Biografie

Over Hedwig Hintze-Guggenheimer

Hedwig Guggenheimer werd geboren op 6 februari 1884 in München in een geassimileerde, joods-christelijke bankiersfamilie. Vanaf 1910 studeerde zij geschiedenis aan de Friedrich-Wilhelms-Universiteit in Berlijn. Ze trouwde in 1912 met de veel oudere Otto Hintze (1861-1940), een bekende historicus en een van haar professoren aan de universiteit. Gedurende de Eerste Wereldoorlog kon ze niet studeren, wel zorgde ze voor haar zieke echtgenoot. In 1924 promoveerde ze bij de toonaangevende historicus Friedrich Meinecke en was daarmee de eerste gepromoveerde vrouw aan de Berlijnse universiteit. In oktober 1928 gaf zij haar eerste college als privaatdocente voor Nieuwere Geschiedenis.

In 1933 werd Hedwig Hintze-Guggenheimer reeds ontslagen als medewerkster van het “Historische Zeitschrift” en in de herfst van hetzelfde jaar werd ze tevens door de universiteit uit haar functie gezet. Enige tijd verbleef ze in Parijs waar ze zich bezighield met het onderzoek naar de Franse Revolutie van 1789. In 1935 keerde ze echter terug naar Berlijn en emigreerde vervolgens in augustus 1939 naar Nederland. Ze ontving een uitnodiging om in de Verenigde Staten te werken aan de New School for Social Research, maar doordat Nederland intussen door de Duitsers bezet was kon ze hier niet op ingaan. Ze woonde in de omgeving van Utrecht en was bevriend met andere Duits-joodse emigranten, van wie velen ook protestants waren. Hier kwam ze ook in contact met de staatsrechtgeleerde, dr. Jacob ter Meulen, die een belangrijke positie vervulde bij de hulp van Doopsgezinde christenen aan Duitse joods-christelijke vluchtelingen. Hedwig Hintze-Guggenheimer verbleef eerst in Huize Zuilenveld aan de Vecht en later in Den Haag. Daar kreeg ze de gelegenheid om onderzoek te doen in de bibliotheek van het Vredespaleis, waar Jacob ter Meulen bibliothecaris was.
(Zie verder: Alle G. Hoekema „Bloembollen” voor Westerbork – Hulp aan Zaanse en andere Doopsgezinden aan (protestants-) Joodse Duitse vluchtelingen in Nederland 1939-1945 (Hilversum 2011)

Haar man Otto Hintze was in Berlijn achtergebleven, bijna blind en geheel vereenzaamd stierf hij in april 1940, enkele maanden na de vlucht van zijn vrouw naar Nederland. Hedwig probeerde toch nog papieren te krijgen voor de Verenigde Staten, wat niet lukte. Ze had geen geld, was psychisch helemaal op en heeft vermoedelijk zelf een einde aan haar leven gemaakt in een Utrechtse kliniek in juli 1942. Ze was opgeroepen voor de eerste deportatie naar Westerbork. Ze had echter ook een zwak hart en kan daaraan zijn gestorven, waarover een vriend, de geëmigreerde wiskundige Otto Blumenthal uit Aken, in zijn dagboek toen iets heeft geschreven.

In Berlijn is in 2008 een gedenksteen geplaatst voor Otto en Hedwig Hintze.
In 1996 is het Hedwig Hintze-Institut opgericht in Bremen. Deze instelling ziet het als opdracht haar werken en haar leven te onderzoeken, te bestuderen en bekend te maken.

Zie voor meer informatie (in het Duits) o.a.:
Wikipedia.
Haar naam komt ook voor in het boek:
Manfred Gailus Mir aber zerriss es das Herz. Der stille Widerstand der Elisabeth Schmitz
(Göttingen 2010) p. 273

Hedwig Hintze gebruikte nooit de dubbele naam: Hintze-Guggenheimer.
Of ze werkelijk zelfmoord heeft gepleegd, daarover bestaat enige twijfel; er zijn onderzoeken naar gedaan.
Hedwig Hintze verkreeg het doceerrecht aan de Humboldt Universiteit en gaf daar les. Haar medewerking aan het Historische Zeitschrift, het belangrijkste orgaan van de geschiedwetenschap in Duitsland, was van grote betekenis. Deze medewerking eindigde reeds in het voorjaar van 1933 omdat de uitgevers - vooral Friedrich Meinecke - de nazi-maatregel om de Joden uit het openbare leven te verdrijven, haastig uitvoerden zonder ten volle gebruik te maken van de gestelde termijn (30 september).
Hedwig Hintze-Institut Bremen