Ernest August Kan wordt geboren op 9 september 1911 in Amsterdam. Zijn ouders zijn Alexander Kan (1887-1916) en Rebecca Clara Vieyra (1884-1981). Alexander verdient de kost als kantoorbediende. In het bevolkingsregister staat aanvankelijk onder het kopje godsdienst: “NI” (Nederlands Israëlitisch), naderhand is dit doorgestreept en veranderd in “geen”. Twee jaar later wordt het broertje van Ernest geboren. Hij krijgt de naam Alfred (1913-2003). Met de geboorte van dochter en zusje Helena (1915-1966) is het gezin compleet.
Het geluk is van korte duur, want een jaar later slaat het noodlot toe wanneer de vader van het jonge gezin op 28-jarige leeftijd overlijdt. Het moet voor Rebecca en de drie kinderen een enorme klap zijn geweest, al zal Helena (Leny) als baby hiervan weinig hebben meegekregen.
In datzelfde jaar, 1916, verhuist het gezin naar Doorn, een plaats onder de rook van Utrecht. Het verblijf daar is maar kort, want een jaar later is het gezin woonachtig in Den Haag. Inmiddels is Rebecca in 1917 hertrouwd met Hendrik Adriaan Johannes Rinnooy[1] (1881-1973). In de Hofstad doorlopen de kinderen het lager onderwijs. Blijkbaar kan Ernest goed leren, hij wordt in 1923 ingeschreven op het Haagse Gymnasium Haganum[2]. Zes jaar later slaagt hij voor zijn eindexamen en vervolgt zijn opleiding aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam (nu: UvA) waar hij lid wordt van het hoofdstedelijke Studenten Corps.
Aanvankelijk studeert Ernest oude talen en filosofie, maar na een jaar laat hij die eerste studie vallen. In Leiden gaat hij rechten studeren waar hij zijn kandidaats haalt om vervolgens in de hoofdstad in 1931 zijn studie af te ronden met zijn doctoraal. Een knappe prestatie in zo’n korte tijd. Ernest is nog minderjarig naar de wettelijke term van toen, als hij als stagiair werkzaam is op een advocatenkantoor. In 1932 verhuist hij vanuit Utrecht naar de residentie en vestigt zich als zelfstandig advocaat. Hij houdt kantoor in de Zeestraat.
Naast zijn werk als advocaat en procureur bij de Hoge Raad der Nederlanden is Ernest ook maatschappelijk en religieus betrokken. In 1933 wordt de “Max Heindel Stichting” opgericht, een stichting genoemd naar de stichter van Het Rozekruizers Genootschap[3] waarvan hij lid is. Van de nieuwe stichting is Ernest de bestuursvoorzitter.
In zijn vrije tijd houdt hij zich bezig met het schrijven van poëzie. Onder het pseudoniem Edmond Yorin verschijnt van zijn hand in 1938 een gedichtenbundel met als titel “Etudes”.Uitgegeven bij P.N. van Kampen en Zoon N.V. te Amsterdam. In Het Kouter[4] van dat jaar lezen we een recensie over de pas verschenen bundel. …..“Tenslotte de ‘Etudes’ van Edmond Yorin. Voor zover ik weet is dit een debuut en het draagt daarvan de kenmerken. Het bundeltje brengt voornamelijk religieuze poëzie; het vangt aan met een schoon kwatrijn, waarin een spanning leeft als in menig onvergetelijk kwatrijn van Jacob Israël de Haan (……):
Na iedre nederlaag: opnieuw beginnen
Na elk vergeten: een opnieuw bezinnen
Het hart dat door Uw Liefde werd geraakt
Het moet ten gronde gaan of U beminnen.”( ………)
Onder hetzelfde pseudoniem schrijft Ernest een lekenspel voor de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale in Utrecht met als titel “Dit zal u een teken zijn”, gebaseerd op het kerstevangelie van Lucas. Onder eigen naam schrijft hij een aantal juridische artikelen in onder meer Het Tijdschrift van Strafrecht. Eén van zijn laatste artikelen schrijft hij in de tijd dat hij al betrokken is bij het verzet. Het gaat over de rechtshulp aan minderbedeelden. Het toont zijn sociale betrokkenheid. Ernest is sportief en heeft belangstelling voor de luchtvaart. In 1938 meldt hij zich aan als lid van de Haagsche Aero-Club (H.A.C.). Samen met leden van de Rotterdamse Aero-Club (R.A.C.) maken de sportvliegers gebruik van het vliegveld Ypenburg[5].
Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (1 september 1939) wordt in ons land de mobilisatie afgekondigd. Ernest meldt zich als vrijwilliger bij de Militaire Luchtvaart waar op dat moment een groot tekort is aan vliegers. Hij volgt een opleiding op de S.R.O.M.L. (School voor Reserve Officieren der Militaire Luchtvaart) in Rotterdam. Ernest staat dan nog steeds ingeschreven als advocaat. De school is gelegerd in de ambachtsschool aan de Baljuwstraat.
Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers ons land binnen. Op verschillende plaatsen wordt hevig gevochten, ook in en rond de Maasstad. Gedurende de oorlogsdagen is de S.R.O.M.L.[6], met hun lichte bewapening, niet betrokken bij directe gevechtsacties, maar wordt o.a. ingezet bij het bewaken van het Hoofdbureau van Politie en patrouilles in de stad. Tijdens het bombardement op 14 mei sneuvelt één leerling en is er één vermist. Na de capitulatie blijven de leerlingen gedurende een tiental dagen geconsigneerd in een schoolgebouw onder commando van hun eigen officieren. Hierna volgt voor de meesten ontslag uit actieve dienst.
Ernest probeert de draad van het gewone leven weer op te pakken en gaat naar kantoor waar inmiddels de niet-joodse mr. R.A. Jansonius zijn compagnon is. In de zomer van 1940 worden de eerste anti-Joodse maatregelen ingevoerd. Voor Ernest worden de vooruitzichten er niet beter op wanneer op 5 februari 1941 wordt aangekondigd dat Joodse artsen en advocaten per 1 mei van dat jaar uitsluitend nog voor Joden mogen werken. Als vol-Jood wordt Ernest hard getroffen door dit beroepsverbod. In de maanden tussen de aankondiging en het ingaan van de maatregel krijgt hij regelmatig te horen dat “cliënten het onder de huidige omstandigheden veiliger vonden een Arisch raadsman te nemen en zich daar reeds van voorzien hadden”. Het gevolg is dat de praktijk achteruitloopt. Ernest besluit om de advocatuur de rug toe te keren en verhuist eind april 1941 naar Wassenaar waar hij intrekt bij zijn moeder en stiefvader op de Jonkerlaan 58. Op dat moment zit de voormalige advocaat en procureur al diep in het verzet.
Direct na de capitulatie wordt de Ordedienst (OD) opgericht. Een organisatie bestaande uit o.a. beroeps- en dienstplichtige militairen, docenten, journalisten en fabrikanten. Zij hebben de overtuiging dat de Duitsers weer snel zullen vertrekken uit ons land en dat dan het ontstane machtsvacuüm moet worden opgevuld om orde en rust te herstellen. Ook Ernest heeft zich na zijn demobilisatie aangesloten bij de OD. Dat de Duitsers ons land weer snel zullen gaan verlaten, blijkt ijdele hoop. Leden van de OD, en ook andere groepen, gaan over tot het plegen van verzet. Dat gebeurt onder meer door het saboteren van telefoon- en spoorwegverbindingen en het in kaart brengen van strategische plekken die voor de geallieerden van belang kunnen zijn. De verzamelde inlichtingen worden vervolgens naar Engeland gestuurd. Het is gevaarlijk werk, want verraad ligt op de loer[7].
Ernest is actief binnen een verzetsgroep rond de Delftse hoogleraar J.A.A. Mekel (1891-1942) die zich vooral toelegt op spionageactiviteiten. Ernest gebruikt het advocatenkantoor als dekmantel voor de overdracht van de verkregen geheime informatie. Inmiddels hebben de Duitsers lucht gekregen van de illegale activiteiten van de OD en de Sicherheitsdienst (SD) maakt intensief jacht op de leden van deze groep. Al in het najaar van 1940 vinden de eerste arrestaties plaats. Een aantal van de aangesloten groepen wordt opgerold. Verraad, onervarenheid en loslippigheid hebben hier een rol bij gespeeld.
Op 23 juli 1941 wordt Ernest in Wassenaar gearresteerd en in afwachting van zijn proces overgebracht naar Het Oranjehotel in Scheveningen. Acht maanden later wordt hij overgebracht naar Kamp Amersfoort. Het proces waar hij met 85 anderen terechtstaat is het zgn. “Eerste OD-proces”. De beklaagden zijn leden van de Delftse Mekel-groep (waartoe Ernest behoort), de Westerveld-groep, de Schoemaker-groep en dertien[8] beroepsofficieren. Aan het eind van het proces op 11 april 1942 worden 79 beklaagden tot de doodstraf veroordeeld. Uiteindelijk wordt aan zeven gevangenen gratie verleend. Zij worden gestraft met levenslange tuchthuisstraf. Vijf van hen overleven, waaronder de Wassenaarse politie-inspecteur Anne Sape Fogteloo.
Op 1 mei gaan 71[9] van de terdoodveroordeelden op transport via Arnhem naar Duitsland. Kort hiervoor hebben de gevangenen nog een afscheidsbrief mogen schrijven. Ook Ernest vertrouwt zijn laatste woorden toe aan het papier en schrijft o.a.
“Tot mijn droefheid moet ik u mededelen, dat ik ter dood veroordeeld ben en dat mijn gratieverzoek is afgewezen. Droef ben ik niet, omdat ik mijn leven moet afleggen, maar omdat ik U dit leed moet berokkenen. Voor mij is het een reden geworden van dankbaarheid, want sinds ik het weet heeft God in mijn leven bevestigd, wat Hij eens begonnen is en mij vervuld van de zekerheid, dat in dood en leven Zijn Hand ons vasthoudt en uitredt.” Uit zijn verdere woorden spreekt een groot vertrouwen van Ernest in God en zijn liefde voor het Koningshuis.
Een dag later, aan het eind van de middag, komt het transport aan bij de plaats Oranienburg gelegen ten noorden van Berlijn. Hier moet het gezelschap overstappen in gereedstaande vrachtauto’s die de groep naar het nabijgelegen concentratiekamp Sachsenhausen[10]brengen. Hier brengen zij hun laatste nacht door. De volgende morgen, 3 mei 1942, in alle vroegte worden de gevangenen in groepjes naar de Schießstand gebracht. Daar wordt Ernest met de anderen in groepen van ongeveer twaalf gefusilleerd en komt er een eind aan het jonge leven van Ernest August Kan.
De naam van mr. Ernest August Kan komt o.a. voor op de gedenksteen die op 4 mei 1948 op het Gymnasium Haganum is onthuld. Later is er een tweede gedenksteen aan toegevoegd.
©Ton Beijersbergen
Bron: Werkgroep Stolpersteine Wassenaar
https://www.oudwassenaer.nl/2e-wereldoorlog/struikelstenen
[1] In 1947 voegt Alfred de achternaam van zijn stiefvader toe aan zijn eigen familienaam: Rinnooy Kan.
[2] Het Gymnasium Haganum is een openbaar gymnasium in Den Haag. De school is gevestigd in een neorenaissance gebouw gelegen aan de Laan van Meerdervoort. De eerste vermelding die wijst op bestaan van de school is uit 1327.
[3] Het Nederlands Genootschap van Rozekruisers is een spirituele en culturele beweging die steunt op het gedachtegoed van verschillende teksten die in de 17eeeuw in Europa werden gepubliceerd. De broederschap baseert zich op het christendom, maar laat zich ook inspireren door andere godsdienstige en filosofische stromingen.
[4] Het Kouter was een Nederlands literair-religieus tijdschrift dat tussen 1936 en 1941 werd uitgegeven.
[5] Vliegveld Ypenburg was een Nederlands vliegveld in de gemeente Rijswijk (ZH). Het was in bedrijf van 1936 tot 1991, aanvankelijk als civiel en later als Vliegbasis Ypenburg, een militair vliegveld.
[6] De sterkte van de S.R.O.L.M. bestaat op dat moment uit 5 officieren, 5 onderofficieren en ca. 150 leerlingen.
[7] Zie Stolpersteine in Wassenaar, deel 2: Jan Kessler (1919-1944).
[8] In het Eerste OD-proces wordt naast Ernest Kan ook de Wassenaarder Hermannus Johannes Offerhaus berecht en gefusilleerd.
[9] Hendrik Kop (1896-1942) is te ziek om de reis te maken. Hij wordt op 26 oktober 1942 met drie anderen alsnog gefusilleerd in de duinen bij Overveen.
[10] Sachsenhausen was tijdens de Tweede Wereldoorlog een concentratiekamp in nazi-Duitsland. Het kamp lag 35 km ten noorden van Berlijn en werd in 1936 voorafgaand aan de Olympische Spelen in Berlijn gebouwd door gevangenen. Het kamp lag in de wijk Sandhausen in de stad Oranienburg.