In Memoriam

Aanvulling door verwante

Addition -

Simon Spee wordt geboren op 21 september 1924 in Haarlem als derde kind van Jean Benjamin Gerard Spee (1900-1984) en Judith (Jetje) Blitz (1902-1968). Na hem zouden nog negen kinderen volgen. Het is een gemengd hervormd-joods gezin. Gerard vent met manufacturen, garen en band. Jetje is suikerpatiënt en wordt regelmatig in een ziekenhuis opgenomen. 

Tijdens de geboorte van Simon Spee trekt het gezin rond in een woonwagen, die onder andere in Amsterdam, Haarlem, Appingedam en Woerden staat. In 1928 wordt de vergunning voor hun woonwagen geweigerd en vestigt het gezin zich in Amsterdam. Ze wonen tot 1929 op een woonboot. 

Gerard verdient de kost met losse vrachtjes, vent met garen en band, zingt langs de straat en neemt dan meestal vrouw en één van de kinderen mee. Daar wordt door de kinderpolitie een einde aan gemaakt. 

Het gezin is straatarm. Alle kinderen slapen in één bed, onder lompen en oude jassen. Ze ontvangen steun van de Sociale Dienst, Gerards vader draagt tegen heug en meug f 1,50 per week bij, en af en toe krijgen ze wat van de Joodse gemeenschap. Ze krijgen niets van de NH Kerk omdat ze gemengd gehuwd zijn. 

In 1930 krijgt Gerard van de Sociale Dienst een scharenslijpwagen in bruikleen. Maar Gerard kan zijn gezin niet volledig onderhouden van zijn verdiensten als scharensliep. Hij krijgt daarom steun van de Sociale Dienst en van zijn ouders. In 1934 levert Gerard de wagen in en vanaf die tijd is hij, net als zo velen, werkloos. 

De moeder van Jetje Blitz staat bekend als een notoire bedelares en moeder vraagt haar dochter regelmatig om mee te gaan bedelen. Tussen 1931 en 1936 wordt Jetje drie keer betrapt, bij de Israëlische begraafplaats in Muiderberg, op de begraafplaats Zeeburg en op de begraafplaats Diemen. Telkens wordt de uitkering voor een week ingehouden. Na de derde keer zit de schrik er zo in, dat zij het daarna niet meer doet. 

In 1931 gaat de 7-jarige Simon Spee naar de Joodsche Zee- en Bosch kolonie in Wijk aan Zee. Het is een groot huis midden in de duinen, dat plaats biedt aan 150 kinderen. Beneden is een enorme eetzaal en een keuken, waar gekookt wordt volgens de joodse spijswetten. Boven is er een slaapkamer voor jongens en één voor meisjes. Rondom het huis ligt een grote tuin waarvan je meteen de duinen in kan lopen. Als het weer het toelaat gaan de kinderen naar het strand, waar op een afgebakend stuk een grote keet is neergezet waar de kinderen zich kunnen omkleden en eten. Kortom, het is er heerlijk voor stadse bleekneusjes.

Van de Sociale Dienst krijgt Simon hiervoor een stel bovenkleding, een cape en een paar pantoffels en kousen. 

In 1934 is Simon 10 jaar en gaat hij weer naar de Joodsche Zee- en Boschkolonie, nu naar hun huis in Hilversum. Hij krijgt hiervoor schoenen, pantoffels, een broek en een sporthemd van de Sociale Dienst. 

Omdat Gerard Spee en Jeltje Blitz hun kinderen verwaarlozen komt Simon Spee in de Bergstichting in het Noord-Hollandse Laren terecht. De Bergstichting is een instelling voor ca 100 Joodse kinderen die wees zijn geworden of waarvan de ouders niet (meer) in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen. Het is een gebouwencomplex in een bosrijk gebied aan de zuidkant van het dorp Laren, grenzend aan de Hilversumse hei, met een voetbalveld, boomgaard, groentetuin, pluimveehouderij en bijenkasten. Volgens de Rijksinspectie is het één van de beste kinderhuizen van Nederland. De nadruk ligt op een huiselijke inrichting, gezinssfeer, individuele begeleiding en gelegenheid voor verschillende vrijetijdsbestedingen en uitstapjes.  Simon doet mee aan een project waarbij de kinderen bloemen kweken. De beoordeling geschiedt op basis van drie criteria: het aanleggen van het stukje tuin, het onderhouden er van en hoe netjes het er allemaal bij ligt. Volgens een uitgave van de Bergstichting scoort Simon samen met zijn compagnon bovengemiddeld.

Na verloop van tijd gaat Simon terug naar het gezin. Het gezin woont op verschillende adressen in Amsterdam, voornamelijk in de Jodenbuurt zoals de Rapenburgerstraat, de Jodenhouttuinen en de Nieuwe Amstelstraat (met op de hoek de sjoel). In 1937 verhuist het gezin naar de Nieuwe Kerkstraat omdat hun oude woning te klein is. Zij krijgen een nieuwe kachel op afbetaling van de Sociale Dienst.

In 1937 wordt Simon Spee opgenomen in de psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. Het is een joods-psychiatrische inrichting waar in moderne, ruime paviljoens geesteszieken worden behandeld volgens de nieuwste inzichten, in de natuur en ver van de grote stad. De kinderen die in Het Apeldoornsche Bosch worden opgenomen hebben een verstandelijke beperking of zijn moeilijk opvoedbaar. Ook verwaarloosde kinderen of kinderen die op het verkeerde pad dreigen te raken, kunnen ter observatie worden opgenomen. Een deel van de leerlingen krijgt les op een eigen schooltje op het terrein. Er is ruimte voor ontspanning, sport en spel, muziek- en filmvoorstellingen, maar ook voor arbeidstherapie. 

In juli wordt Simon overgebracht naar het Nederlands-Israëlitisch Ziekenhuis op de Nieuwe Prinsengracht. 

In 1938 gaat Simon als leerling bakker aan het werk bij de joodse bakkerij Theeboom in de Weesperstraat, en na een paar maanden werkt hij bij de cartonnage- en speelgoederen-fabriek van de firma Louis Blitz op de Zwanenburgerstraat. In 1939 werkt Simon bij de damesconfectiefabriek Cohen in de Lutmastraat. Hij steelt daar f 200, en als hij in Rotterdam gearresteerd wordt, is daar nog  f 173 van over. Hij wordt op staande voet ontslagen en gaat werken bij de firma Oudehaas op de Keizersgracht. Daar verduistert hij f 10 en hij wordt in Apeldoorn gearresteerd.

Simon wordt veroordeeld tot TBR en in juli 1939 geplaatst in het joodse kindertehuis Paedagogium Achisomog in Apeldoorn.          

Naast de ‘moederinrichting’ Het Apeldoornsche Bosch, is er het kindertehuis Paedagogium Achisomog, ‘Mijn broeder tot steun’. Het bestaat uit vier paviljoens: een meisjespaviljoen, twee jongenspaviljoens en het paviljoentje voor ‘diepgestoorde kinderen’. In elk gebouw wonen 24 kinderen. Ieder kind wordt naar zijn karakter en aard behandeld. Door  het samenleven in groepen wil men de sfeer van een gezin zo veel mogelijk benaderen. Onder leiding van een vaste leider eten ze koosjer en bezoeken ze de synagoge. Ieder kind heeft zijn eigen taken. Op vrijdagavond gaat de directeur persoonlijk de paviljoens langs om de sabbat in te zegenen. Simon wordt daar verder opgeleid tot broodbakker.

Op 23 maart 1940 ontvlucht Simon de instelling. 

Hij wordt als volgt omschreven: 1 meter 69 lang, een smal gezicht, een litteken bij de linker wenkbrauw, donkerblond haar en hij draagt een donker gestreept kostuum, een pet en vermoedelijk zijn de schoenen zwart van kleur. Een toevoeging maakt duidelijk dat hij weer terecht is, vermoedelijk dezelfde dag al.

In mei 1941 ontvlucht Simon opnieuw de zorginstelling en ruim drie weken later houdt de politie van Amsterdam hem aan. Op welke plek(ken) hij deze periode verbleef, is onbekend. Enkele uren later brengt een medewerker van Het Apeldoornsche Bosch hem terug naar het kindertehuis. Ruim een maand later, op 16 augustus 1941, loopt Simon opnieuw weg. Een medewerker van Het Apeldoornsche Bosch heeft hem op de Hoofdstraat zien lopen, richting het station. Nu wordt alleen zijn leeftijd genoemd en wat hij aan had: een loden jas, nieuwe, lage schoenen, zwart van kleur en blootshoofd. Simon wordt een maand later door de Rotterdamse politie aangehouden. Hij wordt naar het politiebureau in Apeldoorn gebracht en daar door een medewerker van de zorginstelling opgehaald.

In juni 1942 krijgt de politie van Apeldoorn opnieuw een melding. Simon is weer uit de inrichting weggelopen. Hij wordt omschreven als 1 meter 73 lang, kort blond haar met een lichter gekleurde haarlok, blauwe ogen, een smal gezicht en een slank postuur. Hij heeft een litteken dat door een van zijn wenkbrauwen heen loopt en draagt een donker gestreept colbertkostuum. Hierbij maakt de politie duidelijk dat het geen ‘gestichtskleding’ betreft. Tenslotte draagt hij een blauw alpinomutsje. Hoewel in het dagrapport staat dat Simon geen fiets bij zich had toen hij verdween, wordt hij dezelfde ochtend gearresteerd met de vermelding ‘in arrest gesteld wegens rijwiel diefstal’. Het is onbekend of Simon ten onrechte beschuldigd is of anderen hem hebben aangewezen of dat hij op heterdaad betrapt is. Na enkele uren ingesloten te hebben gezeten, haalt een medewerker van Het Apeldoornsche Bosch hem op. 

In de nacht van 21 op 22 januari 1943 jagen de nazi’s zover bekend 1080 patiënten uit bed en transporteren ze per vrachtwagen naar station Apeldoorn. Simon is één van hen. Hier wacht een lange goederentrein waarmee alle patiënten, enkele dorpelingen en een deel van het verplegend personeel rechtstreeks naar vernietigingskamp Auschwitz worden gedeporteerd. De officiële sterfdatum van Simon is 25 januari 1943.

Bronnen: Stadsarchief Amsterdam, Afdeling ‘Naam & Gezicht’ van het herinneringscentrum Kamp Westerbork, CODA Archief Apeldoorn, Digitaal Joods Monument, Erica adresboek van Apeldoorn, het Gelders Archief, ITS Archiv Bad Arolsen (International Tracing Service), het boek ‘In Memoriam’ door Guus Luijters, Yad Vashem, het Nationaal Archief, Delpher (gedigitaliseerde Nederlandse historische kranten), Regionaal Archief Dordrecht, Noord Hollands Archief, Geheugen van Apeldoorn, ONH.nl, Arnold Spee, Gerard Spee, René Spee, Familie Spee van Straelen/Roermond deel 2, 2024

Copyrights: Attribution Non-commercial Share Alike