Verhaal

Levenstekens in boeken

Boeken zijn een bezit waar je zuinig op bent. Waarschijnlijk gold dat vroeger nog sterker dan nu. Boeken waren (en zijn) verzamelobjecten, dragers van kennis en ze verschaften een zekere status. Het is dan ook heel begrijpelijk dat de trotse bezitters hun eigendommen merkten. Dat gebeurde met een ex libris of met een handgeschreven notitie. Met de oorlog indachtig hebben deze markeringen ook een andere betekenis gekregen: een nagelaten levensteken. Vaak een zeldzaam persoonlijk bewijs van iemands bestaan.[1]

Op een veiling in Maastricht werd door een verzamelaar in de jaren ’60 een partij boeken opgekocht. In twintig van die boeken zat aan de binnenzijde van het kaft een ex libris met de naam Alex Heumann geplakt. Vermoedelijk betreft het hier Alex Heumann (Maastricht, 29 augustus 1885). Zijn geboorteplaats zou een verklaring kunnen zijn voor zijn talenkennis. De verzameling bevat namelijk Nederlandse, Duitse en Franse auteurs, waaronder Poelhekke (over Alberdingk Thijm), Boutens, Veth, Rilke, Tollens, Sternheim en het Oeuvres complètes van Molière.
Een ex libris is naast een eigendomsmerk ook een manier waarop de eigenaar iets van zichzelf tot uitdrukking brengt. Salomon Wijnberg (Amsterdam, 26 december 1918), was lid van een groep religieuze Palestina-pioniers in Laag Keppel. Hij koos de afbeelding van een druiventros op zijn ex libris, als verwijzing naar ‘het land van beloften’.
De statisticus Jakob Herman van Zanten (Tiel, 26 januari 1874) was onder andere lector aan de toenmalige Gemeentelijke Universiteit (tegen-woordig UvA) in Amsterdam. Hij liet een ex libris vervaardigen waarin zijn lijfspreuk was verwerkt: ‘Statistiek. In hoeveelheden verhoudingen zoekend’.
Schrijver Joseph Gompers (Amsterdam, 22 maart 1899) had verschillende boeken geschreven, waaronder de roman ‘Joden zonder geld’. Hij gebruikte een mooi ex libris, ontworpen door grafisch ontwerpster Fré Cohen, met de weinig opbeurende Hebreeuwse tekst uit Spreuken: ‘De dag is kort en het werk veel’. Ook Jacques Lobstein (Borculo, 23 september 1883), directeur van het Apeldoornse Bos, gebruikte een ex libris met Hebreeuwse tekst, ontworpen door Mark Kolthoff. Hij koos een frase uit psalm 137 tot lijfspreuk: ‘Aan de rivieren van Babylon, daar zaten wij en weenden’.[2]

Handgeschreven aantekeningen
Heel persoonlijk zijn de boeken waarin de eigenaar zelf een aantekening heeft aangebracht, al is het meestal niet meer dan de eigen naam, soms aangevuld met een adres of een datum. Het zijn vaak religieuze boeken die als bijzonder aandenken bewaard zijn gebleven. Zoals het gebedenboek dat Rachel Groenstad (Amsterdam, 14 juli 1900) kreeg ter gelegenheid van haar huwelijk op 6 september 1925. Op het kaft staat haar nieuwe naam gedrukt: ‘Rachel Drilsma, geb. Groenstad’. Een wat luxere uitvoering bezat Johanna van Thijn-Goldsmid (Oss, 20 mei 1905), wiens naam in gouden letters op de omslag blonk.
Soms is alleen de gever van een boek bekend, zoals bij het gebedenboek ‘Tephillah Wetachanoenim’, dat Ruben Velleman (Groningen, 11 januari 1894) in 1936 aan zijn neefje Joop schonk, voor diens bar mitswa. Een sticker in het boek laat zien dat het boek was verkregen bij de 'Hebreeuwsche en Alg. boekhandel' van J.L. Joachimsthal in Amsterdam.
Opvallend veel kinderen hebben een handgeschreven aantekening in een boek achtergelaten. Het betreft doorgaans cadeau’s die zij kregen bij een bijzondere gelegenheid. Edith Kahn (Wermelskirchen, 10 november 1924) was in de jaren dertig met haar moeder en twee zusjes vanuit Duitsland naar Nederland gekomen. Het gezin woonde in Zaltbommel, waar de moeder een zaak in geborduur-de babykleertjes begon. In december 1932 had Edith een Haggadah voor Pesach gekregen als ‘aandenken aan mijn bezoek der Joodsche School’.
In het gebedenboek Sjabbos-Tefillo van Kurt Cahn (Wesseling, 10 april 1929) staat een cryptische, doch veelbetekende tekst: ‘Kurt Cahn, B.6-21. Kamp Westerbork, Hooghalen Oost’. Aan zijn leeftijd te oordelen zou het goed kunnen dat hij zijn bar mitswa in kamp Westerbork heeft gevierd. Kurt was in 1939 samen met zijn broer Josef (Wesseling, 25 augustus 1925) en zus Hannelore (Wesseling, 31 mei 1935) naar Nederland gevlucht. De drie kinderen verbleven enige tijd in het Centraal Israëlitisch Weeshuis te Utrecht, voordat zij naar Westerbork werden overgeplaatst. In Westerbork, dat eerst diende als vluchtelingenkamp en later werd gebruikt als internerings- en doorgangskamp, werd de kleine zaal van de schouwburg in barak 9, gebruikt als synagoge. Later werd ook de middenzaal van het weeshuis, barak 35, als jeugdsjoel gebruikt. Het religieuze leven werd gewoon voortgezet en oogluikend toegestaan door de Duitse bezetter.[3]

Poëziealbums
Een derde categorie van levenstekens in boeken vinden we in poëziealbums. Van dit soort aandoenlijke kinderproza duikt de laatste tijd steeds meer op. Toenmalige vriendinnetjes zijn vaak maar al te blij dat zij ze nog iets tastbaars hebben van hun weggevoerde klasgenootjes.
Zo vond ‘Thea’ in haar zorgvuldig bewaarde album twee gedichtjes van vroegere vriendinnetjes. Eén is van Frieda Mathilde Kattenburg (Amsterdam, 27 maart 1932). Zij schreef: ‘Lieve Thea, Ook al ben je niet mijn zusje; en krijg je ook geen kusje; van mij ook elke dag; toch als vriendinnetje; schrijf ik een zinnetje; dat ik je gaarne mag’. Het andere gedichtje is van Anita Maria Grünewald (Duisburg, 15 december 1931), opgeschreven in maart 1941: ‘Het is weinig van waarde; wat ik u bied; pluk rozen op aarde; maar vergeet mij niet’.
Verschillende schrijfsters maakten dankbaar gebruik van de dubbele betekenis van vergeet-mij-nietjes. Klaartje Fresco (Rotterdam, 26 maart 1934) dichtte in juni 1941: ‘Strooi bloemen op uw pad. Rozen en margrieten. Maar tussen al die bloemen in! Voor mij een paar vergeet-mij-nietjes’. Hedy Metzger (Berlichingen, 24 december 1926) gebruikte een paar jaar eerder nog de letterlijke betekenis. In een hartvormig sjabloon schreef zij aan een net als zijzelf uit Duitsland afkomstig vriendinnetje: ‘Ver-giß-mich-nicht! Vertrau auf G.tt!!’
Voor haar 13e verjaardag, in 1940, had Geertruida (Truus) Spanjer (Amsterdam, 26 november 1927) een poëziealbum gekregen. Het album is bewaard gebleven en bevat, onder meer, een gedicht van haar nichtje Selma Spanjer (Amsterdam, 19 mei 1931) uit mei 1942: ‘Lieve Truus, Een hartje klein, vol zonneschijn. Een gulle lach, zo iederen dag. Dat maakt je lijf dik en rond. Lieve Truus blijf gezond’.
Jiska Pinkhof (Den Helder, 9 december 1931) was een dochter van de kunstschilder Leonard Pinkhof (Amsterdam, 19 juni 1898). Zij schreef in het album van een vriendinnetje: ‘Wees steeds een zonnestraaltje voor elk die je ontmoet. Dan schenkt gij anderen vreugde, en zelve heb je het goed’. Aan een buurmeisje liet Bertha Augurkiesman (Antwerpen, 18 mei 1930) het volgende rijmpje na: ‘Lieve Hennie, Ik zit hier te zuchten; ik bijt op mijn pen; wat jammer toch dat ik geen dichter ben; maar ach lieve Hennie; ik weet al niet meer; dan mijn allerbeste wensen; en ik rijmel nooit meer’.
Tot slot een hartenwens van Frijda Goudsmit (Amsterdam, 28 maart 1927). Eind jaren dertig maakte zij samen met andere kinderen van de Middenweg in Amsterdam deel uit van het clubje ‘Het vrolijke Achttal’. In een bewaard gebleven poëziealbum schreef Frijda in 1939: ‘Een engel komt gevlogen. Zie hoe vriendelijk zij lacht. Het is heus niet gelogen. Geluk is ’t wat zij bracht’.[4]


Noten
1. Alle voorbeelden in dit artikel zijn afkomstig van het Digitaal Monument (www.joodsmonument.nl)
2. Zie voor meer informatie over Joodse ex libris de nieuwe website www.hetjoodsexlibris.nl
3. Gegevens verkregen van Herinneringscentrum Westerbork. Er bestaan voor zover bekend geen publicaties over het religieuze leven in kamp Westerbork.
4. Andere voorbeelden van pagina’s uit poëziealbums op het Digitaal Monument zijn te vinden bij Henriette van Gelder (Amsterdam, 2 juli 1931), Jeanne Godfried (Bedum, 7 december 1889) en Sara Lezer (Assen, 21 april 1882).


Dit arikel van D.M. Metz is eerder gepubliceerd in Misjpoge. Tijdschrift voor Joodse genealogie, jaargang 23 (2010) nr. 1.

Media