Aanvulling

Multicultureel herdenken

In de afgelopen 50 jaar is de samenstelling van de Nederlandse bevolking sterk veranderd. Met name de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 en de komst van arbeidsmigranten uit Marokko en Turkije hebben ‘kleur’ gegeven aan het Nederlandse landschap. Deze verandering roept vragen op over het lieux de memoires, het collectieve geheugen, van Nederland.

Pagina uit het Dodenboek van het 'Oranjehotel' (de strafgevangenis in Scheveningen) voor de uit Suriname afkomstige verzetsman Abraham Samuel Fernades. [Nationaal Archief] Door: Daniël Metz

In ons nationale bewustzijn neemt de Tweede Wereldoorlog een centrale plaats in. Het is een belangrijk ijkpunt (of dieptepunt) waaraan normen en waarden worden getoetst. Dat niet alle burgers een vanzelfsprekende gevoeligheid hebben m.b.t. het oorlogsverleden bleek in 2002, toen Marokkaanse jongeren zijn gaan ‘voetballen’ met een op 4 mei gelegde herdenkingskrans. Als gevolg daarvan heeft de overheid zich tot taak gesteld de verschillende migrantengroepen meer bewust te maken van het Nederlandse verleden en ze tevens te betrekken bij de nationale dodenherdenking.
Eén van de plaatsen waar gezocht wordt naar historische raakvlakken is de website www.bevrijdingintercultureel.nl. Daar is onder andere informatie te vinden over de rol die Surinamers, Antilianen, Turken en Marokkanen hebben gespeeld bij de bevrijding van het toenmalige Koninkrijk der Nederlanden.[1]
Wanneer in de jaren ’40 wordt gezocht naar internationale factoren, kom je al snel terecht bij kosmopolitische Joden. Uitwisseling tussen Joodse gemeenschappen wereldwijd is een eeuwenoud gegeven. De vier genoemde landen hadden bovendien, vanuit koloniaal en diplomatiek oogpunt, eeuwenlang nauwe betrekkingen met Nederland.

Voor Suriname en Curaçao was Nederland het koloniale moederland waar men naartoe ging voor familierelaties, studie of voor zakelijke contacten. Begin 1940 zaten vele Surinaamse Joden vast in de Duitse val. Op het Digitaal Monument staan 101 personen die in Paramaribo zijn geboren. Eén van hen, Abraham Samuel Fernandes (Paramaribo, 4 november 1906), staat sinds kort bijzonder in de belangstelling, vanwege zijn herontdekte verzetsverleden.
Begin jaren '40 was Fernandes werkzaam bij de Bataafse Petroleum Maatschappij (BPM, een voorloper van Shell) in de Rotterdamse haven. Hij woonde in Vlaardingen. Kort na de Duitse inval kwam hij in contact met de verzetsgroep van de ‘Geuzen’. Dit was de eerste grote verzetsgroep in Nederland. Het doel van de groep was de bezettingsmacht zo veel mogelijk te ondermijnen en informatie door te spelen aan de geallieerden. Fernandes sloot zich aan en verrichte spionage-activiteiten.
Door onvoorzichtigheid van enkele leden werd de groep in november 1940 opgemerkt door de Sicherheitspolizei. Verschillende personen werden opgepakt. Zij werden op hardhandige wijze gedwongen hun kameraden aan te geven. In de daarop volgende maanden zijn meer dan 200 Geuzen van hun bed gelicht.[2] Ook Abraham Samuel Fernandes was daarbij. Een week na zijn arrestatie overleed hij in de strafgevangenis van Scheveningen aan de gevolgen van marteling.
Recentelijk is het verzetsverleden van Abraham Samuel Fernandes herontdekt. In maart 2009 is in Vlaardingen een plaquette onthuld. Tijdens de ceremonie is tevens een klein boekje met zijn levensverhaal gepresenteerd.[3]

Van de Nederlandse Antillen staan zes Joodse slachtoffers vermeld op de bevrijdingswebsite. Onder hen de militair Mordechai (Marco) Chaim Gandelman (Roemenië 1919). Hij woonde met zijn ouders op Curaçao en kwam voor zijn studie aan het Nederlands Israëlitisch Seminarium naar Nederland. Tijdens de oorlog werd hij als militair krijgsgevangen gehouden. Een Antilliaanse medegevangene, Isac Yohai, vertelde na de oorlog dat Mordechai aan typhus zou zijn bezweken.
Twee andere Antilliaanse slachtoffers waren vermoedelijk in Nederland omdat ze psychiatrische verzorging nodig hadden: Abigaël Santcroos (Curaçao, 29 december 1865) woonde in het Apeldoornse Bos en Edgard Alvares Correa (Curaçao, 22 november 1880) verbleef in de Willem Arntzhoeve in Den Dolder.

Joden met de Turkse nationaliteit verkeerden tijdens de oorlog in een onduidelijke positie.[4] Turkije bleef tot februari 1945 neutraal, waardoor haar staatsburgers in bezet Europa recht hadden op bescherming. Dit oorlogsrecht werd lang niet altijd gerespecteerd. Op 8 november 1943 belandde een groep Joden van Turkse afkomst in Westerbork. Dagboekschrijver Philip Mechanicus noteerde: 'Een kleine kolonie Turken, ouders met kinderen, is vlak bij mijn bed neergestreken: zij huizen de gehele dag om het kacheltje, dat zij door hun veelheid als het ware monopoliseren, en bemoeien zich vlijtig met het kookgedoe van anderen, verschrikkelijk vriendelijk en hulpvaardig. De kinderen kwetteren Spaans en Nederlands door elkaar, levendige, rappe kinderen, vlug als water'.[5]
Niet alle Turkse / Ottomaanse Joden maakten deel uit van deze groep. Jacob Meyer Mogroby (Damascus, 14 april 1870) had al lang afstand gedaan van zijn Turkse nationaliteit. Hij was eind negentiende eeuw vanuit Syrië, met een omweg via de Verenigde Staten en Oostenrijk naar Nederland gekomen. In Amsterdam werd hij actief lid van Portugees Israëlitische Gemeente. Zonder enige bescherming is Jacob Meyer Mogroby in 1944, samen met zijn tweede echtgenote Johanna de Wolff (Stad Delden, 27 mei 1881), gedeporteerd en omgebracht. Enkelen van zijn verwanten behoorden wel tot de groep Turkse Joden in Westerbork. Zij stonden in feiten onder bescherming van de Turkse ambassade in Berlijn. Op zeker moment kregen 24 personen te horen dat voor hen de bescherming was ingetrokken. Tenminste 15 van hen zijn alsnog in de kampen omgekomen.

De afvaardiging van de Marokkaanse gemeenschap in deze opsomming is heel beperkt. Op de bevrijdingswebsite wordt één persoon genoemd van Joods-Marokkaanse afkomst, namelijk Luna da Silva Solis-Benchimol (Casablanca, 10 december 1910). Op haar persoonskaart in het Stadsachief Amsterdam staat achter het jaartal 1941 de afkorting V.O.W. (vertrokken onbekend waarheen). Het ergste werd vermoed, maar na vele jaren onduidelijkheid is gebleken dat het gezin waartoe zij behoorde naar de Verenigde Staten is ontkomen. Eindelijk eens een oorlogsverhaal met een goede afloop. Enkele familieleden van haar echtgenoot hebben minder geluk gehad. We noemen Marguerite Viejra-da Silva Solis (Antwerpen, 1 april 1904) en Mirjam Monnikendam-da Silva Solis (Amsterdam, 13 juni 1874). Het is een schrale troost dat alle hier genoemde slachtoffers postuum bijdragen aan culturele verbroedering.


Noten
1. Nederlands-Indië wordt in dit artikel buiten beschouwing gelaten.
2. Het zou tot 1943 duren voordat het verzet in Nederland weer enige omvang kreeg.
3. Siebe Idzinga, Abraham Fernandes, Een vergeten ‘Geus’ (Vlaardingen 2009). Te koop voor € 2,50 in het Streekmuseum Jan Anderson te Vlaardingen
4. Het betreft personen uit Turkije en uit het voormalige Ottomaanse Rijk, dat zich tot 1918 uitstrekte van de Zwarte Zee tot voorbij de Nijldelta. Geboorteplaatsen zijn onder andere: Constantinopel (Istanbul), Smyrna, Damascus, Jeruzalem, Safed en Caïro.
5. Philip Mechanicus, In Dépôt. Dagboek uit Westerbork (Amsterdam 1989). Dagboeknotitie van 8 november 1943 (pag. 196)


Dit artikel van D.M. Metz is eerder gepubliceerd in Misjpoge. Tijdschrift voor Joodse genealogie, jaargang 22 (2009) nr. 4

Media