Addition

Persoonlijke herinneringen aan de Delftse Joden (deel 2)

Het gezin Van Hoorn aan de Julianalaan 54 te Delft

De Delftse Joden voor en tijdens de oorlog, hoe herinner ik mij hen? Hoe waren onze Joodse buren, hoe leefden zij, wat gebeurde met hen? Ik was 11 jaar toen de oorlog uitbrak en kan de Joodse Delftenaren uit mijn directe omgeving alleen beschrijven met de ogen van een roodharig meisje dat als enig kind beschermd opgroeide tussen liefhebbende ouders. Ik zal de families of gezinnen die ik mij nog goed voor de geest kan halen en waaraan ik dierbare herinneringen koester, in afzonderlijke delen beschrijven. Hierna volgen mijn herinneringen aan het gezin Van Hoorn.

Reni Jeidels, Beertje van Hoorn en zijn zus Emmy van Hoorn voor hun ouderlijke huizen aan de Julianalaan in Delft, ongeveer 1937

All rights reserved

De familie Van Hoorn & de brieven van Emmy

Maurits van Hoorn

Onze naaste buren aan de Julianalaan op nummer 54 waren Joods. Het was de familie Van Hoorn die bestond uit vader Maurits, moeder Hilda Katz en de kinderen Emma (‘Emmy’) en Berend (‘Beertje’). Maurits van Hoorn was een Groninger uit ’t Zand. Sinds zijn komst naar Delft in 1922 was hij als leerkracht verbonden aan de ulo aan de Rotterdamscheweg. Daarnaast gaf hij Duitse les op de Handelsavondschool.
Op een dag tijdens de oorlog terwijl hij lesgaf aan de ulo, werd hij uit de klas gehaald. Hij mocht de school niet meer in. Zijn leerlinge Ietje Koet stond op in de klas en zei: "Ik verlaat onder protest de school." (De Delftse Koetlaan is vernoemd naar Karel Reinier Koet, verzetsstrijder. Ik vermoed dat dit Ietjes vader is.)
Na zijn ontslag vond Maurits van Hoorn een baan op een Joodse school in Den Haag. Soms noemde hij zijn dochter liefkozend 'Emmeke'.
Maurits van Hoorn was jarig op 27 januari. Dit was tevens de verjaardag van de laatste Duitse keizer Willem II (1859-1941) en af en toe werd hij daarmee geplaagd. Willem II had een zo goed als verlamde linkerarm, Van Hoorn een verlamde rechterarm.

Hilda van Hoorn

Mevrouw Hilda van Hoorn-Katz kwam uit Langenholzhausen in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Zij bakte heel vaak boterkoek. Zij noemde haar echtgenoot Maurits ‘Mo’ en was een bezorgde, lieve moeder. Zij sprak net zo gebrekkig Nederlands als mijn moeder, iets wat mijn moeder overigens altijd heeft betreurd. Maar daardoor konden deze twee vrouwen in ieder geval wel goed met elkaar praten. (En mijn moeder de Duitsers voor de gek houden, zie deel 1, het verhaal over het gezin Jeidels waarin ikzelf opgroeide.) Hilda en Anny zijn in Delft samen een keer naar de bioscoop geweest, naar een operette uit 1930 genaamd "Die Drei von der Tankstelle". Blijkbaar was de film een groot succes want de dames liepen zingend naar huis.
Hilda deed altijd de was op zondag (niet op sjabbat) en hing het wasgoed, indien maar enigszins mogelijk, op in de tuin. Anny heeft toen een keer voorzichtig geopperd dat zij dat in de (christelijke) omgeving waarin zij woonden beter niet kon doen. Daar gaf Hilda toen meteen gehoor aan.

Beertje van Hoorn

De familie Van Hoorn had geen telefoon. Ons gezin beschikte wel over een telefoon die bij de trap hing. (Later moest dit toestel, tezamen met de fiets en radio van mijn vader ingeleverd worden.) Op een dag stuurden vader en moeder Van Hoorn Beertje op ons af met een speciale boodschap. Hij moest meneer Martin Cohen van boekhandel Academia aan de Oude Delft bellen om te vragen hoe laat de chanoekalichtjes aangestoken moesten worden. Met onze telefoon in de hand gedrukt, stak Beertje meteen van wal: "Dag meneer Cohen, wanneer moeten wij de cha-cha-cha..." Verder kwam hij niet, wij allemaal moesten vreselijk lachen, Beertje zelf ook. Dapper begon hij opnieuw maar ook nu wilde het woord “chanoeka” niet lukken. We kregen allemaal de slappe lach. Nadat mijn moeder het gestuntel een tijdje had aangekeken, nam zij het gesprek over. Toen bleek Beertje verkeerd verbonden te zijn…
De familie Van Hoorn nam geen kerstboom in huis. Emmy en Beertje vonden dat erg jammer en kwamen graag naar onze boom kijken. Mijn vader rommelde een keer wat met de elektrische kaarsjes en zei tegen Beertje: “Als je hard blaast, gaan alle kaarsjes aan." Waarop de jongen blies dat het een lieve lust was. Vervolgens zei mijn vader: "En als je nu nog een keer hard blaast, gaan ze weer uit." We hadden allemaal enorm veel plezier om het blazende kind, behalve zijn moeder die het toch een beetje dom van 'm vond.
Beertje was te klein om bij de deurbel te kunnen en te jong voor een eigen huissleutel. Als hij naar binnen wilde, riep hij altijd door de brievenbus: "Open, open!"

Emmy van Hoorn

De kinderen Van Hoorn kregen weinig cadeautjes. Wel kan ik mij nog duidelijk herinneren dat Emmy het boek ‘Alice in Wonderland’ van haar vader had gekregen. Dit weet ik nog zo goed omdat ik Emmy eens hardop uit dit boek heb horen voorlezen aan Beertje. Onze slaapkamertjes grensden namelijk aan elkaar. De tussenmuur kan dus niet heel erg dik geweest zijn.
Emmy was een lang meisje voor haar leeftijd, had sproeten en zwarte krullen. Door een verkeerde lichaamshouding liep zij altijd een beetje krom. Een dokter schreef haar een houdingscorrectiecorset voor en een gipsbed waar zij iedere nacht in sliep. Dat ik haar hier nooit over heb horen klagen, toont toch wel wat een dapper meisje Emmy was. Zij en ik waren dikke vriendinnen. Wij zaten allebei op de Openbare Lagere School op nummer 11 aan de Van Speykstraat, een zijstraat van de Rotterdamscheweg. Wij waren even oud maar zaten niet in dezelfde klas omdat Emmy op 27 augustus (1934) 6 jaar was geworden en ik pas op 25 december. Mijn verjaardag op eerste kerstdag heb ik gedurende mijn lagereschooltijd precies een halfjaar later in de zomer op 25 juni met een kinderfeest gevierd omdat er op eerste kerstdag nooit iemand langskwam.
Emmy hield erg van mopjes. De volgende twee dubieuze (kinder)moppen waar wij samen de grootste lol om hadden, heb ik van haar:
Kaatjes moeder stuurde haar dochter naar de kruidenier voor een onsje thee. In de winkel beland, maakte Kaa een praatje met de leuke winkeljongen achter de toonbank. Ze betaalde en liep weg maar vergat de thee. Waarop de leuke jongen haar achterna riep: "Kaa, uw thee!"
Of anders het volgende mopje. Een vrouw komt bij haar tandarts voor controle. Na deze controle zorgvuldig te hebben uitgevoerd zegt de tandarts: "Mevrouw, u hebt een prachtig gebit maar in uw achterste zit een gaatje..."

Droevige ogen

Mijn kennis Arnold de Borst, nu wonende te Canada, herinnert zich Karin Selowsky (Duits-Joods vriendinnetje/buurmeisje uit Dresden, ook wonende aan de Julianalaan op nummer 74, zie ook het volgende deel 3) en Beertje van Hoorn als volgt. "Karin en Beertje zaten bij elkaar in de klas. Ik zat tezamen met hen bij juffrouw Hombroek in de eerste en tweede klas (nu groep 3 en 4) van de Openbare Lagere School in de Van Speykstraat. Beertje was slordig op school. Hij schreef slordig en kreeg ook standjes. Daar gaf hij niets om, hij was een vrolijk jongetje. Karin was verlegen in de klas en erg op zichzelf. Zij was heel lief, heel tenger. Haar prachtige ogen zal ik ook nooit vergeten. Ze had grote, bruine, droevige ogen."

Poëzieversjes

Hier volgt een gedichtje dat Emmy schreef in mijn poëziealbum:
"Delft, 10 februari 1938
Beste Reni,
’t Is weinig van waarde.
Hetgeen ik u bied.
Pluk rozen op aarde.
En vergeet mij niet.
Ter herinnering aan je vriendinnetje Emmy van Hoorn"

En Maurtis van Hoorn schreef het volgende in mijn album:
"Delft, 20 januari 1941
Beste Reni!
Enkel vreugd en nooit verdriet.
Dit lot vindt men op aarde niet.
‘k Mag dus niet wensen, dat dit leven.
Je enkel blijdschap moge geven.
Maar dit wens ik van ganser hart:
Ontvang veel vreugde en weinig smart.
Ter herinnering aan M. van Hoorn"

Brief naar het ziekenhuis

Hier wil ik een brief citeren die Emmy van Hoorn schreef toen ik in 1942 in het rooms-katholieke Sint Hippolytus ziekenhuis aan de Delftse Phoenixstraat was beland met een acute blindedarmontsteking. Kinderen werden niet tot het bezoekuur toegelaten, vandaar dat Emmy mij schreef.
De brief geeft een indruk van dit dappere meisje van bijna 14 jaar en hoe zij zich aan de omstandigheden heeft aangepast.

"Delft, 18 Juli 1942
Beste Renie,
Hoe gaat het met je? Bij mij nog steeds op twee benen. Het bevalt je daar nogal goed hè? Ik wilde je op gaan zoeken maar je moeder zei dat er alleen maar mensen boven de achttien jaar toegelaten werden. Ik heb me in de vacantie nog niet zo erg verveeld. Jij bent op het ogenblik uit logeren. Wanneer denk je weer eens thuis te komen, Juffie? Nu moeten wij ons maar samen in de vacantie vermaken. Vader moet Maandagmorgen om half tien gekeurd worden. Hij is erg in de put, dat begrijp je zeker wel. Mijn vriendinnetjes Fine en Fredy hebben me in de vacantie geschreven. Fredy komt volgende week een dag bij mij en dan ik een dag bij haar. Zij gaat dan ’s morgens om half negen de deur uit. Ze moet lopen lopen van Rijswijk naar Delft. Ik ga ook om half negen de deur uit en ga haar dan tegemoet. Als ik naar haar toe ga, ga ik natuurlijk met de tram want ik heb een reisvergunning die tot 31 Augustus geldig is. Op mijn reisvergunning staat: "van Delft naar Den Haag." Dus als ik naar Fredy ga, is het wel een beetje gevaarlijk omdat ik dan niet in Den Haag maar in Rijswijk ben. Als ik naar Fredy ga, ga ik toch niet lopend, dan maar een klein beetje gevaar oplopen. Dan maak ik wel een smoesje tegen de conducteur. De meeste conducteurs zijn toch geen NSB'ers, dus het kan hun toch niet zo erg veel schelen. Karin (Selowsky) heeft Donderdagmiddags toch altijd (Joodse) les van den weledele Heer Levison, oftewel Lef. Nu had ze gevraagd of ik meeging. Ik vroeg aan moeder of ik mee mocht gaan maar die zei: "Geen sprake van, je hebt die man vroeger al genoeg geplaagd. Hij is blij dat hij van je af is." Ik ben daarom niet gegaan. Ik geloof vast dat Lef het toch wel fijn vond als ik meegegaan was want dan kon hij nog meer centen verdienen. Hij doet het om de centen. Hè, wat ben ik aan het roddelen. Nu toen moest Karin dus alleen naar Lef. Dat vond ze niet zo prettig. Maar ja, daar was niets aan te doen. Even later kwam ze terug en zei: "Em, Lef was er niet. Hij had zeker geen reisvergunning." Nu zij was allang blij. Je konijn groeit al aardig. Je moeder vertelde dat ze het konijnenhok schoongemaakt had. Je moeder had het eigenlijk niet moeten doen vind ik. Ze had het hok maar mee naar het ziekenhuis moeten nemen. Dan kon jij het wel in je schone bed schoonmaken. Je moeder hoefde dat dan niet te doen. Is dat nu geen prachtoplossing. Als je thuiskomt, mag je mijn rapport zien. Ik heb geen zin meer om het hier nog te vermelden. Liggen er aardige meisjes op de zaal? Nu Renie, ik ben helemaal uitgeput. Beterschap hoor! Hart. groeten van vader, moeder en Beer en speciaal van je vriendinnetje Emmy. P.S. Schrijf je gauw terug? Dáááááááááááááág"

Brief uit Westerbork

De volgende brief van Emmy kwam uit Westerbork:

"Westerbork, 9-3-43
Lieve fam. Jeidels en familie Van Weele (Van Weele waren kennissen in de Julianalaan),
Uit naam van moeder schrijf ik, daar deze zo moe is. Het telegram hebt u zeker wel ontvangen. Nu zitten we hier. Moeder zit hier zonder stopgaren en zonder naalden. Ook geen boter, want die had moeder opgenomen en staat nog in de kelder. Er staan ook nog 3 jampotten in de donkere kast op moeders slaapkamer. Een klein kaasje ligt in moeders klerenkast op zolder. Tegenover deze kast staat een koffer met iets thee. Dit hadden we alles zo graag hier. In de donkere kast op moeders slaapkamer hangt de badjas van moeder en daaronder een jurk, deze wilde moeder graag hebben voor het werk. In de kelder staat ook een blikken trommel met margarine en (in?) een groene pot met boter. Wilt u proberen met behulp van het politiebureau (Stenev). (Deze zin is niet afgemaakt). En ook nog haarspelden en veiligheidsspelden, die staan in een stroopdoos op moeders nachtkastje. Moeder heeft zoeven met uw schoonmoeder gesproken. (Emmy bedoelt mijn oma Jenny Jeidels-Stamm waarover in een apart deel meer.) Ze is erg flink evenals mevrouw Feldmann (Jennys zuster Lina), deze laatste is zéér flink. De Delftenaren zijn allen bij elkaar in een barak. Bij ons in de barak zijn ± 400 mensen. Wij mogen eens in de 14 dag. schrijven. Nu moet ik eindigen. Doet u de groeten van ons aan alle bekenden.
Nu lieve fam., hart. gr. van ons allen en een zoen van Emmy.
P.S. Maakt u niet ongerust over uw schoonmoeder en tante. Zij houden zich zeer flink. Zoudt u ook willen kijken naar vaders scheerapparaat? We zijn vaak bij Onkel Erich, u weet wel de broer van moeder."
De brief gaat verder met een paar regels van Emmys moeder, Hilda Van Hoorn-Katz: "Ik ben down, alle levensmiddelen zijn achtergebleven. Ik hoop dat daarvan wat gestuurd kan worden. Onder de badjas hangt een jurk met knopen welke helemaal open is, deze had ik graag. Op de nachtkast boven staat een doos met haarspelden enzov. de hartelijke groeten H. van Hoorn."
Op de achterkant van de envelop op de plaats voor de afzender staat: "M. van Hoorn en Katz, Barak 67, Westerbork (Dr)". Hilda van Hoorn heeft met potlood op de zijkant van de envelop nog geschreven: "stopgaren, naalden, haarsp., veiligheidsp."

Een hartverscheurende brief als je weet dat 2 weken later in Sobibor alles voorbij was.

Uithuisplaatsingen

In januari 1943 toen ons gezin binnen drie dagen ons huis aan de Julianalaan 56 had moeten verlaten om plaats te maken voor een Duitse officier, moest ook nummer 54 waar het gezin Van Hoorn woonde, ontruimd worden. Het gezin Van Hoorn moest gaan inwonen bij het gezin Selowsky (meer over dit gezin in deel 3) aan de Julianalaan nummer 74.

Deportatie

Op de dag in 1943 waarop alle Delftse Joden uit hun huizen werden gehaald door de Nederlandse politie, wilden de gezinnen Van Hoorn en Selowsky net aan tafel gaan voor de avondmaaltijd. De twee echtparen werden in een taxi naar het politiebureau aan de Oude Delft gebracht. Omdat er voor Emmy & Beertje van Hoorn en Karin & Peter Selowsky geen plaats was in de taxi, zijn de vier kinderen tezamen – geheel zonder begeleiding – naar het politiebureau gelopen omdat zij bij hun ouders wilden blijven.

"Open, open!"

De jonge kinderen van het gezin dat daarna aan de Juliananalaan 54 kwam te wonen, deden exact hetzelfde als Beertje. Zij riepen met dezelfde intonatie door de brievenbus: "Open, open!" Dit vonden mijn ouders en ik hoogst opmerkelijk. Het herinnerde ons telkens weer aan onze lieve buurjongen.

All rights reserved

Media