Addition

Chaim en Selma Engel–Wijnberg getuigen op 22 juni 1946 over Sobibor

Selma (1922)  en Chaim (1916 - 2003) Engel-Wijnberg overleefden het vernietigingskamp Sobibor. Op 22 juni 1946 legden zij  ten overstaan van twee rechercheurs van de Commissie Opsporing Oorlogsmisdrijven te Zwolle een aangrijpende getuigenis af over wat hen tijdens de oorlogsjaren is overkomen. Selma vertelt gedetailleerd hoe zij in Sobibor terecht is gekomen en hoe de selecties bij aankomst verliepen. Ze geeft een nauwkeurige beschrijving van de inrichting van het kamp en beschrijft hoe de massamoord in Sobibor werd uitgevoerd. Ook verhaalt zij over de dwangarbeid die ze moest verrichten en de gruwelen waarvan ze getuige was. Tot slot doet ze verslag van de opstand en haar vlucht uit het kamp. De getuigenis van Chaim is beknopter, maar ook hij geeft details over zijn dwangarbeid en de terreur van de SS tegenover de dwangarbeiders. Tot slot portretteert hij een aantal in Sobibor werkzame SS’ers.

Inleiding

Tussen 2 maart en 20 juli 1943 arriveerden negentien treinen met 34.313 gedeporteerden vanuit Westerbork in het vernietigingskamp Sobibor. Van hen zijn er omstreeks 1.000 niet direct vergast, maar eerst te werk gesteld in Sobibor en kampen in de omgeving. Uiteindelijk overleefden van deze 1.000 slechts drie mannen en vijftien vrouwen alle gruwelen. Selma Wijnberg en Ursula Stern verbleven langere tijd in Sobibor, de zestien anderen werden enkele uren na aankomst vanuit Sobibor naar andere kampen doorgezonden.

Op 14 oktober 1943 kwamen de Joodse dwangarbeiders in het kamp in opstand tegen de SS en hun Oekraïense helpers. Ongeveer 300 gevangenen wisten te ontsnappen, van wie er uiteindelijk 47 de oorlog hebben overleefd. Na de opstand heeft de SS getracht alle sporen uit te wissen door het kamp te ontmantelen, alle documentatie te verbranden en het terrein met bomen te beplanten. Alle bewijsstukken moesten verdwijnen.

Het handjevol overlevenden van de opstand heeft echter kunnen getuigen hoe de systematische vernietiging zich in Sobibor heeft voltrokken. Onder hen Selma Wijnberg (Groningen 1922) en haar Poolse medegevangene en latere echtgenoot Chaim Engel (1916 - 2003). In Selma, de vrouw die Sobibor overleefde beschrijft Ad van Liempt het dramatische verhaal van haar onderduik en deportatie, haar verblijf als dwangarbeidster in Sobibor, de opstand en ontsnapping, de onderduik samen met haar man in Polen tot de bevrijding door de Russen in juli 1944, hun terugkeer naar Zwolle, de kille ontvangst in Nederland en hun uiteindelijke emigratie, eerst naar Israël, later naar de Verenigde Staten.

Op 22 juni 1946 leggen Selma en Chaim Engel-Wijnberg ten overstaan van twee rechercheurs van de Commissie Opsporing Oorlogsmisdrijven te Zwolle een aangrijpende getuigenis af over wat hen tijdens de oorlogsjaren is overkomen. Selma vertelt gedetailleerd hoe zij in Sobibor terecht is gekomen en hoe de selecties bij aankomst verliepen. Ze geeft een nauwkeurige beschrijving van de inrichting van het kamp en beschrijft hoe de massamoord in Sobibor werd uitgevoerd. Ook verhaalt zij over de dwangarbeid die ze moest verrichten en de gruwelen waarvan ze getuige was. Tot slot doet ze verslag van de opstand en haar vlucht uit het kamp. De getuigenis van Chaim is beknopter, maar ook hij geeft details over zijn dwangarbeid en de terreur van de SS tegenover de dwangarbeiders. Tot slot portretteert hij een aantal in Sobibor werkzame SS’ers.

Mede op basis van de verklaring van Selma en de weinige andere overlevenden schetst het Nederlandse Rode Kruis begin 1947 in het rapport Sobibor voor het eerst een alomvattend beeld van de omvang van de tragedie. Justitie volgt het rapport in de bepaling van de administratieve sterfdatum van de slachtoffers in de overlijdensakten van de burgerlijke stand.

Bronnen:

De getuigenis van Chaim en Selma Engel-Wijnberg bevindt zich in het Historisch Centrum Overijssel, Archief Sub-Commissie Opsporing Oorlogsmisdrijven, doos nummer 7.

De rapportage Sobibor van het Nederlandse Rode kruis is online te vinden op: http://www.geheugenvannederland.nl/nl/geheugen/view/sobibor%20haas%20landsberger%20selowsky?query=Sobibor&page=1&maxperpage=36&coll=ngvn&identifier=EVDO02%3ANIOD05_7880

Voor meer informatie over Selma Engel-Wijnberg:
Ad van Liempt, Selma, de vrouw die Sobibor overleefde (Laren 2010).

Voor meer informatie over het vernietigingskamp Sobibor:
Jules Schelvis, Vernietigingskamp Sobibor (Amsterdam 2008).

http://www.sobiborinterviews.nl/

Nu volgt de letterlijke tekst van de getuigenis Chaim en Selma Engel-Wijnberg

Proces-verbaal

Op zaterdag 22 juni 1946 verscheen voor ons Roelof Lohman en Barend Herm. Jan Johannes Kroeze, respectievelijk hoofd-agent rechercheur en agent rechercheur der gemeentepolitie te Zwolle, beiden tevens onbezoldigd rijksveldwachter,
SAARTJE WIJNBERG
Geboren 15 juni 1922 te Groningen, echtgenoote van C. Engel, wonend aan de Veemarkt no. 23 te Zwolle, die ons als volgt verklaarde:
“In December 1942 werd ik als jodin in Bilthoven, waar ik ondergedoken was, gearresteerd. Eerst werd ik ingesloten in het Huis van Bewaring te Amsterdam en eind Januari of begin Februari 1943 met een groot transport joden overgebracht naar het concentratiekamp Vught. Op 1 April 1943 werd ik overgebracht naar het kamp Westerbork en op 6 April 1943 met een transport van ongeveer 2000 joden vandaar naar Sobibor gevoerd. Sobibor ligt in Polen op een afstand van ongeveer 40 kilometer van Chelm en 200 kilometer ten Oosten van Warschau. Het bleek mij weldra dat het kamp Sobibor geheel was ingericht als vergassingslager. Onmiddellijk bij aankomst aldaar, dit was op 9 April 1943, werden de vrouwen van de mannen gescheiden. De kinderen werden vrij gelaten met wie zij mee wilden gaan. Om een beeld te geven van de indeeling van het kamp het volgende. Het kamp bestond uit drie lagers en wel Lager I, bestemd als verblijfs- en werklager, Lager II waarin zich magazijnen en ontkleedruimten bevonden, en Lager III waarin zich de vergassingsbarak en het crematorium bevond. De bewaking bestond uit Oekraïners, dit waren oorspronkelijke
Russische krijgsgevangenen die zich gemeld hadden bij de SS. Duitsche SS lieden waren belast met de algeheele leiding in het kamp.
Nadat de mannen en vrouwen van ons transport na aankomst van elkaar gescheiden waren, werd een 30 tal jonge vrouwen en een 70 tal mannen uitgezocht en aangewezen voor werkzaamheden in het kamp. Ook ik werd hierbij uitgezocht en aangewezen voor werkzaamheden in Lager II.
De overigen van het transport werden in groepen van 500 à 600 overgebracht naar de ontkleedruimte in Lager II. Daar werden zij toegesproken door de Oberscharführer Michels, die hen mededeelde dat zij eerst zouden worden ontluisd en daarna voor tewerkstelling zouden worden overgebracht naar de Oekraïne. Dit alles geschiedde met het doel de slachtoffers zonder moeite naar de vergassingsbarak te krijgen. Hierna werden de haren van de vrouwen geknipt en moesten zij zich geheel ontkleedden. De vrouwen moesten zich in de barak ontkleedden, de mannen buiten. Vervolgens werden zij met de kinderen onbewust van het lot dat hen wachtte overgebracht naar de vergassingsbarak in Lager III. Deze barak bestond uit een groote ruimte waarin douches waren aangebracht. Uit deze douches kwam echter geen water doch gas waardoor allen de verstikkingsdood stierven. Vanuit Lager II zag ik de slachtoffers de vergassingsbarak binnengaan. Buiten hoorde men dan het bekende geluid wanneer een groot aantal menschen in een beperkte ruimte samen zijn, hetgeen weldra overging in gejammer en geschreeuw. Korten tijd later werd alles stil. Het is mij bekend dat de vloer van de vergassingsbarak uit twee deelen bestond. Deze gingen dan vaneen en de lijken der slachtoffers werden in trolly’s welke onder deze barak doorliepen opgevangen en daarmee getransporteerd naar het crematorium. Eenige uren later zag men dan in Lager III een groot vuur branden en hing er een verschrikkelijke stank over het kamp. Het crematorium bestond uit een in den grond ingebouwde oven.
Wat het werk betreft van de uitgezochte mannen en vrouwen het volgende: een gedeelte van de vrouwen en mannen werd tewerk gesteld in het Lager I waar zich werkplaatsen bevonden zooals bakkerij en smederij, kleermakerij enz.. Een ander deel, waaronder ook ik, werd tewerk gesteld in Lager II en belast met het sorteeren van de kleeding van de vergaste gevangenen. Deze kleeren werden na sorteering opgeslagen in magazijnen en later naar Duitschland verzonden. Aangezien de meeste joden hun kostbaarste bezit op transport hadden meegenomen waren hierbij dingen van groote waarde. Ook het afgeknipte haar werd verzameld en naar Duitschland gezonden. Levensmiddelen, voorzoover het conserven betrof, kwamen ter beschikking van de bewaking.
Een deel van de uitgezochte mannen werd bestemd voor de arbeid in Lager III. Zij waren belast met het transport van de lijken van de vergassingsbarak naar het crematorium en tevens belast met het verzamelen van de kostbaarheden zooals ringen en dergelijke. Door deze gang van zaken kwam het voor dat sommigen hun eigen familieleden naar het crematorium moesten brengen en verbranden. Geen van de in Lager III tewerk gestelden verliet dit Lager levend. Waren op deze wijze eenige transporten opgeruimd dan omsingelden de Duitschers plotseling Lager III en schoten alle daar tewerkgestelden dood. Uit een nieuw transport of uit Lager I en II werden dan weer nieuwe arbeiders voor Lager III gezocht die na eenigen tijd aldaar te hebben gewerkt, op hun beurt ook weer op dezelfde wijze werden afgemaakt.
Bij de transporten van Nederlandsche joden leverde de vergassing voor de Duitschers geen moeilijkheden op, daar zij totaal onbewust waren welk lot hun wachtte. Bij de transporten van Poolsche joden was dit echter anders gesteld. Het bestaan van het kamp en de gang van zaken was blijkbaar in Polen uitgelekt. Indien er transporten Poolsche joden kwamen, verzetten deze zich tegen het bevel zich te ontkleedden omdat zij wisten dat dit het voor spel was van hun dood. Zij werden dan door de bewaking met behulp van bloedhonden naar de vergassingsbarak gedreven waarbij de Duitschers dan lukraak met hun pistolen of geweren in de menschenmenigte schoten waarbij ettelijke slachtoffers vielen. Velen werden dan op deze wijze gewond en dan rechtstreeks naar het crematorium getransporteerd en daar levend verbrand.
Ik kan mij herinneren dat er eens een transport Poolsche joden aankwam. Dit transport had reeds acht dagen per trein door Polen gezworven. In elke veewagen waarin deze joden waren opgesloten zaten soms 250 joden samengepakt. Deze waren reeds in een ander kamp ontkleed en bij aankomst geheel naakt. Ook hadden zij gedurende deze tijd geen eten of drinken gehad. Elke wagon bevatte bij aankomst reeds een groot aantal dooden, terwijl van de overlevenden verschillende krankzinnig waren. In het kamp was een perron gebouwd waar de trein voorreed. Trolly’s werden dan voor de wagons gereden en zoowel de lijken als de levenden werden op deze wijze naar Lager III gebracht. Op deze wijze werden ook bij andere transporten ouden van dagen of gebrekkigen zonder onderscheid tusschen levend of dood naar Lager III getransporteerd. Deze wijze van overbrengen heb ik meerdere malen gezien doordat de trolly’s onze barakken passeerden. Men zag dan soms gedeeltelijk ontvleeschde lichaamsdeelen boven de trolly’s uitsteken.
Op een dag werd het kamp Belchitz, dat in de buurt van Sobibor lag, opgeheven. Ook dit was een vergassingslager. Het overgebleven personeel, allen gevangenen, was medegedeeld dat zij in ons Lager tewerk gesteld zouden worden. Toen zij bij aankomst in Sobibor opdracht kregen zich te ontkleedden, weigerden zij dit, daar zij toen begrepen welk lot hun wachtte. Wat er toen precies gebeurde kon ik niet zien, doch ik hoorde schieten. Eenige uren later kreeg ik en andere medegevangenen opdracht de kleedingstukken van deze gevangenen te sorteeren en het bleek dat deze geheel met bloed doordrenkt waren en verschillende kogelgaten vertoonden. Hieruit kon dus worden afgeleid dat deze gevangenen waren doodgeschoten. Naar schatting waren dit ongeveer 30 personen.
Zelf ben ik getuige geweest van het volgende. In het kamp werden eenige varkens gehouden die werden verzorgd door een Poolsche jodenjongen. Een der varkens werd ziek. De SS. Oberscharführer Frenzel verweet dit aan de Poolsche jongen. Frenzel zeide dat hij voor straf naar Lager III zou worden gebracht. De jongen die zeer goed begreep dat dit het einde van zijn leven beteekende, liep toen uit de nabijheid van Frenzel weg. Frenzel schoot toen de jongen neer. Hierop liep hij op de jongen, die slechts gewond was, toe. Hij greep een voorwerp dat in zijn nabijheid lag, wat dit was weet ik niet en gaf de jongen hiermede eenige verschrikkelijke slagen waardoor diens buik werd opengereten en beide armen werden gebroken. De jongen die ondanks zijn verwondingen nog bij kennis was, werd hierna op last van Frenzel op een plank gelegd, waarna Frenzel de jongen door vier joden door het kamp liet dragen. Frenzel zeide dat een ieder die trachtte te vluchten dit lot te wachten stond. Over het zieke varken werd door hem niet meer gesproken. De gewonde jongen die reeds stervende was, vroeg aan zijn medegevangenen om hem te wreken. Op het voorplein voor Lager III trok Frenzel zijn pistool en maakte de jongen met een pistoolschot af.
Omstreeks September 1943 kwamen er eenige transporten Russische joodsche krijgsgevangenen. Ook hiervan werden een aantal uitgezocht voor werkzaamheden in het kamp. Deze beraamden met een aantal Poolsche joden een plan om uit te breken. Reeds meerdere malen waren dergelijke plannen voorbereid, doch steeds weer verraden. Het gevolg hiervan was dat een groot aantal tewerkgestelden werd doodgeschoten. Om deze reden was het plan der Russen en Polen slechts aan weinigen bekend gemaakt. Op 14 October 1943 werd des middags het sein gegeven voor een algemeene opstand. Een gedeelte van de kampleiding was afwezig. Van de bewakers werden 16 Duitschers en Oekraïners door de gevangenen afgemaakt. Daarna begon de stormloop op de prikkeldraad omheining van het kamp. Van de 600 gevangenen die toen nog in het kamp waren zijn er, voor zij de omliggende bosschen hadden bereikt, nog honderden in de omliggende mijnenvelden terecht gekomen en verongelukt. Ik had in het kamp kennis gekregen aan een Poolsche jongen die ook als gevangene in Lager II werkte, met wien ik thans getrouwd ben. Ik ben met mijn man en ongeveer 40 anderen Polen ingetrokken. Later hebben mijn man en ik ons afgescheiden en zijn wij ondergedoken bij een Poolsche boer in Rakoduby. In Juli 1944 werden wij bevrijd door de Russen. Wij zijn toen nog een tijd in Polen gebleven en hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om nog een bezoek te brengen aan het kamp Sobibor. Het bleek ons toen dat het kamp in het geheel niet meer bestond en de plaats bezaaid was met rogge. In de omgeving werd ons verteld dat na onze vlucht de achtergebleven gevangenen door de Duitschers waren afgemaakt en het kamp daarna door de Duitschers was platgebrand. In Juni 1945 zijn wij via Czernowitz, Odessa en Marseille naar Nederland gereisd.
Ik kan mij nog herinneren dat tijdens mijn verblijf in het kamp Sobibor een zeer hoog Duitsch officier een bezoek bracht aan het kamp. Blijkbaar was dit reeds eenige dagen tevoren bekend want al het in het kamp door de kampleiding gehouden pluimvee en de varkens werden verstopt in de omliggende bosschen. Tijdens het bezoek van deze officier werden er juist een aantal gevangenen vergast en verbrand. De officier sloeg de vergassing gade door een kijkglas in de wand van de vergassingsbarak. Wie deze officier was weet ik niet en ik kan U ook geen beschrijving van hem geven.
Mijn man die reeds een half jaar voor mij in het kamp was gekomen zal U omtrent de bewakers wel nadere bijzonderheden kunnen geven. Voorzoover mij bekend is behalve mijn man en ik uit het kamp Sobibor alleen nog in Nederland teruggekeerd een zekere Ursula Stern, wonende Haagstraat 13 te Utrecht”.

Vervolgens hoorden wij:
CHAIM ENGEL
Geboren te Brudzew (Polen) 10 Januari 1916, vertegenwoordiger, wonende aan de Veemarkt 23 te Zwolle, die verklaarde:
“In October 1942 werd ik bij een razzia in Izbich (Polen) opgepakt en met een transport joden vervoerd naar het kamp Sobibor. Met 28 andere mannen werd ik uitgezocht en in het kamp tewerk gesteld. De rest van het transport, met uitzondering van een aantal joodsche vrouwen, die ook tewerk werden gesteld, werd hierna vergast en verbrand op de reeds door mijn vrouw beschreven wijze, bij wiens verklaring ik mij geheel aansluit.
Onderanderen was ik belast met het knippen van het hoofdhaar van de vrouwen voordat zij de vergassingsbarak binnengingen. Gedurende de winter werkte ik aan een graafmachine. Hiermede werden de lijken opgegraven van de slachtoffers die in de beginperiode van het kamp waren vergast en begraven, aangezien men toen nog niet over een crematorium beschikte. De opgegraven lijken werden hierna alsnog verbrand. Hiermede zijn vele maanden gemoeid geweest.
In aansluiting van de verklaring van mijn vrouw wil ik nog enkele voorbeelden van de behandeling in het kamp aanhalen. Voor het minste vergrijp werd men onmiddellijk doodgeschoten. Persoonlijk ben ik er van getuige geweest dat de SS. Oberschar-
führer Wagner een jood doodschoot die bij het sorteeren van levensmiddelen, afkomstig van vergaste joden, een blikje sardines openmaakte om de sardines op te eten.
Er werd vermoed dat de Nederlandsche gevangenen een plan tot opstand hadden voorbereid. Op last van den SS. Oberscharführer Frenzel werden toen 72 Nederlandsche tewerk gestelde gevangenen doodgeschoten als afschrikwekkend voorbeeld.
Het is mij bekend dat blijkens medeeling van tewerkgestelde gevangenen in de schreibstube op de reeds door mijn vrouw omschreven wijze ongeveer 1000.000 menschen in het kamp zijn vermoord of vergast en daarna verbrand.
Op 14 October 1943 bij de door mijn vrouw beschreven opstand ben ik met haar gevlucht. In Polen heb ik na de bevrijding nog vele nasporingen gedaan naar overgebleven lotgenooten. Het staat voor mij vast dat slechts een veertigtal personen de ontvluchting hebben overleefd. De rest is of omgekomen in de mijnenvelden rond het kamp of door hun onbekendheid in Polen weer in handen der Duitschers gevallen.
Tijdens mijn verblijf in het kamp Sobibor zijn mij verschillende namen van de Duitschers die de leiding in het kamp hadden bekend geworden. De naam van de kampcommandant kan ik mij niet meer herinneren. Ik herinner mij de namen van de volgende personen:

de SS-Oberscharführer WAGNER, deze is afkomstig uit Weenen. Zijn signalement luidt als volgt: oud thans ongeveer 33 jaar, lang ongeveer 1.80 m., zeer flink postuur, donker blond haar, spreekt Italiaansch en Engelsch. Wagner was een groot sadist en heeft onderanderen meerdere malen de zieken uit de barakken naar Lager III laten brengen.

SS-Oberscharführer FRENZEL, dit was een slager afkomstig uit Berlijn. Signalement: oud ongeveer 38 jaar, lang ongeveer 1.70 à 1.75 m., geweldig dik, blond haar.

Oberscharführer MICHELS, signalement: oud ongeveer 32 jaar, middelmatige lengte, smal postuur, donker haar, donkere oogen. Hij was dengene die de gevangenen voor hun vergassing mededeelde dat zij ontluisd zouden worden.

SS-Scharführer of Oberscharführer GOMERSKI, een bekend bokser uit Silesië, oud ongeveer 34 jaar, lang 1.65 à 1.68 m. blond haar echt bokserstype. Gomersky heeft er zich tegenover ons op beroemd dat hij in Lager III een jood met 12 zweepslagen had doodgeslagen.

SS-Unterscharführer WOLFF, was van beroep fotograaf. Had een fotozaak gehad in Oostenrijk, vermoedelijk in Weenen. Signalement: oud ongeveer 40 jaar, lang 1.65 m., zwart grijzend haar. Maakte zich veel aan mishandeling van vrouwen schuldig.

NOWAK, van beroep kapper, oud ongeveer 28 jaar, klein gezicht, donker haar. Hij had de rang van Unterscharführer.

WEISS, oud ongeveer 30 jaar, licht blond haar, smal gezicht. Nauwkeurig signalement niet bekend.

Verder zijn mij nog de namen bekend van bewakers waarvan ik echter geen signalement kan opgeven en wel:
de Obersturmführer ROSS, een zekere BUHR, een zekere Van der KAMP. Laatstgenoemde heeft vroeger in Polen gewoond en heeft daar nog een broer wonen. “

Waarvan door ons op afgelegden ambtseed is opgemaakt, geteekend en gesloten dit proces verbaal.

ZWOLLE, 7 Juli 1946.
(R. Lohman) get.
(B.H.J.J. Kroeze) get.

All rights reserved