Addition

Herinneringen aan Sarphatistraat 88

Mevr. M.W. London-Bommels was in de jaren '30 bevriend met Liesje Blok (Klaartje Elisabeth Bloch). Toen ze hoorde van het gevonden 'archief Bloch' kwam ze naar het Joods Historisch Museum om te ontdekken dat het inderdaad de familie van haar vriendinnetje betrof, waar zij veel thuis was geweest. Gelukkig schreef ze nu wat van haar herinneringen op.

Sarphatistraat 88.

Na het lezen van de krantenartikelen begin augustus 2010 over de gevonden “schat” aan brieven, foto’s enz. betreffende de familie Bloch was ik aanvankelijk verward. Dit kon toch niet waar zijn? Alles: namen, data, adres – weliswaar zonder huisnummer – klopte met mijn belevenissen met de familie Blok en dan voornamelijk met dochter Liesje. Was hier een vergissing in het spel? Na mijn bezoek aan uw museum weet ik nu dat het een en dezelfde familie betreft.

Enige jaren waren Liesje en ik weekendvriendinnetjes. Mijn tante was kinderjuffrouw (nurse noemde zij zich) bij de familie. Vermoedelijk had Liesje geen vriendinnetjes in de buurt, die met haar spelen konden en mijn tante zal gedacht hebben dat haar nichtje misschien het gebrek aan contacten kon opvullen. Nu, dat was in de roos geschoten. Niet altijd, maar toch vaak, bezochten we elkaar over en weer en ik bleef ook dikwijls bij de familie in het weekend slapen. De familie noemde ons “Black and White” vanwege het verschil in uiterlijk. Wij vonden het allang best. Liesje zat op de Vrije School en leerde al heel jong Frans, waar ze mij op haar beurt weer les in gaf door liedjes voor te zingen als “Meunier tu dors..”, “Frere Jaques” etc. die ik phonetisch nazong. Aan tafel kon het wel eens gebeuren, dat de familie Frans sprak als iets niet voor kleine oortjes bestemd was. In die jaren gebeurde dat wel meer, maar het zal tegenwoordig wel in het Engels gaan.

Ik kwam graag in het in mijn ogen grote huis en kan me nu nog de indeling herinneren. Je kon er heerlijk verstoppertje spelen en er gebeurden dingen, die je thuis niet altijd meemaakte. Eens was er een feest voor de “grote mensen”. Wij waren al in pyama, maar keken stiekem vanaf de trapleuning naar beneden. Mevrouw Blok had een vuurrode zijden jurk aan en alle gasten zagen er geweldig uit vonden we. Veel hebben we verder niet van het feest gemerkt. Sliepen als gewoonlijk als rozen. Maar de volgende ochtend…..Lies troonde mij mee naar beneden waar nog niets was opgeruimd. Lies probeerde hier en daar nog wat te proeven en gelukkig was er nog een ongebruikte cracker naast een bord, die we samen opentrokken.
Ach, wat maakte ik niet mee waar ik thuis niet van droomde. Mijn ouders uit de crisisjaren opgekrabbeld, mijn chronisch zieke zusje dat veel aandacht vergde, waarom Liesje zo graag bij ons kwam was mij een raadsel.

Van dokter Blok herinner ik me niet zoveel meer. We ontmoetten hem meestal aan tafel. Grappig vond ik het dat hij iedere dag spinazie at. Daar zat ijzer in en daar zou je sterk van worden! Hij was een van de weinigen die toen een auto bezaten. Lies en ik mochten een keer mee toen hij ‘s avonds “visites ging rijden” zoals hij dat noemde. Achteraf vonden we het griezelig, zo met zijn tweeën op de achterbank wachten in een stille straat. Ook deelde hij wel eens snoepjes uit, die nogal zuur waren, maar vitamine C-tabletjes waren. Hij bracht mij ook wel eens thuis om dan met mijn vader een boom op te zetten. Ik denk dat ze elkaar wederzijds waardeerden.
Toen ik op een van de foto’s de Eiffeltoren zag, herinnerde ik me, dat de echtelieden wel eens samen naar Parijs gingen. Ook had dokter een visvriend met wie hij, als hij vrij was, ging “snoeken” en een keer stond het hele huis in rep en roer toen hij het bad had laten vollopen en daarin een kanjer van een snoek rondzwom. Iedereen, mevrouw Blok, juffie, Toos (dienstmeisje), Hansje en wij bekeken het beest. Gelukkig was ie verdwenen toen we ‘s avonds in bad moesten!
Ook van mevrouw Blok durf ik mij geen goede voorstelling meer te maken. In mijn ogen was ze groot, heel donker, dito ogen. We zijn eens met haar en juf (mijn tante) naar de intocht van Sinterklaas gaan kijken in het restaurant van de Bijenkorf. Ik vond haar er erg mooi uitzien in een Persianer bontjas. In de Bijenkorf waren alle tafeltjes bedekt met roze kleedjes en werd je nog bediend door dames met evaatjes voor. Helaas was er voor ons geen plekje meer open.

Het wordt allemaal teveel, vermoed ik, om te vertellen.
Ik herinner me nog de taplessen bij Frans Muriloff. Liesje had blauwe tapdanceschoentjes gekregen met een strik bovenop en met hakjes. Om beurten trokken we die schoenen aan en tapten er luidruchtig op los in de badkamer, wat uiteindelijk verboden werd omdat de tegeltjes van de vloer barstten.
De familie leek bevriend met de directeur van Carré en diens vrouw. Lies en ik mochten op een zondagmiddag met zijn tweetjes naar de revue. Zaten (als Black en White) in de pauze bij Lou Bandy op schoot, die later, onder het zingen van “Mag ik van u een foto?” zijn zoeklicht op ons richtte.

En dan de keer, dat ik thuis werd afgehaald (ik lag al in bed) en we naar een grote kermis gingen. Ik kreeg er een grote rode zuurbal. Ik zou bij de familie slapen en eenmaal thuis sprongen we nog wat rond in bed en ging ik kopjeduikelen. Gevolg: de nog steeds grote zuurbal schoot in mijn keel. Pijnlijk en benauwend. Dokter erbij en toen moest er veel gedronken worden. Heel langzaam voelde ik het ding zakken. Het was een grote consternatie.
Dat waren gelukkige tijden. Maar langzaam verwaterde na enige jaren de vriendschap. Hoe en waarom? Ik had natuurlijk ook hartsvriendinnen in de klas en in de buurt. Je kreeg het drukker met je gymvereniging, huiswerk, Franse les in de zesde klas. Mijn vader was gevraagd om enige tijd op een nieuw schip voor de Holland - West-Afrika Lijn, bij de bouw waarvan hij aanwezig was geweest, te varen. Holland ging mobiliseren, ik ging naar het middelbaar onderwijs, mijn moeder werd ernstig ziek, maar genas weer langzaam. Ik denk dat de omstandigheden die verwijdering beïnvloedden. Wij hadden thuis geen telefoon (wie wel in die jaren?) en dus bleef het contact beperkt tot een verjaardagskaart.

En toen brak de oorlog uit. Mijn vader, die graag zondags het Waterlooplein bezocht en genoot van de standwerkers en de hele sfeer, nam mij een keer mee en aangekomen in de buurt zagen we de weg versperd door hekken met grote witte borden waarop “Judenviertel” stond. Er waren nog meer borden waaruit we begrepen dat we in deze area niet langer mochten komen. Een klap in ons gezicht, maar wat moest dit niet betekenen voor de bewoners van deze buurt, toch voornamelijk Joodse mensen.
En er kwamen steeds meer verordeningen voor deze bevolkingsgroep. Toen mijn moeder Liesje eens ontmoette vroeg ze of Liesje niet weer eens bij ons kon komen. Inmiddels mocht er al geen contact meer zijn tussen haar en ons en Liesje durfde niets te riskeren. Begrijpelijk!
Toen mijn moeder, zusje en ik eens met de tram door de Sarphatistraat reden opperde mijn moeder het plan om even op 88 langs te gaan, om te proberen alsnog Liesje over te halen bij ons te komen. Zij nam de bevelen van de Duitsers niet serieus en liet zich toch al niet gemakkelijk ringeloren. Wij werden opengedaan door een oude dame aan wie we ons bekend maakten en vroegen naar Liesje. Tot onze schrik reageerde ze jammerend. Uit het souterrain werd geroepen wat er aan de hand was (Mevrouw Blok). De oude dame riep naar beneden wat we gevraagd hadden, waarop een vreselijk gehuil opsteeg. De oude vrouw (oma?) vroeg ons heen te gaan, want Liesje was de avond tevoren weggehaald! Slechter moment kan een mens niet uitkiezen. Als geslagen honden zijn we zwijgend huiswaarts gekeerd. Ik ben nu 83. Altijd willen weten hoe het de familie vergaan was en toch ook weer niet toen de verschrikkingen aan het licht kwamen. Altijd aan ze blijven denken. Ik hoop door mijn herinneringen de familie uit de vergetelheid te hebben gehaald.

Wil London-Bommels.

Media