In Memoriam Julius de Jong

Verhaal -

Julius de Jong wordt geboren in 1906 als zoon uit het huwelijk van Mozes de Jong en Frederika van Gelder, een gezin met in totaal zes kinderen; Julius heeft drie broers en twee zusters.

Mozes, de vader van Julius, sterft na een kort ziekbed op zijn onderduikadres in Beverwijk in oktober 1943. Een huisarts helpt mee om het stoffelijk overschot 's nachts uit de bovenwoning te halen en in een ambulance naar een ander adres te vervoeren, waar het onder een kippenhok wordt begraven. Na de oorlog wordt het lichaam van Mozes herbegraven in Apeldoorn.

Julius’ moeder Frederika wordt in datzelfde jaar gearresteerd; ze heeft een vervalst persoonsbewijs bij zich en draagt bovendien geen Jodenster op haar kleding. In november 1943 wordt zij in Auschwitz om het leven gebracht. Ook Arnold, een broer van Julius, wordt in Auschwitz van het leven beroofd, in februari 1944, anderhalf jaar nadat Julius in datzelfde kamp omkwam. De vier overige kinderen zullen de oorlog overleven.

Julius groeit op in zijn geboortedorp Apeldoorn, waar het gezin in de Dorpsstraat woont, in een huis met aanduiding AA 157, later: Hoofdstraat 92. Zijn vader heeft een eigen meubelzaak, in het adresboek van Apeldoorn van 1906 omschreven als: meubel-, spiegel-, en beddenmagazijn. Een periode lang werken ook twee broers van Julius, Simon en Arnold, in de zaak.

Mozes is jarenlang lid van de kerkenraad. In die rol zet hij zich in voor het toonbaar maken van de tuin van het gebedshuis. Hij wordt een belangrijke adviseur voor de aanschaf van meubilair en maakt hij zich hard voor een goed pensioenfonds voor de voorganger van de Joodse gemeente.

In de zomer van 1927, Julius is dan eenentwintig, verhuist hij met zijn ouders naar Regentesselaan 7. De broers Simon en Arnold stappen uit de zaak, terwijl Julius en zijn broer Isidoor als vennoten in het handelsregister worden opgenomen. De vennoten openen een filiaal in Arnhem.

In de zomer van 1936 treedt Isidoor uit het vennootschap en wordt hij eigenaar van het Arnhemse filiaal. Julius wordt beëdigd als makelaar in ‘roerende en lichamelijke goederen’. Dat zijn materialen die verplaatst kunnen worden, zoals een radio of een auto.

Er wordt een nieuw filiaal geopend, ditmaal in Elspeet. De zaak heeft na de opening in oktober 1939 maar kort bestaan; in februari 1940 wordt dit bedrijf opgeheven.

In april 1940, een maand voordat Nederland door nazi-Duitsland onder de voet wordt gelopen, verhuizen de ouders van Julius naar Alkmaar. Julius verhuist in deze periode naar de Kerklaan 20 in Apeldoorn. Hier wonen Comprecht Nieweg (1909-1945) met zijn vrouw Selma Nieweg-Cohen (1913-1942) en hun zoon Benjamin Comprecht Nieweg (1937-1942).

In oktober 1940 verlooft Julius zich met Sophie de Jong (1912). Fietje en Juul noemen zij zichzelf in het krantenbericht waarin zij hun verloving aankondigen. Sophie is de dochter van Salemon, een broer van Julius’ vader. Zij heeft de oorlog door onderduik overleefd.

Een half jaar nadat Julius naar de Kerklaan is verhuisd, verlaten Comprecht en Selma deze woning . Hun nieuwe adres is Koppellaan 6. Julius verhuist met hen mee. De datum verwijst naar een gedwongen verhuizing. Mogelijk is het huis aan de Kerklaan gevorderd of ontbreekt het Comprecht en Selma aan financiële middelen om de woonlasten te kunnen opbrengen.

In augustus 1941 stichten NSB'ers en hun handlangers brand in de synagoge van Apeldoorn. 

Julius heeft zich samen met Johan Louis Klein (1916) belangeloos willen inzetten voor een waardebepaling van de roerende goederen in het gebouw. Dit blijkt niet nodig; de meeste voorwerpen die door de brand verloren zijn gegaan, betreffen ritualia. Overige goederen, die onherstelbare zijn beschadigd, worden door voorganger Slagter naar Amsterdam zijn gebracht om getaxeerd te worden, waar ze, na Joods gebruik, worden begraven.

In de jaren na de Duitse inval in Nederland wordt het bedrijf van Julius door de nazi’s onteigend. Dit is in het handelsregister als volgt vastgelegd: ‘Betreffende de verwijdering van Joden uit het bedrijfsleven, is de heer [naam] te Apeldoorn, met ingang van 6 juli 1942 benoemd tot bewindvoerder van bovengenoemde onderneming, op grond waarvan deze is gerechtigd tot alle handelingen. In de krant wordt in deze gevallen meestal openlijk over het Joodse bedrijfsleven gepubliceerd: ‘Het betreft de verwijdering van Joden uit het bedrijfsleven’. 

Toenmalige NSB-burgemeester Den Besten zou op verzoek van politiechef Meijer toestemming hebben gegeven om in juni 1942 meer mensen in te zetten bij het invorderen van fietsen van Joodse Apeldoorners. Den Besten getuigt na de oorlog dat hij de situatie bij de school aan de Mariannelaan niet vertrouwde en besloot zelf te gaan kijken. Als hij twee agenten en meerdere geüniformeerde NSB’ers ziet, grijpt hij in en verzoekt hij de NSB’ers te vertrekken, want “het is geen NSB aangelegenheid, maar de uitvoering van een Duitse maatregel, welke aan de politie is opgedragen”. Een van de aanwezigen zegt hierop: "Ze weten toch wel dat we geen vrienden van Joden zijn”. Den Besten verklaart dat hij gezegd heeft dat ze terug kunnen komen, zodra ze zich omgekleed hebben - dus zonder uniform.

In een naoorlogs onderzoek naar het functioneren van de Apeldoornse politie, specifiek gericht op het antisemitisme dat politiechef Meijer in de oorlog laat zien, komt in een verslag deze gebeurtenis naar voren: ‘In de zomer van 1942 moesten alle Joodse personen hun rijwielen inleveren. Enkelen leverden in plaats van een goed, een oud rijwiel in. Politiechef Meijer liet vijf Joodse personen, die zulks hadden gedaan, arresteren en overbrengen naar de SD. Geen dezer personen is, zover bekend, teruggekeerd. Na deze inlevering ontzag Meijer zich niet, om - naar hij zegt op aandringen van een Duitse officier - zijn eigen oude rijwiel om te ruilen voor een beter rijwiel, dat door Joodse personen was ingeleverd.’ 

Meijer getuigt dat de nazi’s na de invorderingsactie honderd fietsen komen ophalen. ‘Sturmbannführer Nageler, die blijkbaar wist, dat ik een oud rijwiel had, stond erop, dat ik dit omwisselde voor een beter rijwiel. Ik heb daarop mijn rijwiel omgeruild met een door de Joden ingeleverd rijwiel. Of nog meerdere personen op soortgelijk wijze hun rijwiel omgewisseld hebben weet ik niet, doch ik acht dit niet uitgesloten.’ En over het moment van de inleveractie: “In verband met vorenstaande rijwielinlevering kan ik mij herinneren, dat meerdere Joden in plaats van een goed rijwiel een oude gammele fiets hadden ingeleverd, hetgeen de met de in ontvangstname belaste menschen (NSB’ers) was opgevallen of daar op andere wijze van in kennis gesteld waren. Dit werd mij gerapporteerd en ik heb toen een zestal Joden hiervoor, en omdat zij met deze rijwielen zonder vergunning handel gedreven hadden met Ariërs, laten arresteren en vijf daarvan naar de SD te Arnhem laten overbrengen. De Jood [David Aron] Spier [1904-1943], die ook was gearresteerd, kon aantoonen dat hij vrijuit ging, redenen waarom deze door mij in vrijheid werd gesteld. Ik vermoed dat de naar Arnhem overgebrachte Joden naar Westerbork zijn afgevoerd.” Aansluitend somt Meijer de namen op: Asser de Jong (Catharina van Reesstraat 11), Joseph Leverpoll (Arnhemseweg 93 II), Abraham Levie (Asselsestraat 135), Meijer Jozeph Philips (Kerklaan 37) en tenslotte ook Julius. Deze mannen worden per politieauto naar de Sicherheitsdienst in Arnhem overgebracht.

Julius wordt op 29 juni 1942 overgebracht naar de Sicherheitsdienst en wordt daar tot 8 juli vastgehouden, waarna hij naar Kamp Amersfoort wordt overgebracht. In Arnhem wordt Julius als volgt omschreven: 1 meter 69 lang, blauw/groene ogen, blond haar en dito wenkbrauwen, een hoog voorhoofd, zijn gezicht is ovaal van vorm, een ronde kin met een gezonde kleur, zijn neus en mond zijn ‘gewoon’. 

Julius komt terecht in Kamp Amersfoort. Er is geen documentatie bewaard gebleven uit de periode dat hij hier is geïnterneerd. Ook de broers Ruub Rubens (1916-1942) en Wim Rubens (1919-1942) worden dan naar Amersfoort overgeplaatst (zij waren al eerder bij de Sicherheitsdienst ingesloten).

Op 16 juli 1942 loopt Julius, met enkele honderden andere gevangenen, van het kamp naar treinstation Amersfoort. Onder hen ook Asser de Jong en Abraham Levie. Van hieruit wordt Julius naar Hooghalen gedeporteerd. Een dag eerder is het allereerste transport met Joden uit deze Drentse plaats vertrokken. In Hooghalen moet hij kort de trein uit om in Kamp Westerbork te worden geregistreerd. Daar worden meer gevangenen aan het transport toegevoegd. De trein vertrekt vervolgens naar het vernietigingskamp Auschwitz. Een archivaris van het Auschwitz-museum maakt melding van het feit dat op de dag van aankomst nog een trein uit Nederland als inkomend is geregistreerd. Dit zou moeten verwijzen naar het allereerste transport dat een dag voor de deportatie van Julius uit Hooghalen is vertrokken.

Julius krijgt een tattoo op zijn linkerarm met het nummer 48176. Nog geen drie maanden na aankomst in Auschwitz sterft hij. Dwangarbeid, executie of een andere wijze om hem om het leven te brengen, veroorzaakten zijn dood. Doorgaans vonden executies de laatste dag van elke maand plaats. Julius’ bij wet vastgestelde overlijdensdatum is 30 september 1942.

18 juni 2025

Copyrights: Attribution Non-commercial Share Alike