Addition

Onder druk van de omstandigheden

Het is nog altijd een uiterst gevoelig onderwerp: zelfmoord tijdens de Tweede Wereldoorlog. Historici hebben er lang geen raad mee geweten.[1]  Wat is de plaats van zelfmoordplegers binnen de oorlogsgeschiedenis?

Er is opvallend weinig over dit onderwerp geschreven en een namenlijst of gedenkboek lijkt al helemaal niet te bestaan. Het Digitaal Monument (www.joodsmonument.nl) biedt een plaats waar nabestaanden, soms voor het eerst, het achterliggende verhaal bij een zelfmoord vertellen. Een voorbeeld:
Begin 1940 woonde Jacob Keesing (Amsterdam 21-4-1889) met zijn vrouw Esperance Keesing-Peekel (Amsterdam 20-4-1893) aan de Ceintuurbaan 247 in Amsterdam. Daar woonden zij samen met Suzanne Keesing (Amsterdam 26-2-1877) en Marianne Keesing (Amsterdam 24-10-1882), twee halfzusters van Jacob. De vier vormden een hechte familie. Jacob Keesing werkte voor het familiebedrijf ‘Uitgeverij Keesing’ dat werd geleid door zijn broer Isaac (Amsterdam 1-8-1886). Jacob had de leiding over de Belgische vestiging van de uitgeverij.
Reeds in de jaren '30 vreesde het viertal het virulente antisemitisme van nazi-Duitsland. Toen op 10 mei 1940 Duitse troepen Nederland binnenvielen, hebben zij zich dadelijk naar IJmuiden gespoed in een poging per schip naar Engeland te ontkomen. Het lukte echter niet om een overvaart te regelen. In de hoop alsnog een schipper te vinden die hen zou meenemen huurden zij een kamer aan de Velserduinweg. Nadat bekend was geworden dat de Duitse bezetting een feit was, zagen de vier geen andere uitweg dan zichzelf het leven te benemen.[2]
Over de omvang van de groep Joodse zelfmoordplegers zijn in 2001 nieuwe gegevens gepubliceerd.[3] Volgens nieuw hervonden data van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de periode 1940 - 1943 gaat het om ongeveer 257 (1940), 36 (1941), 248 (1942) en 169 (1943) personen. Het hoogste percentage is vastgesteld in mei 1940. Lou de Jong gaat in zijn volumineuze standaardwerk [4] uit van minstens 120 meldingen van zelfdoding in deze maand in Amsterdam en ongeveer dertig in Den Haag. Over de rest van het land doet hij geen uitspraak.[5] De Jong merkt op dat de cijfers alleen 'geslaagde' zelfdoding betreffen, er zullen volgens hem even zoveel 'mislukte' pogingen zijn geweest. Neem bijvoorbeeld Elize Jeanette de Jong-Groenberg (Nijmegen 23-6-1918) die in mei 1940 van het balkon in haar achtertuin sprong. Zij overleefde de val, maar dat was voor haar slechts een tijdelijke redding. Zij is in Sobibor omgekomen.[6]
Opvallend is het grote aantal prominenten dat na de Duitse inval geen uitweg meer zag. In Amsterdam hebben onder meer wethouder en demograaf Emanuel Boekman (Amsterdam 15-8-1889) en bankier Siegfried Paul Daniel May (Amsterdam 20-9-1868) met hun echtgenotes de fatale stap genomen. De laatste was medevennoot van de bank Lippmann, Rosenthal & Co in de Nieuwe Spiegelstraat in Amsterdam (niet te verwarren met de Duitse roofbank in de Sarphatistraat die dezelfde naam gebruikte). In een enkel geval is de ultieme zelfopoffering van een publieke persoon door omstanders opgepikt als een waarschuwing. In Den Haag heeft het gemeenteraadslid Michel Joëls (Den Haag 24-11-1881) zich het leven benomen, waarna burgemeester S.J.R. de Monchy een emotionele herdenkingsrede heeft gehouden voor de Haagse gemeenteraad. De burgemeester maakte van de gelegenheid gebruik om te waarschuwen voor de dreigende terreur van het nazisme.[7]
Het fenomeen zelfdoding bleef niet beperkt tot de eerste dagen van de bezetting. Ook daarna hebben velen ‘onder druk van de omstandigheden’ zich het leven benomen. Een glimp van de wanhoop waarmee dit gepaard ging, geeft een afscheidsbrief van Barend Hartog Knap (Rotterdam 20-1-1879). Hij schreef in september 1940 dat hij geen uitweg meer zag. Het was duidelijk dat er voor hem als Jood geen plaats meer was en dat hij vroeg of laat zou worden opgepakt.
Van juli 1942 tot mei 1943 heeft de Joodse Raad van Amsterdam een lijst van zelfmoorden bijgehouden. Lang niet alle gevallen zijn op deze lijst geregistreerd. Dankzij verhalen van nabestaanden komen tegenwoordig steeds meer gegevens beschikbaar. Zo weet een toenmalige buurman dat Leentje Weenen-Löwenstein (Amsterdam 6-3-1865), uit angst voor wat haar te wachten stond, zichzelf heeft verdronken in de Ringvaart bij de Transvaalkade. Hij schrijft: 'Zij begaf zich nog maar zelden op straat. Het is onbegrijpelijk hoe zij kans heeft gezien om 's nachts stilletjes het huis te verlaten en het water kon vinden'. Ook Klara Stern-Gomperts (Mönchengladbach 4-5-1907) heeft zich in augustus 1942 het leven benomen, nadat zij een oproep voor deportatie had ontvangen. Bekender is de geschiedenis van de oogarts dr. Jacob Pinkhof (Amsterdam 15-2-1895). In september 1942 maakte hij er samen met zijn vrouw en drie kinderen een einde aan door middel van lichtgasintoxicatie (verstikking door gas).[8]
Het is vaak moeilijk om na te gaan wie zelfmoord hebben gepleegd, vooral wanneer het overlijden niet officieel is aangemeld. Dat gebeurde onder andere wanneer de verblijfplaats geheim moest blijven. Het echtpaar Jacob Samuel Wijler (Lochem 1-3-1884) en Elisabeth Rose Wijler-Kolthoff (Almelo 8-7-1887) was ondergedoken in de buurt van Epe. Hun kinderen Martha Rose (Zierikzee 13-10-1919) en Rose Helene (Apeldoorn 13-3-1922) zaten elders ondergedoken. In januari 1943 zijn de dochters verraden en opgepakt. Enkele maanden later hebben de ouders uit verdriet en wanhoop hun levens beëindigd. Hun overlijden is pas na de oorlog bekendgemaakt.
Afgezien van wat statistische gegevens is er nog maar weinig bekend over Joodse zelfmoorden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het onderwerp blijft beladen. Het Digitaal Monument biedt de mogelijkheid om deze oorlogsslachtoffers (want dat zijn het!) een plaats te geven. Naar verwachting zullen in de komende jaren meer gegevens en verhalen bekend worden, waarmee ook deze groep uit de vergetelheid wordt onttrokken.


Noten
1. A. Herzberg, J. Presser en L. de Jong besteden aandacht aan zelfdoding in hun studies naar de jodenvervolging. Bij alledrie blijft het onderwerp onderbelicht.
2. A. Wijsman, ‘Uit wanhoop de gaskraan open’, in: Haarlems Dagblad, 16 mei 2007
3. W. Ultee, F. van Tubergen en R. Luijkx, 'The unwholesome theme of suicide: Forgotten statistics of attempted suicide in Amsterdam and Jewish suicides in the Netherlands for 1936-1943', in: Ch. Brasz en Y. Kaplan (ed.), Dutch Jews as perceived by themselves and by others (Leiden/Boston/Köln, 2001)
4. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 3, p 450-451
5. In het artikel van W. Ultee (e.a.) worden aan de hand van gegevens van het CBS landelijk 210 gevallen geteld. De getallen voor Amsterdam en Den Haag liggen volgens dit artikel hoger dan de veronderstelling van De Jong.
6. Verschillende verhalen die voor dit artikel zijn gebruikt komen van bezoekers van het Digitaal Monument, wier namen niet bekend worden gemaakt.
7. Joods Historisch Museum, documentencollectie, inv. nr. 00813
8. J.H. Coppenhagen, Anafiem Gedoe‘iem. Overleden joodse artsen uit Nederland 1940-1945 (Rotterdam 2000) p127


Dit artikel van D.M. Metz is eerder gepubliceerd in Misjpoge. Tijdschrift voor Joodse genealogie, jaargang 21 (2008) nr. 1