bezetter de joodse bevolking stapsgewijs afscheiden van de niet-joodse bevolking. Voor het zover was nam een aantal Nederlandse organisaties zelf al het initiatief tot isolatie. Zo weerden Nederlandse bioscopen en tal van verenigingen en werkkringen op eigen initiatief joden. De Nederlandse nationaal-socialisten wilden nog verder gaan.
De Weerafdeling (WA) van de NSB dwong hotel- en restauranteigenaren in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam borden op te hangen die meldden dat joden niet gewenst waren.
Op 8 februari 1941 braken rellen uit op het Rembrandtplein in Amsterdam toen WA mannen en café-eigenaren slaags raakten. Een dag later vielen cafés en dansgelegenheden ten prooi aan gewelddadigheden van de WA, waaronder café Alcazar. Op 11 februari trok de WA de joodse buurt in waar de inwoners, joden en niet-joden geholpen door arbeiders uit andere wijken, het gevecht aangingen. In een gevecht met een knokploeg, waar ook joden deel van uitmaakten, liep WA man Hendrik Koot ernstige verwondingen op, waaraan hij drie dagen later overleed.

De Joodse Raad

Als reactie op de rellen werd de joodse wijk tijdelijk hermetisch afgesloten. Hans Böhmcker, de speciale commissaris van Seyss-Inquart voor Amsterdam en belast met anti-joodse maatregelen in de stad, riep enkele vooraanstaande joden in Amsterdam bij elkaar en gaf instructie om een Joodse Raad op te richten, die moest dienen als overkoepelende organisatie waarmee de Duitse bezetter contact met de joodse gemeenschap ging onderhouden. De Joodse Raad zou het doorgeefluik van de anti-joodse maatregelen worden. Door de Raad een vorm van zelfbestuur te geven wekte de bezetter de indruk dat de Raad invloed kon uitoefenen op de gang van zaken. De voorzitters van de Joodse Raad, David Cohen en Abraham Asscher, hadden binnen de vooroorlogse joodse gemeenschap vooraanstaande functies bekleed en meenden dat het hun taak was het bestuur van de Joodse Raad op zich te nemen en de Duitse orders op te volgen 'om erger te voorkomen'.
Na verloop van tijd werden de meeste bestaande joodse organisaties verboden. Ook joodse bladen mochten niet langer verschijnen. De Joodse Raad nam veel functies van de oude organisaties over, en ging het gecensureerde Het Joodsche Weekblad uitgeven. Hierin werden de anti-joodse maatregelen bekend.
De Raad kreeg een steeds belangrijkere rol in het joodse leven, bijvoorbeeld op het terrein van onderwijs en sociaal werk. In oktober 1941 werden de taken van de Joodse Raad door de bezetter tot heel Nederland uitgebreid en op verschillende plaatsen werden lokale afdelingen opgericht.

Het optreden van de Joodse Raad heeft tot veel protesten en kritiek geleid, zowel tijdens de oorlog, door joden zelf en door het verzet, als na de oorlog ook door historici. De coöperatieve houding is zwaar bekritiseerd, net als de pogingen van Asscher en Cohen om de belangrijkste mensen uit de joodse gemeenschap te behouden. Want zij bepaalden wie dat waren. Een naoorlogse Joodse Ereraad heeft bepaald dat Asscher en Cohen hun verdere leven geen functies meer binnen de joodse gemeenschap mochten bekleden.

Overigens namen niet alle afdelingen van de Joodse Raad een zelfde houding aan: de Joodse Raad in Enschede heeft een belangrijke rol gespeeld in het verzet tegen de jodenvervolging.
Zie voor meer informatie de website over de Joodse Raad Enschedé.

Vrachtauto's bij de razzia

De eerste razzia en de Februaristaking

De ongeregeldheden in Amsterdam duurden voort en na een incident bij de joodse IJssalon Koco in de Van Woustraat in Amsterdam beval Heinrich Himmler tot onmiddellijke represailles: op 22 en 23 februari vonden de eerste razzia’s plaats in de jodenbuurt. De wijk werd afgesloten, de Grüne Polizei sleepte jonge mannen van straat en sloeg deuren in op zoek naar slachtoffers. 427 opgepakte mannen werden naar een interneringskamp in Schoorl gebracht en vervolgens - met uitzondering van een aantal zieken - via Buchenwald naar Mauthausen. Drie van hen overleefden de oorlog. Deze openlijke razzia lokte de Februaristaking uit, een protest van arbeiders in Amsterdam, daartoe opgeroepen door de Communistische Partij van Nederland.

Concentratiekamp Mauthausen. Foto: collectie Joods historisch Museum, Amsterdam. Fotograaf onbekend.

De staking was een protest van de niet-joodse bevolking tegen de anti-joodse maatregelen (de eerste en grootste manifestatie in zijn soort in West-Europa) maar ook tegen de Duitse overheersing in het algemeen. De staking bracht de Duitsers niet van hun voornemens af. Wel beseften zij dat zij voortaan bij het doorvoeren van de anti-joodse maatregelen omzichtiger te werk moest gaan en dat de acties van de Nederlandse nationaal-socialisten aan banden moesten worden gelegd.

Voor meer informatie over de Februaristaking, zie de website van het Comité Herdenking Februaristaking en dit dossier.

 

Vrachtauto's bij de razzia